J.G. Ballard haatte en omhelsde de toekomst

cccb_believe1

I believe in my own obsessions, in the beauty of the car crash, in the peace of the submerged forest, in the excitements of the deserted holiday beach, in the elegance of automobile graveyards, in the mystery of multi-storey car parks, in the poetry of abandoned hotels.
(J.G. Ballard, fragment uit ‘What I believe‘, gepubliceerd in Interzone #8, 1984)

Toen ik vorige week in Saint Tropez was, kreeg ik midden in de nacht van een vriend een sms: ‘Net nu jij daar zit: Ballard is dood.’ De verwijzing in dat sms-je naar de plek waar ik me bevond was vanwege J.G. Ballards roman Super-Cannes (2000), waarin de palmbomen en wegen langs de Franse zuidkust naadloos overgaan in ogenschijnlijk veilige geklimatiseerde hypermoderne bedrijvenparken waar misdaad wordt bedreven. De mensen in Super-Cannes zijn een door medicijnen afgevlakte robotsoort geworden en zoeken het vertier in geweld. Ballard leek in zijn schrijfwerk argwanend over (technische) innovatie, maar roemde deze in werkelijkheid ook. Hij zag de Fransen als pioniers op het gebied van architectuur en technologie. Hoe anders was zijn mening over zijn vaderland Engeland. ‘The Future, which in Britain has been dead for decades […]. Prince Charles may be going his best to propel the British into a nostalgic past.’ (In the voyeur’s gaze in the Guardian, 1989).

Hans Bouman schreef in de Volkskrant (die ik kocht bij de kiosk bij de Place des Lices, als een echte zongebruinde pensionado met mijn open hemd, kermishorloge en Rayban) een mooie beknopte blik op Ballards oeuvre na zijn dood op 19 april 2009. Niet lang daarna zou het thuisland verrast raken door die andere overleden schrijver, Martin Bril. Bril en Ballard: twee schrijvers die niet alleen dertig jaar en dertig boeken scheelden, maar ook een totaal andere visie op het geschreven woord hadden. De ene schrijver was razend populair en krijgt vrouwen aan tafel bij DWDD tot tranen geroerd (‘ik had het gevoel dat ik hem echt kende’), de ander hield er een andere agenda op na, en dat is niet alleen omdat hij geen Nederlandse schrijver was.

Erotisering van auto-ongelukken
J.G. Ballard heeft altijd een fijne neus voor modernistische transfer-zones als vlieghavens, snelwegen en parkeergarages gehad, maar beschreef ze met evenveel huiver. Hij ‘gebruikte’ de moderne wereld om er kritiek op te uiten in zijn schrijfwerk, maar in een vorm die juist alleen kon gedijen in een moderne wereld. ‘Bij twijfel, quote Ballard,’ zei schrijver Iain Sinclair ooit in een interview. Geen kunstenaar schreef zo geraffineerd op de huid van de moderne tijd (en een stukje van morgen). Met zijn oeuvre van tientallen romans en essays als wapenfeit kunnen we Ballards werk aan de ene kant omschrijven als dystopisch maar aan de andere kant futuristisch.

Ballards werk wordt ook wel omschreven als science fiction, maar met boeken vol ruimteschepen en andere melkwegstelsels heeft hij nooit veel op gehad. Lang voor Al Gore alarm sloeg met zijn film An Inconvenient Truth, schreef Ballard de roman The Drowned World (1962), over een ‘naamloze, vergeten stad’ onder water komt te staan als gevolg van smeltende ijskappen. In 1973 liet Ballard met Crash het literaire engagement opschrikken met een roman waarin de erotisering van auto-ongelukken en littekens wordt bezongen. Het lijkt soms alsof Ballard zijn romans gecomponeerd heeft in een witte jas in een laboratorium, alsof er toch een link is met zijn studie medicijnen waar hij ooit aan de universiteit van Cambridge aan begon.

