Coffeeshopbeleid: blowin’ against the wind
Wederom een gastbijdrage van Petra Kramer.
In het kader van Nederland Nederlandser weet Wilders Rutte wel het cliché double dutch eer aan te doen. Coffeeshops moeten op minimaal 350 meter afstand van een school staan én er is een pasje nodig om binnen te komen. Letterlijk staat er in het regeerakkoord dat coffeeshops besloten clubs worden die alleen voor meerderjarige inwoners van Nederland toegankelijk zijn op vertoon van een clubpas.
Of en hoe de pasplicht voor coffeeshops de privacy verder gaat aantasten is uiteraard nog niet bekend. De mogelijkheden zijn echter eindeloos. Het hangt er alleen van af of het pasje universeel voor alle shops gaat gelden of alleen voor eentje. Of het pasje landelijke dekking gaat krijgen en of er een hippe campagne à la de ovchipkaart op los wordt gelaten is ook nog niet bekend. Hoe dan ook, dankzij het persoonsgebonden pasje kan eenvoudig worden geregistreerd hoeveel gram wiet of hash u per week koopt.
Dat er geklaagd gaat worden is duidelijk. Is het niet door de inheemse blowers dan is het wel door de 23% van de toeristen in Amsterdam die daar graag een jointje halen. Om over stamgasten als Snoop Dogg nog maar te zwijgen. Eigenlijk verheug ik me wel op het moment dat een diender Mister Snoop D O Double G verzoekt zichzelf te verwijderen uit het etablissement waar hij net zit te chillen. Dat lijkt me niet een feit waar hij noch enig andere toerist van harte aan mee zal werken. Als je internationaal een flater wilt slaan moet je de vrijheid-blijheid-mentaliteit van Nederland op deze manier te grabbel gooien.
Tracking & tracing: immoreel, schadelijk en overbodig
Wederom een bijdrage van Henk Boeke, redacteur van Ouders Online. Het stuk is ook op zijn website te lezen. Ouders Online krijgt vaak verzoeken van bedrijven om hun producten onder de aandacht van het publiek te brengen.
We noemen het hier op de redactie wel eens ‘de veiligheidsmaffia’. Daarmee bedoelen we: alle bedrijven die geld willen verdienen aan de angst van ouders dat hun kind iets akeligs kan overkomen.
Vanzelfsprekend zijn niet álle veiligheidsproducten overbodige onzin (autogordels zijn bijvoorbeeld best nuttig) maar er is wel heel veel kaf onder het koren. Er zijn grofweg types.
Type 1 – het werkt niet
Het kaf van type 1 is dat het niet werkt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij monitoren tegen wiegendood. Die hebben nul komma nul effect en redden geen enkel kinderleven. Terwijl ze wel peperduur zijn. Dan betaal je dus goud geld voor alleen maar het idee dat je je kind beschermt.
Een nog kwalijker variant van type 1 zijn de producten die de veiligheid juist verkleinen in plaats van vergroten, of domweg gevaarlijk zijn. Bijvoorbeeld: de riemen tegen wiegendood.
Type 2 – bangmakerij
Het kaf van type 2 is dat het product een niet bestaand probleem oplost. De strategie van de veiligheidsmaffia is dan: bang maken. Oftewel: zorgen dat je een probleem gaat zien dat in werkelijkheid niet of nauwelijks bestaat. Dat zijn bijvoorbeeld alle producten die te maken hebben met ontvoeringen.
Sargasso zoekt vrijwilligers
Sargasso gaat uitbreiden met een aantal themapagina’s en zoekt daarom vrijwilligers. Het gaat om de volgende thema’s:
1) Groen: duurzaamheid, energie, klimaat
2) Informatiemaatschappij: privacy, internet, social media
3) Europa: politieke en economische toekomst van Europa en de rol van Nederland daarin
4) Boeken: ondermeer bespreking van nieuwe non-fictie (vooral recenseren, auteurs interviewen en discussies opzetten)
De vrijwilligers helpen mee bij het opbouwen van een netwerk rondom de themapagina’s van bloggers, journalisten, academici, politici, instituten, denktanks, activisten, NGO’s etc. De vrijwilligers denken mee over de multimediale invulling van de themapagina’s. Zelf stukken kunnen schrijven of redigeren is een pre, maar geen vereiste. We hebben ook regelneven en bouwers nodig.
