Stikstof: Boer zoekt eeuwigheid

Er zit een gek element in het Nederlandse landbouwdebat. Boeren worden daarin vaak behandeld alsof zij behalve eigenaar van een bedrijf ook houder zijn van een soort maatschappelijk verworven recht: het recht om boer te zijn, boer te blijven en dat bedrijf bovendien min of meer voort te zetten onder de voorwaarden waaronder het ooit is opgebouwd. Dat recht bestaat nergens anders.

Een koetsenbouwer kon zich aan het begin van de twintigste eeuw ongetwijfeld beroepen op vakmanschap, familietraditie, gedane investeringen en het feit dat mensen altijd vervoer nodig zouden hebben. Het hielp hem weinig toen de auto doorbrak. Fabrikanten van typemachines konden even overtuigend uitleggen dat schrijven nooit zou verdwijnen. Daar hadden ze zelfs volkomen gelijk in (hoewel). Alleen volgde daar geen recht uit om tot in lengte van dagen typemachines te mogen produceren die dan moesten worden afgenomen.

Economische activiteiten bestaan bij de gratie van de omstandigheden waarin ze rendabel en maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Technologie verandert, consumenten veranderen, grondstoffen veranderen, concurrentie verandert en ook onze kennis over schade aan de omgeving verandert. Soms betekent dat dat een bedrijf zich moet aanpassen. Soms verdwijnt een sector grotendeels. Dat kan voor de betrokken ondernemers buitengewoon pijnlijk zijn zonder dat daarmee een aanspraak ontstaat op het stilzetten van de samenleving.

Maar bij boeren ligt dat blijkbaar anders.

Een verandering die al decennia onderweg is

De huidige problemen rond mest, ammoniak en stikstof kwamen bovendien bepaald niet uit de lucht vallen. Nederland voert al sinds ongeveer 1990 beleid om de enorme milieudruk van mest en ammoniak terug te dringen. Het PBL spreekt zelfs expliciet over ‘dertig jaar mestbeleid‘ en beschrijft hoe mestwetgeving en ammoniakregels sinds die periode zijn ingezet tegen de milieuproblemen van het Nederlandse boerenbedrijf.

Dat beleid heeft ook effect gehad. Tussen 1990 en 2022 daalde de ammoniakuitstoot uit de land- en tuinbouw volgens het PBL met 67 procent. Tegelijk vlakte die verbetering sterk af en veranderde de uitstoot tussen 2013 en 2021 nauwelijks. Het onderliggende probleem is al evenmin nieuw: Nederland gebruikt door zijn intensieve veeteelt veel stikstof via kunstmest, dierlijke mest en geïmporteerd veevoer, met grote uitstoot als ammoniak en gevolgen voor stikstofgevoelige natuur.

Wie vandaag doet alsof een boer plotseling wordt geconfronteerd met een volstrekt nieuwe maatschappelijke eis, moet dus een indrukwekkend deel van de recente Nederlandse boerengeschiedenis overslaan. Sterker nog, het bijzondere aan de sector is eerder hoeveel tijd er is geweest om die verandering uit te stellen.

Decennialang is geprobeerd de bestaande productie zoveel mogelijk overeind te houden via technische maatregelen, mestregels, uitzonderingen, subsidies en steeds nieuwe beleidsconstructies, onder druk van een intensieve lobby. Ook het huidige beleid kiest nog steeds voor een route waarbij bedrijven veel ruimte krijgen om zelf te bepalen hoe zij hun uitstoot verminderen en waarbij de overheid financieel ondersteunt bij aanpassingen.

Dat is een mate van begeleiding waarvan de gemiddelde ondernemer in een verdwijnende bedrijfstak alleen kan dromen.

Boer zijn is een beroep, geen erfelijk recht

De verwarring ontstaat deels doordat boeren blijkbaar meer is dan alleen een economische activiteit. Mensen worden als kind voorgelezen uit boekjes over idyllische boerderijen die in werkelijkheid al lang niet meer bestaan, Boerenbedrijven zijn vaak familiebedrijven. Een boerderij kan generaties in dezelfde familie blijven. Het werk hangt samen met grond, landschap, identiteit en levenswijze. Dat maakt verandering ingrijpender dan wanneer een fabrikant besluit voortaan een ander product te maken.

Alleen verandert daarmee de maatschappelijke verhouding niet. Iemand kan een diepe persoonlijke band hebben met zijn beroep zonder daarmee het recht te verkrijgen dat de rest van de samenleving de voorwaarden voor dat beroep intact houdt. Een visser heeft geen recht op een zee waarin hij onbeperkt kan blijven vissen. Een mijnwerker heeft geen recht op een eeuwigdurende kolenmijn. Een taxichauffeur heeft geen garantie dat technologie, regelgeving of vervoerspatronen nooit veranderen.