Afkeer van provincialisme
Ballards literaire composities waarin glas, technologie, metaal, snelheid en sperma grote rollen speelden, zal bij menig leesclubje tot grote verontwaardiging hebben geleid. Een gezelligheidsdier en publiek knuffeldier is Ballard nooit geweest, hoe aimabel hij verder privé was. Hij weigerde de onderscheiding ‘Commander of the British Empire’ (vergelijkbaar met ons koninklijk lintje). ‘As a republican, I can’t accept an honour awarded by the monarch.’ Een redacteur van een Nederlandse uitgeverij vertelde me een paar maanden geleden dat Ballard in 2000 een fax stuurde met de vraag of de uitgeverij wel goed bij hun hoofd was om ook hem te vragen (naast oa. Connie Palmen, Salman Rushdie en Marianne Fredriksson) voor een boekje met brieven aan de 6 miljardste wereldburger. Ballard was geen schrijver die makkelijk invoegde bij dergelijke ludieke acties.

ballard_cokliss1

In tegenstelling tot zijn Britse collega’s had Ballard weinig met wat hij zelf omschreef als de ‘worst defects of provincalism […] and a moralizing concern for the limited world.’ (Memories of Greeneland, Magazine Littéraire 1978). De kinderjaren in het oorlogsdecor van Shanghai (beschreven in zijn populaire Empire Of The Sun, ook verfilmd door Spielberg) hebben van Ballard een “ontwrichtend” schepper gemaakt. Niet in principe moreel ontwrichtend, maar los van vaste waarden en conventies. Er is geen goed, geen fout, geen verleden, geen heden, alleen een mogelijk ‘nu’. En dat heeft Ballard gemeen met de kunstenaars die hij zo bewonderde: schilders Francis Bacon en Salvador Dali en schrijvers Nathanael West en William Burroughs.

De schrijver is radicaal veranderd
En dat zie je ook terug in het werk van Ballards bewonderaars uit de geschiedenis, bijvoorbeeld bij punk- en wave-artiesten als Ian Curtis van Joy Division en Andrew Eldritch van The Sisters of Mercy. Alexander van Caenaghem schreef op 15 februari 2008 in de Standaard over het verband tussen het Joy Division- nummer The Atrocity Exhibition en Ballards gelijknamige boek: ‘Typisch Ballard is het idee dat het eigen hoofd de laatste schuilplaats is voor de vijandige buitenwereld. The atrocity exhibition is een pleidooi voor de psychopathie als toevluchtsoord van de menselijke vrijheid.’

Ballard heeft, ondanks populaire moderne Britse volgelingen als Will Self en Alex Garland, niet de romantische status van een schrijver zoals lezers dat graag zien. In 1995 schreef hij in het voorwoord van de heruitgave van Crash, naar aanleiding van de verfilming door David Cronenberg: ”Ik ben van mening dat de rol van de schrijver, zijn gezag en handelingsbevoegdheid, radicaal veranderd zijn. Voor mijn gevoel wéét de schrijver niets meer. Hij heeft geen enkele morele status. Hij offreert de lezer de inhoud van zijn hoofd, een collage van mogelijkheden en denkbeeldige alternatieven. Zijn rol is die van de wetenschapper die, in het veld of in het laboratorium, geconfronteerd wordt met een onbekend onderzoeksgebied of -object. Het enige dat hij nog kan doen is verschillende hypothesen formuleren en deze toetsen aan de feiten.’

Toch is de beste man niet alleen maar af te schrijven als een Doctor Frankenstein die monsters tot leven bracht. In het stadje Shepperton, dat door de M3 snelweg wordt doorkliefd, voedde hij als alleenstaande man drie kinderen op en was, volgens de overlevering, een devoot huisvader.

‘I believe in all children. […] I believe all mythologies, memories, lies, fantasies, evasions. I believe in the mystery and melancholy of a hand, in the kindness of trees, in the wisdom of light.’