Waarom vrijwilliger?
– Omdat een progressief, kosmopolitisch, intelligent en feitelijk blog nu meer dan ooit nodig is.
– Omdat je als vrijwilliger veel interessante contacten en nuttige ervaring opdoet.
– Omdat Sargasso een mooi en goed gelezen podium is, een springplank naar meer.
Als je interesse hebt en/of meer informatie wil, stuur dan een mailtje naar: vrijwilligers apenstaart sargasso punt nl.
Subcultuurverbod
Vandaag treedt het kraakverbod in werking. Morgen roepen duizend afwijkenden voor de laatste keer boe. Nijmegen, Kronenburgpark, mocht je je nog willen vervoegen. Hoeveel saaier moet ons land nog worden? Willen we überhaupt nog in de Lonely Planet verschijnen?
De discussie over het kraken wordt helaas zowel door tegenstanders als door de pleitbezorgers van het kraakverbod onder valse argumenten gevoerd. Het gaat namelijk alleen maar over het kraken. De intellectuele mankering van de linkse hoek, slecht in staat zichzelf in breder perspectief te beschouwen: nog steeds hoor je de oude verhalen over leegstand en woningnood. Het klopt, de situatie in de grote steden is niet voldoende veranderd. Leegstand bestaat en woningnood is. Maar de argumenten zijn smal en betrekkelijk. Want ook zonder dakloze studenten en pandspeculanten is het kraakverbod een slecht idee.
Ook de weerzin tegen kraken zou zogenaamd met het feitelijke kraken te maken hebben. Iets met geluidsoverlast en het ‘waarom mag jij wel in een oude loods wonen als ik dat zelf niet durf?’. Terwijl de Haagse anti-kraakwet voortkomt uit een diepe angst voor het oncontroleerbare in algemene zin – een angst die een democratisch parlementariër helemaal niet mág hebben, want als deze ooit de macht over het volk zou mogen verliezen – dan had dat immers zo moeten zijn, het democratisch grondbeginsel. Politieke angst voor anarchie – zodra deze tenminste in wetten wordt gegoten – is daarmee antigrondwettelijk.
Google: goed of slecht?
Een van de Tien waarheden in de bedrijfsfilosofie van Google luidt: “Je kunt geld verdienen zonder slecht te zijn”. Sinds het bedrijf een knieval maakte voor de Chinese staatscensuur rijst de vraag of Google z’n eigen regels wel serieus neemt. Die vraag is ook om andere redenen door diverse critici gesteld. In een interview met BBC’s World Service maakt Nicholas Carr, schrijver van het binnenkort te verschijnen boek The Shallows, Google het verwijt mensen dom te maken. De zoekfunctionaliteit van Google wordt steeds verder geperfectioneerd en wel zo dat mensen die iets opzoeken nauwelijks meer hoeven na te denken over de kwaliteit van wat Google hen biedt. Het steeds verfijnder aanpassen van de zoekresultaten aan eerder zoekgedrag neemt de noodzaak weg je eigen hersens te gebruiken bij het selecteren van informatie. Dat schaadt op den duur je capaciteiten om problemen op te lossen en besluiten te nemen. Het deel van je hersenen waarmee je je kunt concentreren op taken raakt afgestompt. “The key to making us concentrate, Mr Carr suggests, is perhaps to make tasks difficult – a theory which flies in the face of software designers the world over who constantly strive to make their programs easier to use than the competition.” Om de grootste te blijven deinst Google er niet voor terug onze hersencapaciteit aan te tasten. Ook als Carr overdrijft kun je je afvragen of het goed is dat mensen informatie krijgen voorgeschoteld binnen een steeds verfijnder afgebakend profiel. Zo raak je opgesloten in een heel beperkte denkwereld en mis je de kans op ontwikkeling door confrontatie met andere werelden. Dat lijkt me zeker zo schadelijk als een afname van het vermogen om je te concentreren.
