Op weg naar het centrum zie ik vanuit mijn ooghoeken genegeerde teleurstelling. Als ik alsnog rem, sjokt hij hoopvol naar het fietspad: een man van eind dertig met een aktentas onder zijn arm.
Hij komt uit Irak en moet naar Groningen. Daar heeft hij een adres waar hij geld kan ontvangen van zijn moeder in Denemarken. Of ik hem kan helpen. Het is overduidelijk dat ik dat maar op één manier kan.
“Just don’t buy a ticket and take a train, see what happens”, adviseer ik hem in de taal waarin hij mij had aangesproken. Maar zwartrijden, dat mag hij niet van zijn advocaat. 24,60, heeft hij nodig. Hij biedt me zijn telefoon aan. In zijn groezelige handen ligt een Nokia 6310. Een toestel waarmee je in 2002 bewees dat je erbij hoorde. Ik noteer zijn telefoonnummer en zeg dat ik hem bel als ik terugkom uit de stad.
Onderweg bel ik naar Vluchtelingenwerk. De telefoniste stelt een basisvraag: heeft meneer asiel aangevraagd?
– Dat weet ik eerlijk gezegd niet. Ik neem aan van wel?
– Laat hem hierheen komen, we zitten in Noord.
Ik bel de Irakees. Ja, hij heeft asiel aangevraagd maar hij is uitgeprocedeerd. Vluchtelingenwerk kan niks meer voor hem doen, zegt hij.