Popcultuur? Later wordt het beter

Gisteren publiceerde generatiegenoot en cultuurwetenschapper Thimon de Jong in NRC een opmerkelijk opiniestuk met de titel Wo sind denn die Superhits? Wo sind sie geblieben? Kern van het verhaal is dat het vroeger allemaal beter was. ‘Onze muziekcultuur is sterk gefragmenteerd – iedereen luistert naar zijn eigen muziek. Er zijn geen superhits meer die iedereen kent. En dat is een verlies,’ betoogt De Jong. Hij deelt met zijn opiniestuk een pluim uit aan de heersers van louter commercieel gewin en omzet in de muziekindustrie. En heeft De Jong zich afgevraagd hoe men vóór de komst van de jeugdcultuur van de jaren vijftig en zestig muziek consumeerde?

De nacht ervoor hoorde ik trouwens nog zo’n neonostalgicus verkondigen op Radio 1 dat we in onze downloadcultuur maar alles bijelkaar jatten. ‘Wij zijn dat maar doodnormaal gaan vinden,’ verzuchtte thrillerschrijver Charles den Tex in het nachtprogramma Casa Luna. Ironisch genoeg werd nog niet zo lang geleden de documentaire over de totstandkoming van Exile on Main Street van The Rolling Stones uitgezonden; corrupte managers, een bizar belastingstelsel; is het gesitueerd in de siksties, dan vinden we armoede van muzikanten ineens romantisch. Vrijwel alle groten uit de relatief jonge popgeschiedenis zijn gigantisch benadeeld vanwege schimmige contracten met platenmaatschappijen en managers. David Bowie praat graag mee. In deze digitale tijden is de macht aan de consument én de artiest, hoe democratisch wil je het hebben?

The Neptunes en Marilyn Manson

Maar terug naar Thimon De Jong en zijn zucht naar tijden van weleer. ‘Radio wordt steeds minder voor nieuwe muziek beluisterd en de top-40 is op sterven na dood. Jongerenzender MTV zendt al jaren geen muziek meer uit overdag en heeft ook geen eigen hitlijsten meer. Hierdoor worden er geen nummers meer ‘stukgedraaid’. Wanneer heeft u iemand voor het laatst horen zeggen: ‘Ik kan dit nummer echt niet meer horen!’? Daarnaast zijn er geen nieuwe muziekstijlen meer. De jaren zestig tot en met de jaren negentig kenmerkten zich door grote en snelle veranderingen in de populaire cultuur. Het was zo goed als onmogelijk om een liedje uit begin jaren zeventig te verwarren met eentje uit het einde van dat decennium.’

Radio wordt steeds minder voor nieuwe muziek beluisterd.’ Nee, het is het tegenovergestelde. Het medium en de deejay dicteren niet langer meer. Stel je voor, dat we nog steeds naar Turf in je ransel zouden moeten luisteren, zoals deze in de allereerste Nederlandse radio-uitzending werd uitgezonden. ‘Hierdoor worden er geen nummers meer “stukgedraaid”.’ Nee, zoals De Jong later zelf zal beweren, nu zeggen we dat een YouTube-link meer dan een miljoen hits heeft, en dat het opduikt als ringtone, als achtergrondmuziek via de muziekcomputer in een strandtent.

Daarnaast zijn er geen nieuwe muziekstijlen meer‘. Dat doet me denken aan dat citaat uit een marketingboek; iemand riep in 1839 dat er geen nieuwe uitvindingen meer zouden worden gedaan, omdat álles al was uitgevonden. Ik hoorde in de jaren nul en nu ook nog via vrienden onnavolgbare geluidstapijten die ik nooit eerder hoorde. Niet alleen in de avantgarde trouwens: de mechanische, warme klanken van The Neptunes en Marilyn Manson passen bijvoorbeeld typisch bij dat begin van het millennium. Trouwens, in de jaren tachtig was men dol op de jaren vijftig; Shakin’ Stevens en The Stray Cats hadden grote hits, maar echt origineel waren ze niet.