De Google technologie roept nog meer morele vragen op. Om de klant zo veel mogelijk te helpen bij het vinden van passende informatie moet Google van iedereen alle zoekgegevens opslaan en bewaren. Wall Street Journal kreeg onlangs een visie-document van Google in handen uit 2008 waarin het plan staat om zoekgegevens van gebruikers te gaan verkopen. Het is niet duidelijk of en in hoeverre dit plan doorgang vindt, wel duidelijk is dat Google naar wegen zoekt om zoveel mogelijk te kunnen profiteren van de gegevens die men met de meest gebruikte zoekmachine ter wereld binnenhaalt.
En de obstructor is…
Vandaag een bijdrage van onderzoeksjournalist Brenno de Winter. Hij organiseert de eerste Nederlandse Right to Know Day, een bijeenkomst over transparantie van en obstructie door de overheid. Vandaag maakt hij de genomineerden bekend.
De genomineerden voor de “Meest Transparante Ambtenaar” en “Obstructor Award” voor 2010 zijn bekend. Beide prijzen onderstrepen de beste en slechtste illustraties van transparant bestuur in Nederland. Burgers en journalisten ondervinden nog altijd veel problemen bij het openbaren van documenten, die eigenlijk al openbaar hadden moeten zijn, via de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De uiteindelijke winnaar zal op 28 september 2010 op de Internationale Right To Know Day worden gekozen.
Obstructor Award
Voor de Obstructor Award zijn genomineerd:
1. de Gemeente Ede. Een Wob-verzoek wordt verstuurd naar het centrale faxnummer op de site van de gemeente, maar blijft ruim een maand naast de fax liggen. Na wat klachten wordt het verzoek uiteindelijk behandeld, maar worden documenten achtergehouden. Ook in de bezwaarfase wordt een nieuw besluit genomen. Dat gaat dan naar de verkeerde burger en weer blijken documenten achtergehouden;
2. de Gemeente Nuenen. Een journalist verzoekt de gemeente Nuenen om de declaratiebonnetjes van de bewindvoerders vrij te geven. Als reactie dreigt de gemeente met een forse rekening, waarbij ook wordt gecommuniceerd dat geen kosten hoeven te worden voldaan als hij zijn verzoek intrekt. Dat gebeurt niet en een rekening voor ‘gedane arbeid’ van ruim €800 is het gevolg. Toen de regionale rekenkamer deze bonnetjes kreeg hoefde hij dat niet te betalen. Als de zaak bij de rechter ligt en duidelijk wordt dat de missie kansloos is. Dus kiest de gemeente eieren voor zijn geld;
‘Freedom not fear’

Terwijl Nederland in spannende afwachting was van een toespraak van de leider van de Partij voor de Vrijheid aan de andere kant van de oceaan demonstreerden duizenden Europeanen onder het motto “Freedom not fear” tegen de controle-staat en voor privacy. “Stop the surveillance mania” stond in vele talen op spandoeken in Berlijn, Stockholm, Helsinki, Warschau, Luxemburg, Parijs, Venetië, Wenen en Ljubljana.
In 2006 was de eerste demonstratie onder deze leus in Berlijn. Zaterdag liepen 7.500 mensen mee, minder dan voorgaande jaren. Maar wel vanuit alle hoeken van de samenleving. Er waren dokters die protesteerden tegen een elektronisch patiëntendossier (EPD), computergebruikers tegen het langdurig opslaan van digitale gegevens. De voorzitter van de vakbondsfederatie Verdi hield een toespraak. Deelnemers kwamen uit verschillende partijen, van Groenen tot Liberalen. De beweging tegen Big Brother groeit in de breedte en is gebaseerd op nieuwe coalities. Terwijl de politie in voorgaande jaren nog wel eens hardhandig optrad tegen radicalen, werden de demonstranten nu voorbeeldig behandeld. Er waren zelfs geen video-camera’s. En er waren dit keer ook geen relletjes.