En een boer heeft geen afdwingbaar maatschappelijk recht op een bepaalde veestapel, een bepaalde hoeveelheid uitstoot, een bepaalde grondprijs of een bedrijfsmodel dat alleen rendabel blijft wanneer de externe kosten ervan elders terechtkomen. Toch wordt het debat regelmatig precies zo gevoerd. Een maatregel wordt beoordeeld vanuit de vraag of boeren hun huidige bedrijfsvoering kunnen voortzetten. Wanneer het antwoord nee luidt, geldt dat op zichzelf al als bewijs dat de maatregel onredelijk zou zijn.

Daarmee wordt de volgorde omgedraaid. De relevante vraag is welke veeteelt binnen ecologische, juridische en maatschappelijke grenzen mogelijk is. Vervolgens kun je bekijken hoe boeren bij de overgang daarnaartoe geholpen kunnen worden. Het uitgangspunt kan onmogelijk zijn dat de grenzen zich moeten aanpassen aan ieder bestaand bedrijf.

Zonder boeren geen eten

Een van de meest effectieve slogans in dit debat is: zonder boeren geen eten. Dat klopt natuurlijk. Zonder landbouw geen voedselproductie. Alleen wordt met die constatering vervolgens vaak een veel sterkere conclusie meegesmokkeld: dat Nederland daarom ongeveer evenveel boeren, bedrijven, dieren en productie moet behouden als nu.

Maar er zit een enorme ruimte tussen geen boeren en minder boeren. Nederland hoeft geen land zonder landbouw of veeteelt te worden om het aantal bedrijven, de veestapel of de totale milieudruk fors te verminderen. De relevante vraag is niet of we boeren nodig hebben, maar hoeveel productie we nodig hebben, voor welke markt en onder welke voorwaarden.

Dat onderscheid is extra belangrijk omdat de Nederlandse landbouw en veeteelt veel meer produceert dan nodig is om alleen Nederland te voeden. Een aanzienlijk deel van de productie is onderdeel van internationale handelsstromen. De gedachte dat iedere vermindering van de sector automatisch betekent dat Nederlandse supermarkten leeg raken, is daarom vooral retoriek.

Zelfs bij een kleiner aantal boeren kan Nederland ruim voldoende voedsel produceren voor de eigen bevolking, zeker wanneer het boerenbedrijf sterker wordt ingericht op voedselproductie voor menselijke consumptie in plaats van op maximale dierlijke productie en export, waarvoor enorme hoeveelheden plantaardig voer moet worden ingevoerd.

“Zonder boeren geen eten” is dus waar op ongeveer dezelfde manier waarop “zonder bouwvakkers geen huizen” waar is. Het zegt niets over hoeveel bouwvakkers er precies moeten zijn, hoeveel huizen er jaarlijks gebouwd moeten worden of welke bouwmethoden maatschappelijk acceptabel zijn. De slogan verdedigt het bestaan van de sector. Vrijwel niemand betwist dat. In het politieke debat wordt hij alleen vaak ingezet ter verdediging van de huidige omvang en structuur. Dat is iets heel anders.

De eeuwige boerderij

Misschien is juist het romantische beeld van de boer hier een probleem. Niemand organiseert trekkerdemonstraties om de laatste Nederlandse fabrikant van faxapparaten te redden. Een boerenbedrijf wordt sneller gezien als iets wat er altijd was en er daarom altijd moet blijven.

Landbouw zal er uiteraard blijven. Mensen moeten eten. Daaruit volgt alleen weinig over de vorm waarin landbouw wordt georganiseerd, hoeveel dieren Nederland houdt, hoeveel grond daarvoor nodig is of hoeveel milieuschade een individueel bedrijf mag veroorzaken.

Mensen zullen over vijftig jaar nog steeds eten. Dat betekent evenmin dat iedere boer die vandaag bestaat het recht heeft om in 2076 op dezelfde manier hetzelfde product met dezelfde hoeveelheid grondstoffen en dezelfde milieudruk te produceren.

Wie van boeren werkelijk ondernemers wil maken, zal dus ook de minder romantische helft van ondernemerschap moeten accepteren: soms verandert de wereld en moet je mee veranderen.

Na ruim dertig jaar waarschuwingen, regelgeving, subsidies, uitzonderingen, innovatierondes en uitstel kan moeilijk worden volgehouden dat die wereld boeren onverwacht heeft overvallen. De vraag is inmiddels vooral hoeveel langer de rest van Nederland geacht wordt te wachten tot iedereen vrijwillig besluit dat de twintigste eeuw voorbij is.

Reacties (16)

#1 Co Stuifbergen

Dat de fabrikant van faxapparaten niet gaat demonstreren, komt omdat de klanten verdwijnen.
Het heeft geen zin om te demonstreren tegen het verdwijnen van klanten (behalve misschien als de overheid de klant is).