Baardmans uit Groot-Brittannië

Beste Thimon de Jong, hoe denk je dat men aan het begin van het rock n’ roll-tijdperk muziek ervoer? Het was geen romantische weerzien bij de transistorradio. De jeugdcultuur deed het later misschien leuk met Top of Flop of Hilversum 3, maar het stelde allemaal niet zo gek veel voor. De toon werd vooral gezet door grootgrutters en pluggers; de jongeren zelf hadden echt geen inspraak welke baardmans uit Groot-Brittannië kwam overvliegen voor een paar minuutjes playback bij Ad Visser. Dat er geen evergreens meer gemaakt worden door de hernieuwde lifestyle is pertinente onzin. Dat is net zoiets als zeggen dat er niet meer lekker in restaurants gegeten wordt sinds de komst van kant-en-klare maaltijden.

Samen muziek meezingen, meeneuriën of meefluiten, creëert een band. Draai voor een groep progressieve babyboomers een nummer van Janis Joplin en de weemoed slaat toe. Zet U2’s Sunday Bloody Sunday op en bijna iedereen weet: Ierland, begin jaren tachtig.’ Kom op. Wat heeft dit te betekenen (ikzelf vindt overigens The Psychedelic Furs ongeveer 10 miljard lichtjaren beter dan U2)? Robbie Williams, James Blunt, Coldplay, Keane: Je weet het nu misschien nog niet, maar hier hangt zo’n onvervalste sluier ‘van nu’ omheen. Het zal je muzieksmaak niet zijn en natuurlijk verraadt Coldplay echo’s van diezelfde U2 en heeft de piano van Keane ongetwijfeld iets van Elton John, maar The Stones en Lou Reed maakten het veel bonter in hun beginjaren: zij speelden alleen maar covers. Lou Reed stortte tracks vol onder pseudoniem voor het Pickwick label tegen een voor die tijd leuk maar oneerlijk tarief.

Ik wil in veel geloven, maar niet in mensen die zeggen dat de toekomst niets meer te bieden heeft.

N.B.

Volgens De Jong zijn hits belangrijk voor een cultuur. De Jong: ‘Is het verdwijnen van de superhit een probleem? Ja.Showadawaddy had meer hits in Engeland in de jaren zeventig dan David Bowie. Fair enough.

  1. 1

    Vind beide stukken nogal ’n soepje, frankly.

    Wat betreft de “federerende hits”: bezuiden de grens wordt momenteel het tegendeel bewezen door “Dos cervesas”, en de voorbeelden blijven legio. Maar er is inderdaad ook versplintering. De verkoop zit anders ineen, en dus ook de hitnoteringen.

    En misschien is de gedeelde ervaring nu vooral een kwestie van de live ervaring te delen. En dus gaat het minder over hits op de radio en meer over “ik was erbij op Pinkpop” of Glastonbury achtige toestanden die dan ook terwijl ze gebeuren simultaan veel live verslaggeving krijgen op allerhande platformen, van de BBC tot Twitter.

    Zie ook breakdown van tv door komst digitaal: mensen kijken op het voor hen meest geschikte ogenblik, dus ook in de daluren “the grid” gevuld krijgen wordt anders benaderd, allang eigenlijk. View on demand zorgt voor andere traffic, en die verschilt inderdaad van huiskamer tot huiskamer. Mààr er zal altijd ruimte zijn voor live uitzendingen, in de eerste plaats voor uitzendingen die door veel mensen tegelijk worden bekeken omdat men dat wil meemaken terwijl het gebeurt: Olympische Spelen en andere sportkampioenschappen, de speech van Obama, de beelden van 9/11, enz. Dat globally, en zo in steeds kleinere kringen locally …

    Dus wat heet “superhit” en who cares?

  2. 2

    @1

    We zijn het vermoedelijk eens, maar soepje…?