Die brede coalitie van partijen en groepen zal het nu moeilijk maken in Duitsland de privacy vergaand aan te tasten. De steun uit vele andere Europese hoofdsteden is niet onbelangrijk omdat Europa op dit gebied een belangrijke rol speelt. Het Europees parlement heeft zich meermalen waakzaam getoond als het om privacy gaat. Dat geldt bijvoorbeeld het INDECT project, een onderzoeksprogramma, geleid door Polen gericht op een “Intelligent information system supporting observation, searching and detection for security of citizens in urban environment”. Meerdere leden van het EP hebben zich sinds de start van het project vorig jaar bezorgd getoond over de uitkomsten van dit onderzoeksprogramma waar vooralsnog alleen door techneuten en politie-agenten op wordt toegezien. De onderzoekers zullen naar verluid in 2012 bij het Europese kampioenschap Voetbal in Polen en Oekraïne hun informatiesysteem gaan testen. Over het ‘informed consent’ van de voetballiefhebbers als testobjecten bestaat nog geen zekerheid.
Terrorisme en projecties
Ik weet als geen ander dat het moeilijk is om informatie tot je te nemen en dat niet een beetje selectief te beschouwen. Soms zie je daarbij iets over het hoofd of doe je aan cherry-picking. Maar je kan ook overdrijven.
Zo verscheen vandaag dit artikel met als kop “Islamitische en linkse terroristen 128 maal vaker actief dan kaalkopjes” bij het sinds het voorjaar ineens zeer actieve weblog Artikel7. Het gaat over terrorisme en er staan getallen in, mijn aandacht heb je dan.
Helaas werd al snel duidelijk dat onder “Voor uw dagelijkse vrijheid van meningsuiting” niet verstaan wordt dat je de waarheid hoeft te spreken.
Wat blijkt namelijk, het gaat hier niet om aanslagen maar om veroordelingen EN vrijspraken. Het rapport van Europol geeft geen nadere uitsplitsing van die cijfers overigens.
Wat zijn dan wel de juiste getallen? 1 aanslag op het conto van de Islamisten, 40 door extreem links en 4 door extreem rechts. Oftewel, maar een factor 10. Wat nog steeds niet goed is natuurlijk.
Overigens was die ene aanslag van de islamisten die van de vlucht naar Detroit. Die kan je beter bij de VS tellen dan Europa volgens mij. En verder valt die getallen in het niets bij de 237 aanslagen (inclusief pogingen en in de kiem gesmoorde) van de separatisten.
Dat er vervolgens veel islamisten voor de rechtbank verschijnen, is een normaal verschijnsel. Dat hoef ik hier natuurlijk niet uit te leggen. En dat getal dan weer misbruiken maakt het cirkeltje rond.
Fluisteraars

- Orlando Figes, Fluisteraars.
- Het dagelijks leven onder Lenin en Stalin.
- Witsand Uitgevers, Gent, 2010.
- 640 p. ISBN 978 90 4680 487 2
Dit is een gastbijdrage van Jef Abbeel.
Orlando Figes (1959) is hoogleraar in Londen. Hij schreef al een vijftal boeken over de Sovjetgeschiedenis, die telkens een ander aspect ervan behandelen.
“Fluisteraars” gaat over het leven van Russen, Oekraïners en vele andere volkeren in het Sovjetrijk in de periode van 1917 tot 1953. Het is al vertaald in 20 talen, maar helaas niet in het Russisch. Russische uitgevers en historici blijken nog geen interesse te hebben of schrikken ervoor terug.
Zoals de titel doet vermoeden, verliep het leven van de toenmalige sovjetburgers in een sfeer van angst. Het boek had even goed “Angst ten tijde van Stalin” kunnen heten. Mensen fluisterden, omdat ze bang waren om te worden afgeluisterd. Elk woord kon doorverteld worden aan de geheime dienst en kon arrestatie tot gevolg hebben. Niemand wist wie allemaal informant was van dat instituut. Velen waren zo ongerust, dat man en vrouw tegen elkaar zwegen over hun houding tegenover het regime en over hun afkomst. Want een “bourgeois” verleden kon volstaan om in een werkkamp te belanden.