Bij de boeren is het probleem niet dat er geen afzetmarkt is, maar dat de overheid grenzen stelt.
Dat maakt de overheid een makkelijk doelwit.

#1.1 Joost - Reactie op #1

Koetsenmakers hebben het in de vs voor elkaar gekregen dat er altijd iemand voor de auto moest lopen met een lantaarn om hem aan te kondigen.

#1.2 Jos van Dijk - Reactie op #1

Het probleem zit niet bij de boeren die het land bewerken en voedsel produceren maar bij de agrobusiness, de banken en de supermarkten waarvan zij afhankelijk zijn en waar uitsluitend winst en groei tellen. Ook op dat punt schiet de beeldvorming over het conflict met de boeren tekort.

#1.3 Saskia Do - Reactie op #1.2

Ik weet het niet hoor, supermarkten? Wat voor voedsel produceert de Nederlandse boer zoal? Vooral heel erg veel (te veel) vlees natuurlijk, maar daar kun je niet alleen van leven. Verder aardappelen en uien, prima. De rest is volgens mij vooral veevoer zoals mais en graan (ongeschikt voor brood). Groenten worden in kassen gekweekt en dan vooral tomaten, aardbeien, komkommers enz. De meeste groentes komen uit het buitenland, kijk maar op de labels in de supermarkt en om je heen; vooral grasland, heel erg weinig akkerbouw (inclusief veevoer dus). Veel wordt geïmporteerd uit Kenia bijvoorbeeld. dus hoezo zorgt de Nederlandse boer voor ons eten? Elke dag alleen maar bbq-en?

#2 Test

Het wordt hoog tijd dat ze die enorme hoeveelheid Europese subsidies gaan afbouwen. Nu betalen de belastingbetalers in feite de kunstmatig lage prijzen voor landbouwproducten.

#2.1 Ronzhu - Reactie op #2

Ik sta geheel achter het punt dat Joost in zijn bijdrage maakt, maar bij uw reactie wil ik toch echt als kanttekening plaatsen dat het beschermen van een kritieke markt als agrarische productie an sich weinig opmerkelijk of schandalig is. Hetzelfde geldt voor de subsidie van inkomensinelastische goederen als landbouwgewassen e.d. (wat in wezen nivellering is).

#3 Frank789

Natuurlijk heeft een boer heeft geen afdwingbaar maatschappelijk recht op op het hebben van een boerderij en de huidige bedrijfsvoering. Maar er is wel een groot verschil of een letterzetter of schrijfmachinereparateur een ander vak moet gaan leren of dat je je hele bestaan en identiteit dreigt kwijt te raken.

Zowat elk boer (uhh, boerenechtpaar! Laten we de partners, meestal vrouw, vooral niet vergeten!) heeft de boerderij geërfd van de ouders.
Dat betekent dat de man of vrouw als kind geboren is op die boerderij, in dat huis, daar gespeeld en gehuild heeft, mee geholpen heeft die boerderij in stand te houden of verder te ontwikkelen, en dat allemaal op HUN land, in hun stallen, in hun huizen waar de (groot-)ouders nog wonen of woonden en zijn gestorven.

Die logische zeer emotionele (én financiële) binding met de boerderij en basis van hun bestaan mag je niet onderschatten bij de emoties in de huidige chaos die onze laffe dan wel stupide politici hebben laten ontstaan en nog steeds niet echt durven aan te pakken.

Wat ik mis is een soort deltaplan waar het heen MOET met de totale landbouw en veeteelt, zoals in de jaren ’50 en ’60 de overheid sterk aandrong op schaalvergroting.
Er zijn zat biologische en ook niet-biologische boeren die natuurvriendelijk en toch rendabel opereren, dus het kan gewoon. Die boeren zie je echter vrijwel nooit in de media om hun methodes te mogen promoten, het gaat altijd over een handvol rellende of extremistische boeren (waaronder ook niet-boeren en loonwerkers!) die nooit gevraagd worden wat in vredesnaam dan hún oplossing is voor het stikstof- en methaanprobleem. Verder dan “het ziet er groen uit, dus er IS helemaal geen probleem” komen ze niet, en dat heeft dan een agrarische opleiding gehad…

P.S. Denemarken heeft als enige EU-land na 130 jaar geen afzonderlijke landbouwminister meer, maar wel een minister voor natuur en dierenwelzijn. Dat is ten minste een stevig signaal aan de boeren.
https://www.foodlog.nl/artikel/denemarken-schuift-landbouw-onder-natuur-water-en-dierenwelzijn

#3.1 Ronzhu - Reactie op #3

We zijn allemaal emphatisch genoeg om aan te voelen wat het betekent om dat bestaan op te geven, maar laten we niet doen alsof er geen boeren zijn die het gros van de inkomsten inmiddels niet halen uit diensten zoals recreatie, kinderopvang, horeca of kinderfeestjes. Moeten we daar allemaal een kaarsje voor aansteken? Menig boer die met goede timing zijn melkrechten heeft verkocht en terugschaalde naar wat hobbykoeien en een lekker pensioen (en vaak blij dat het bestaan hun kinderen bespaard werd). Een minuut stilte vanavond wellicht? Een boer wordt niet van zijn of haar land geschopt hè. Zelfs stallen hoeven niet per se gesloopt te worden. Het ouderlijk huis mag nog 10 generaties in de familie blijven als ze dat willen.