    “federerende hits”
    “misschien is de gedeelde ervaring nu vooral een kwestie van de live ervaring te delen”
    “dus ook in de daluren “the grid” gevuld krijgen wordt anders benaderd”
    “er zal altijd ruimte zijn voor live uitzendingen, in de eerste plaats voor uitzendingen die door veel mensen tegelijk worden bekeken omdat men dat wil meemaken terwijl het gebeurt”

    Niet bepaald een knap bijgerecht, vriend.

  3. 4

    Het ergste is misschien nog wel dat deze Thimon de Jong zichzelf ‘cultuurwetenschapper’ durft te noemen. Ik heb nog niet vaak zo’n van platitudes en valse aannames doordrenkt stuk gezien. Wat een onwaarschijnlijke berg onzin. Thomas, je bent nog erg vriendelijk geweest; je reactie had zonder moeite drie keer zo lang kunnen zijn.

  4. 5

    Mijnheer De Jong verwart een paar zaken. Geen muziek maakt meer indruk dan de muziek die iemand hoort als die net een eigen smaak begint te ontwikkelen.

    Dat moment is voor iedere generatie anders. Dit maakt het vervolgens onmogelijk over de smaak van die andere generaties te oordelen.

    Maar ach, het is zoals Musil schreef:

    Die Jugend überschätzt das Neueste, weil sie sich mit ihn gleichzeitig fühlt. Darum ist es ein zweifaches Unglück, wenn das Neueste zu ihrer Zeit schlecht ist.

  5. 8

    @7 maar dit zit die vermaledijde wink naar Ma Baker in! En dat mocht juist niet.

    (Terwijl het halve oeuvre van de Stones gebaseerd is op bestaande bluesladdertjes en traditionals)

  6. 11

    @10 wist je dat dat nummer over een atoombom ging?

    La bomba estallo
    Las radiaciones tuestan
    Y matizan de azul

    Todos con sombrero
    El viento radiactivo
    Despeina los cabellos

    Al fin el mar es limpio
    No mas peces hediondos
    Sino agua florecente

    (de bom ontploft, we moeten sombrero’s dragen tegen de stralingen en de vissen geven licht oid)

  7. 14

    @Leven: Hoeveel voorbeelden uit de jaren 70, 80 en 90 wil je hebben van soortgelijke dingen?
    Het geluk wil dat die snel uit het collectieve geheugen verdwijnen. Maar ze waren er wel hoor.

  8. 16

    Ik vind dat De Jong een punt heeft. Muziekconsumptie is individualistischer en gefragmenteerder dan vroeger = geen stukgedraaide nummers meer. En dat werden wel vaak de evergreens.

    Dat er geen nieuwe muziekstijlen meer zijn is natuurlijk onzin, maar ik mis wel de radicale vernieuwing van de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw – en ook radicaal nieuwe subculturen. Daar kan ik ook wel eens nostalgisch aan terugdenken, maar terug naar die tijd? Dat nooit.

  9. 17

    Hmm het groen van de tekstbalonnetjes uit “Asterix en de intrigant” ;-) Soepje in de lijn en het afwijken van die lijn, bv. met discutabele bijzaken als “tegen een voor die tijd leuk maar oneerlijk tarief” of meningen die mij nodeloos Psychedelic Furs terug in herinnering brengen. Of nodeloos onjuiste argumenten dat the Rolling Stones alléén mààr covers zouden hebben gespeeld in hun beginjaren. Leidt de aandacht alleen maar af en verzwakt de argumentaatsie.

    En er lijkt mij een verschil tussen een comment in één minuut geschreven en een geplaatst stuk. Soit, voor het overige sta ik dichter bij uw opinie dan bij de zijne.

  10. 18

    Maar trouwens, re #15, ik weet eigenlijk niet of ik #13 goed plaats; ik neem dat het een argument is om het bestaan en de onwenselijkheid van “superhits” te onderstrepen maar ik had dat ding dus ook nog nimmer gehoord. Nu was ik in 2003 ook geen puber, maar toch. Ik ben een behoorlijke muziekconsument dus schijnbaar was het dan toch een “superhit” met een zeer gefragmenteerd bereik.