Het was zelfs zo erg, dat velen permanent een koffertje hadden klaar staan voor de mogelijk enige reis in hun leven : die naar het werkkamp in de noordelijke of oostelijke goelag. Zeker in de jaren 1937-1938 stond dit reiskoffertje klaar, ook bij trouwe aanhangers van het regime. En helaas was het dikwijls nodig. Weinig families ontsnapten aan de gevreesde klop op de deur. En wanneer die er kwam, stonden de mensen zo verstijfd dat het leek alsof ze nog schuldig waren ook. En zelfs dan namen sommige vaders afscheid met als laatste woorden : wees een goed communist.
Figes heeft voor deze studie de medewerking gekregen van Memorial. Dit is een Russische organisatie die de terreur tijdens het sovjetregime onderzoekt en getuigenissen van nog levende slachtoffers verzamelt. Bij meer dan duizend bejaarden (van 70 en meer) werd een interview afgenomen. Daarvan zijn er 450 verwerkt in dit lijvig boek. De andere staan op de site : www.orlandofiges.com
Figes beperkte zich niet tot deze oral history : hij onderzocht de dossiers, brieven, dagboeken in Russische archieven. Zo wapent hij zich preventief tegen het mogelijke verwijt dat mondelinge getuigenissen na 70 jaar misschien niet meer beantwoorden aan de normen van de historische kritiek, dat deze mensen bepaalde zaken vergeten zouden zijn of zelfs nu nog bang zijn om erover te vertellen.
Dan blijkt dat vele slachtoffers pas nu, aan het einde van hun leven, durven spreken, ook de behoefte voelen om hun lijdensverhaal door te geven. En de dossiers blijken hun getuigenissen te bevestigen.
Bij de vragen die telkens voorkwamen waren : welke invloed had het leven in een terreurregime op je relaties met je familie, vrienden en buren ?
Hoe probeerde je te overleven ?
De antwoorden zijn onthutsend en schrijnend. Ze vertonen heel vaak overeenkomsten met het onvolprezen boek van Nina Loegovskaja, “Ik wil leven. Het geheime dagboek van een 40.Russisch meisje tijdens het Stalin-bewind”, Uitgeverij WPG, Antwerpen, 2004. Eigenaardig genoeg wordt het hier niet geciteerd.
We geven ter illustratie enkele concrete voorbeelden van het leven in het toenmalige sovjetrijk. De revolutionairen stelden zeer hoge eisen aan hun onderdanen en aanvankelijk ook aan zichzelf (later bedachten ze het nomenclatura- systeem, zodat zij zelf niets te kort kwamen).
Het privé-leven moest totaal ondergeschikt zijn aan de communistische zaak en aan de communistische heilstaat. Er waren gelijkenissen met het kloosterleven bij ons voor 1965. De communisten moesten 7 dagen op 7 en 24 uur op 24 in dienst staan van de revolutie en daardoor de opvoeding van hun kinderen overlaten aan anderen, bij voorbeeld aan de grootouders of aan kindermeisjes uit de dorpen. Deze brave mensen gaven hun dikwijls een …zeer traditionele opvoeding, met de christelijke waarden van de orthodoxe kerk in plaats van de revolutionaire. Doopsels e.a. riten vonden plaats in het geheim. Van hun echte ouders kregen ze weinig liefde en affectie.
Op de schoolbanken en in de komsomol ( communistische jeugdbeweging ) leerden ook zij dat ze alles moesten opofferen voor de revolutie, inclusief anderen verraden. Die anderen, dat waren de “bourgeois”, koelakken ( kleine zelfstandige boeren), maar ook hun buren, ouders, broers of zussen, als die het waagden om een verkeerd woord over de partij of het systeem te zeggen.
Het familiaal leven van miljoenen rode proletariërs werd volledig gefnuikt door het systeem van de kommoenolka’s. Dit waren flatgebouwen, waar alles gemeenschappelijk was voor vier of veel meer families. Dit had wellicht ook enkele leuke kanten, maar elke vorm van privacy werd in de kiem gesmoord. Figes geeft een plattegrond van zo een flat (194) : in één kamer stonden alle eenpersoons bedden van grootvader, grootmoeder, vader, moeder, zoon, dochter.