En een Deltaplan is er gewoon, de laatste is een volledig circulaire landbouwsector. Deltaplannen zijn vaak zat gepresenteerd, elke keer getorpedeerd door LTO en de partijen die zij voor haar karretje heeft weten te spannen. Hoe ziet u het voor u? Want het moge duidelijk zijn dat men met minder dan de status quo geen genoegen neemt.

#3.2 Frank789 - Reactie op #3.1

Oh jee, er zijn een handvol boeren die toevallig slim waren én in de buurt zaten waar een camping of kinderopvang o.id. mogelijk was, dus ?????

Verder graag een link naar het ministerie met dat deltaplan om de landbouw en veeteelt in Nederland om te bouwen naar een houdbare en milieuvriendelijke industrie…
Ook die door ministeries gepresenteerd en getorpedeerd door het LTO, graag.

#3.3 Co Stuifbergen - Reactie op #3

…of dat je je hele bestaan en identiteit dreigt kwijt te raken.

Dat laatste gebeurt al sinds de jaren ’50 aan de lopende band:
Boerenbedrijven worden steeds groter, maar dat kan alleen als de buurman zijn land verkoopt.

(dit geldt voor akkerbouw. Varkensfokkers kunnen natuurlijk een flat bouwen om de varkens te stallen, en het voedsel uit zuid-amerika importeren).

#4 Hans Custers

In werkelijkheid kost de trend van alsmaar meer en groter ook veel boeren hun bedrijf. Als het, om welke reden dan ook, niet lukt om erin mee te gaan, houdt het op zeker moment op. Volgens de simpele economie van de wet van vraag en aanbod: het aanbod blijft stijgen, dus daalt te prijs, dus moet je meer produceren om evenveel te verdienen.

De vergelijking met een typemachinefabrikant gaat deels op, maar je zou ook een vergelijking kunnen maken met de bakkers, slagers en groenteboeren die voor een groot deel verdwenen door de opkomst van de supermarkten. De groten drukken de kleintjes meer en meer uit de markt.

Het sentiment van het boerenvak als levensbestemming van vele generaties van een familie zal zo hier en daar zeker nog bestaan. Maar het is grotendeels een verkoopverhaal, al zullen sommigen daar ook zelf in blijven geloven. De realiteit is anders.

#4.1 Frank789 - Reactie op #4

De meeste boeren verdwijnen door een gebrek aan opvolgers. Dan wordt er automatisch minder in het bedrijf geïnvesteerd en is het al snel te klein of te verouderd om voort te zetten. Vervolgens gaat het land naar de buren die zo weer (mest-)ruimte krijgen.

In die gevallen is de emotionele binding veel minder, want het loslaten is al heel lang gaande als blijkt dat geen van de kinderen de boerderij wil overnemen of dat op dat stuk land er geen rendabele toekomst meer is.

#4.2 Hans Custers - Reactie op #4.1

Ik denk dat het twee kanten op werkt. Enerzijds wordt er minder geïnvesteerd als er geen opvolgers zijn, anderzijds zal het ook voorkomen dat kinderen geen perspectief zien in een bedrijf dat het al moeilijk heeft omdat het niet groot genoeg is. Of omdat het een paar keer te maken heeft gehad met een grote tegenslag, zoals vogelgriep of varkenspest.

#4.3 Bismarck - Reactie op #4.1

Voor de huidige boeren geldt sowieso dat de grote meerderheid van hun land helemaal niet al 10 generaties in de familie is. Die is immers in de loop van de afgelopen 70 jaar aangekocht in het kader van schaalvergroting (of in bezit gekomen via de ruilverkaveling).

#4.4 Frank789 - Reactie op #4

“Het sentiment van het boerenvak…”

Ik probeer nu juist duidelijk te maken dat het boerenvak slechts een klein onderdeel is van het grotere belangrijkere geheel van geboorteplek en (emotioneel) bezit. Een wijngaard of bomenkwekerij in die generationele setting had hetzelfde emotionele binding opgeleverd.

#4.5 Hans Custers - Reactie op #4.4

Ik zei dan ook:

Het sentiment van het boerenvak als levensbestemming van vele generaties van een familie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren

*
*
*