  11. 20

    @17 Ha, ik snap het. nodeloos The Psychedelic Furs in herinnering brengen, dat is zo onderhand mijn stijlmiddel geworden (net als JG Ballard, die ik minstens in elk Sargasso-artikel noem, behalve nu. Ah, heb ik ‘m toch genoemd)

  12. 21

    Hoewel muziek deels mijn professie is, moet ik lachen om mensen die muziek serieus nemen, menen er over te moeten schrijven en dan allerlei namen beginnen te noemen noemen.

    Waarom eigenlijk een duitse titel gebruiken in een nederlandse krant?

  13. 24

    Thomas: “En heeft De Jong zich afgevraagd hoe men vóór de komst van de jeugdcultuur van de jaren vijftig en zestig muziek consumeerde?”

    Geen idee. Men zou zich dan ook beter afvragen, hoe muziek gepróduceerd wordt. Want, zie:

    Thimon: ‘Samen muziek meezingen, meeneuriën of meefluiten, creëert een band.”

    Het gaat de auteur dus niet om ‘doen’, het gaat de auteur dus om ‘mee-doen.’ Het is een artikel waarin Thimon de Jong zich—vrij simpel—afvraagt waarom er, naar zijn idee, de laatste tien jaar geen nummers, die samenscholingen assorti bij tijd en wijle op hun zuipfuiven uit het collectieve geheugen mee kunnen blèhren, zijn bijgekomen. Je kan dat wijten aan het mogelijk slechte geheugen van de auteur, maar dat zou wel heel flauw zijn. Het gaat om het simpele gegeven feit dat het individu De Jong dat als natuurgegeven mist. En dat hij daarom veronderstelt dat anderen dat, als fictieve massa, dat dus ook als een gemis zullen ervaren.

    Het probleem is dat de vraag weliswaar bij de eerste lezing wel helder líjkt—het verlangen van de massa’s naar een band met mekaar hebben binnen consumptieve rituelen—maar daarentegen bij een eerste aanzet tot beantwoording zo indifferent blijkt, dat het antwoord op haar beurt echter nooit zo helder mogelijk zal kunnen zijn, als dat bij nadere bestudering tot het vinden van een antwoord ook daadwerkelijk blijkt te zijn.

    Want als we het over massavorming hebben, dan moet de ‘oplossing’ van de kwestie dus in de richting van mediatheorie worden gezocht; niet per se alsof de vraag slechts binnen een breder kader te valideren zou moeten zijn, maar vooral omdat beantwoording binnen een—hetzij uitsluitend musicologisch, dan wel sociologisch kader—kentheoretisch mogelijk kan zijn.

    Daar de vraag dus een ‘way way’ te ‘breites Feld’ opwerpt dan middels een Tour D ‘Horizon af te palen kan vallen, is een nauwere formulering van de probleemstelling zwaar van node. Die tournure moet in de beantwoording worden gemaakt, door aldaar de vraag middels impliciterende herformulering terug te kaatsen.

    Daarom:
    Massa wordt gevormd door wát de massa vormt. En als dus er door zenders datgeen wat voorheen massa vormde niet meer wordt gezonden om massa te vormen, dan kan er überhaupt van massavorming geen sprake zijn; en dan kan er dus ook geen massa bestaan, die een gebrek aan massavorming zou kunnen voelen. Want een fantoommassa met last van fantoompijn—gekker moet het dus echt niet worden.

    Methodologisch individualistisch kan een eenling namens de massa denken te kunnen spreken. Maar dat is dan allemaal zich volstrekkende autosuggestie en zelfprojectie; maar het is dus wel wat hier als vraag wordt opgeworpen.

    Vooralsnog zitten ik bij nadere bestudering van de probleemstelling inmiddels in een minder ‘inconcludente’ situatie—om een lijsttrekker te citeren, die zich dat recentelijk verbaal incontigent liet ontvallen—dan toen ik aan het schrijven begon verwachtte in te zullen geraken.