65.’s Nachts sliepen de kinderen achter een geïmproviseerd scherm, om te voorkomen dat ze toekeken wanneer de ouders en grootouders naar bed gingen.
Verder was er één eettafel, een boekenkast, wastafeltje, schrijftafeltje, een paar stoelen, een kist onder een bed en een kapstok, dus niet eens een kleerkast. Het fornuisje was veel te klein. Eigenlijk was dit nog luxe, want er was toch een gemeenschappelijk keuken.
De gemeenschappelijke keuken, badkamer en toilet vormden dagelijks het toneel van conflicten en waren een bron van constante ergernis. Alle families wilden ’s avonds rond dezelfde tijd koken, nadat ze soms al een paar uur verloren hadden met in de rij te staan voor wat brood, altijd dezelfde, uitsluitend inlandse groenten en minderwaardig vlees. Want het betere vlees werd geëxporteerd en tot 1990 zag de sovjetburger en de onderdaan in het Oostblok geen buitenlands fruit zoals sinaasappelen en bananen. Menigeen wilde rond dezelfde tijd onder de vuile douche of naar het nog smeriger toilet. Soms was er één toilet voor 48 (achtenveertig ) mensen ! Iedereen was gespannen en irritaties waren onvermijdelijk.
Tussen de kamers van de verschillende families was de geluidsisolatie quasi nihil. Gesprekken in de nabijgelegen kamers waren woordelijk te verstaan, zodat de families leerden fluisteren, zeker over politiek of over hun eigen afkomst. Het Russische woord “sjeptoen” is fluisteraar, in de betekenis van verklikker. “Sjeptoesjik” is neutraler, voor een fluisteraar die bang is om gehoord en verklikt te worden.
Wie bij de adel of de geestelijkheid was ( geweest), uit de bourgeoisie kwam, kind was van een tsaristische officier of van een koelak (kleine zelfstandige boer), stond op de zwarte lijst en liep een groot risico voor het minst verraden te worden, hoewel hij of zij alle vroegere voorrechten en bezit kwijt was. Meer nog : zij werden tot paria gedegradeerd en kregen weinig kansen om verder te studeren . Zo wou men voorkomen dat er een nieuwe klasse ontstond.
In de sovjetmaatschappij was de sociale mobiliteit, de kans om vooruitgang te maken, heel groot, maar in beide richtingen : de rode proletariër kon de sociale ladder beklimmen, maar de voormalige elite, bekwaam of onbekwaam, werd als klassenvijand ofwel fysiek uitgeschakeld ofwel van de ladder afgeduwd.
Elke gedachte aan persoonlijk geluk was schandelijk en moest worden onderdrukt, opgeofferd voor een beter bestaan in de toekomst. “Vuile intellectueel” en “egoïst” waren de ergste scheldwoorden. Een agent van de geheime dienst, die uit naam van de revolutie de ijzerhandel van zijn eigen vader confisqueerde, werd toegejuicht door de idealisten van de komsomol en kreeg een voorbeeldfunctie.
Het huwelijk werd afgedaan als een burgerlijke conventie, dus iets van het Ancien Regime, dat voorgoed tot het verleden moest behoren. Relaties gingen vaak stuk, doordat één van 100.beiden de revolutie belangrijker vond dan de partner. In 1927 vaardigde de partij zelfs een officiële richtlijn uit dat iedereen “contrarevolutionaire gesprekken” moest rapporteren.
De verklikkingsmanie bereikte mythische proporties met Pavlik Morozov (134-137, 140-141, 174, 311,314,317). Dit jongetje van 15 zou in 1932 zijn vader bij de politie aangegeven hebben als koelak. De vader was een eenvoudige, hardwerkende boer, die met het Rode Leger had gevochten en voorzitter was van de dorpssovjet(134). Hij werd veroordeeld tot dwangarbeid en later doodgeschoten.
Meteen werd er een Pavlik – cultus gecreëerd : in verhalen, films, gedichten, toneelstukken, liedjes, … was hij de perfecte pionier. Elk kind kreeg de plicht zijn vader of leraar te verklikken, als die “zich niet hield aan de sovjetwetten”.
