OPINIE - Onderwijsvakbonden voeren al een poosje actie tegen de overvolle klassen. De staatssecretaris vind dat de bonden overdrijven en staat dus recht tegenover hen. De discussie is echter niet consequent, vindt Hartger Wassink.
Wat me dwarszit aan de discussie over overvolle klassen, is niet dat ik vind dat klassen nog wel voller kunnen. Integendeel, ik zie en hoor ook dagelijks wat de nadelen en excessen zijn van te veel kinderen in een te kleine ruimte. Ik gun leraren ook de 24 kubieke meter die mij op de HU als gedeelde werkplek is toebemeten en die ik slechts met een of enkele gesprekspartners hoef te delen.
Waar het me om gaat, is dat ik de discussie niet consequent vind. Aan de ene kant willen leraren geen inmenging van de overheid in hun vak. Aan de andere kant wel, zodra het hun beter lijkt uit te komen. Zo blijven we ‘oud denken’ en komen we niet verder. Volgens mij worden er twee vragen door elkaar gehaald:
- Wat is goed onderwijs?
- Hoe verbeteren we de werkomstandigheden van leraren?
Beide zijn essentiële, belangrijke vragen, maar we moeten ze niet door elkaar halen. Een deel van de ‘volle klassen’-discussie gaat over werkdruk. Er is veel onderzoek dat laat zien, dat werkdruk bestaat uit twee componenten: de daadwerkelijke werklast én de mogelijkheden om daar mee om te gaan. Hoe minder ‘regelmogelijkheden’ en hoe minder steun leraren (en anderen) ervaren, hoe zwaarder de feitelijke werklast op hun schouders drukt. Leraren zouden dus niet om meer regels moeten vragen, want dat beperkt hun regelmogelijkheden nog verder.