Zoals ik vorige week al schreef, meende de joodse geschiedschrijver Josephus dat de Egyptenaren een veel minder flatteuze variant op het Exodusverhaal kenden. In dit verhaal worden de Israëlieten enerzijds geportretteerd als de goddeloze onderdrukkers van het Egyptische volk (Hyksos) en anderzijds als een groep melaatsen geleid door een opstandige priester (Osarseph). Dit verhaal zou opgetekend staan in het door Josephus geciteerde werk van de Egyptische priester Manetho. Uit een objectieve lezing van de geciteerde passages blijkt echter dat deze vooral betrekking hebben op andere gebeurtenissen uit de Egyptische geschiedenis, zoals de verdrijving van de Hyksos, de religieuze hervormingen van Akhenaten en mogelijk een slavenopstand en een lepra-epidemie. De enige overeenkomst die overeind blijft, is dat zowel de Tora als de Aegyptiaca erkennen dat Noordwest-Semitische stammen een tijdlang over de Nijldelta hebben geheerst. Nu is de vraag welke waarde we aan deze overeenkomst moeten toekennen.