In de jaren ’30 ontaardde dit in een massafenomeen, zeker in de jaren ’37 en ’38. Verklikking bevorderde de terreur, maar was er niet de oorzaak van.
De terreur was een doelbewuste massamoord, om de absolute macht te behouden. De geheime dienst legde daarbij lijsten aan van koelakken en andere “vijanden van het volk” en waarbij elke dorpssovjet zijn quotum moest halen. En als ze het getal niet haalden bij de “volksvijanden”, werd het aangevuld op basis van loting ! Niemand was nog veilig en men kon van vandaag op morgen veranderen van trouwe medewerker van Stalin of trouwe officier in volksvijand.
Kinderen en jongeren moesten overal allerlei formulieren invullen : op school, bij de jeugdbeweging, in de fabriek. Als ze aankruisten dat er ooit een familielid gearresteerd was, werden ze zelf uitgesloten. Zo leerden ze dus liegen om te overleven.
En om te overleven, moest men vaak collaboreren. Schrijver en parlementslid Konstantin Simonov (1915 – 1979) wordt hier uitgebreid aangehaald als overtuigend voorbeeld. Hij had aristocratische ouders, leefde daarom permanent in angst en gedroeg zich daarom als model voor de anderen. Of toch in bepaalde opzichten, want hij was tegelijk vriend en verrader, “gelovig utopist” en twijfelaar, trouwe minnaar en trouweloze echtgenoot, beschermengel en bange parasiet. Alleen al in het register krijgt hij anderhalve pagina (764 – 765).
Arrestaties verliepen vaak volgens een zelfde patroon. Velen die werden aangehouden, boden geen enkele vorm van verzet, ze zaten erbij als geslagen honden, verstijfd van de schrik en ze ondergingen alle vernederingen. Bekentenissen werden afgedwongen met de ergste folterpraktijken.
Wie verbannen werd naar het barre noorden of oosten, kwam terecht in ijskoude niemandslanden, waar alles nog uit de grond gestampt moest worden : er waren geen huizen, geen water, geen voedsel. Steden ( zoals Magnitogorsk), ontstonden op de lijken van miljoenen doden. 25 miljoen mensen werden het slachtoffer van de terreur. Bijna elke familie werd geconfronteerd met arrestatie, deportatie. Daar mag je nog tientallen miljoenen doden bijtellen, die omkwamen van honger of door de 2° W.O.
Er waren ook een groot aantal “believers”, die het gevoel of de overtuiging hadden dat ze persoonlijk deel uitmaakten van de wereldrevolutie, die op elk moment kon uitbreken en die van alle mensen broeders zou maken. Vanaf hun jeugd waren ze op school, bij de pioniers, in de komsomol en in de partij geïndoctrineerd met en doordrongen van de waarden van de ideale sovjetmaatschappij en met begrippen zoals “vijanden van het volk”.
Soms vergelijkt Figes het Stalinisme met het nazisme : het eerste duurde veel langer en kon in eigen land en nadien in de satellietstaten dus veel meer levens vernietigen. Beide systemen waren antisemitisch, maar in Rusland ontaardde dat niet in massale uitroeiingskampen met gaskamers en verbrandingsovens. De geheime dienst telde te veel ongeschoolde, zelfs domme krachten, waardoor hij minder efficiënt was dan de Gestapo ( of dan de latere Stasi). Figes had deze vergelijking wat meer mogen uitdiepen of verwijzen naar Richard Overy, “Dictators. Hitlers Duitsland, Stalins Rusland” (WPG, Antwerpen, 2005).
Een paar kleine opmerkingen. Een verklarende woordenlijst ontbreekt. Begrippen zoals koelak en komsomol zijn bekend, maar kommoenalka, sjeptoen , sjeptoesjik niet. Het boek is rijkelijk voorzien van noten en een register, maar het mist een overzichtelijke bibliografie.
Tot slot : Figes onderzoekt, beschrijft, analyseert, vergelijkt, nuanceert. Het uiteindelijke oordeel laat hij grotendeels over aan de lezer. Hij heeft een begenadigde schrijfstijl. Zijn boek is te dik om in één trek uit te lezen, figuren zoals Simonov hadden iets minder pagina’s mogen krijgen, maar eens je eraan begint, blijft het je intrigeren.
Het Rusland van Poetin en Medvedev biedt de mensen eindeloos meer ademruimte, de kans om de wereld te verkennen, meer mogelijkheden om economische vooruitgang te maken, maar wie hardop kritiek durft te uiten op de corruptie, riskeert nog altijd in Siberië te belanden of met vergif of kogels uitgeschakeld te worden.

Verwijsindex Risicojongeren: privacy afdoende geregeld?
Vandaag een gastbijdrage van Jan-Jaap Oerlemans, onderzoeker bij de eenheid jeugdrecht van de Universiteit Leiden.
Om te voorkomen dat hulpverleners langs elkaar heen werken, zoals bij de zaak Savanna, is de Verwijsindex Risicojongeren (VIR) in het leven geroepen. Nu de verwijsindex wordt toegepast, is nog steeds niet duidelijk of de hulpverleners genoeg zijn toegerust om de privacy van de betrokken jeugdigen te waarborgen.
De zaak Savanna heeft in het verleden duidelijk gemaakt dat hulpverleners soms langs elkaar heen werken met alle gevolgen van dien. Zij zijn tevens soms niet goed op de hoogte dat een jeugdige naar andere gemeente is verhuisd. De VIR moet hiervoor een oplossing bieden en brengt hulpverleners bij elkaar die met dezelfde jongeren samenwerken. Zodra hulpverleners een bericht krijgen dat een andere hulpverlener met de betrokken jeugdige bezig is, moeten ze met elkaar in contact treden en gegevens uitwisselen om tot afspraken over de hulpverlening te komen.
Wanneer moet gemeld worden? Hulpverleners die zich zorgen maken over de ‘ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid’ kunnen op grond van bepaalde meldingscriteria jongeren tussen 0 en 23 jaar aan de verwijsindex aanmelden. Een wettelijke regeling was noodzakelijk door de verwerking van het burgerservicenummer in de VIR en de vastlegging van de gronden voor een doorbreking van de eventuele geheimhoudingsplicht van professionals. Toch zullen professionals telkens een zorgvuldige afweging maken of zij in een bepaald geval nodig vinden een melding te doen. Professionals blijven aansprakelijk voor onterechte meldingen en moeten het plaatsen van een melding daarom zorgvuldig documenteren
Tegenzinnen 05 | En nu? Een centrumlinks minderheidskabinet met ministers van CDA en VVD?
Rutte heeft het initiatief verspeeld. In de onderhandelingen over paars plus heeft hij niet onderhandeld, maar piketpaaltjes geslagen. Door onderhandelingsamateurisme van PvdA, GroenLinks en D’66 werd pas na enkele weken de conclusie getrokken dat Rutte die 18 mld. aan bezuinigingen en de hypotheekrente-aftrek überhaupt niet wilde loslaten. Want door de ‘onderhandeling’ te rekken kon Rutte beweren dat hij wel degelijk onderhandelde terwijl deze piketpaaltjes een overeenkomst onmogelijk maakte. Dat was geen theater in het landsbelang.
Tijdens de onderhandelingen over rechts had Rutte, om het opkomend rumoer in het CDA te sussen, niet machteloos aan de kant hoeven staan. Als beoogd premier en liberaal had hij zich expliciet kunnen uitspreken voor de grondbeginselen van onze staat. “De ongerustheid binnen het CDA is te begrijpen, maar haar achterban moet zich realiseren dat de staatsrechtelijke verworvenheden ook voor de VVD een groot goed zijn. Vrijheden zijn ons lief, ook de vrijheid van godsdienst, en etnische registratie druist in tegen onze gezamenlijke ideeën over individuen met hun eigen verantwoordelijkheden”. Daarmee had hij niet alleen CDA-ers gerustgesteld. Hij verkoos echter de zijlijn.
Door z’n ene zetel voorsprong werd hem volgens een ongeschreven regel het initiatief gegund. Dat heeft hij met deze twee mislukkingen echter verspeeld. Daarom dient een volgende formatiepoging elders op het politieke spectrum te beginnen.