De filosofische baby

baby op de akropolisMet het krijgen van kinderen komt ook de goede raad. Familie en vrienden vertellen wat je moet doen en laten, waarna je al dat advies beleefd laat verstoffen. Voor de onzekere ouder staat ook een online leger klaar om op alle boertjes-, voeding- en slaapvragen antwoord te verschaffen. Populair zijn ook de hulpboeken, meestal geschreven in een quasi-grappig toontje. Ik heb me ook aan een paar gewaagd, maar na adviezen als ‘vader, zorg dat je genoeg eten in de vriezer hebt, want mama kan voorlopig niet koken’ haakte ik snel af. Uiteraard hebben wij ook het min of meer verplichte Oei Ik Groei in de kast staan, maar eerlijk gezegd word ik niet vrolijk van dat semi-wetenschappelijk geleuter over wat de ‘winkel van gebeurtenissen’ in deze fase weer in de aanbieding heeft.

The philosophical baby: what children’s minds tel lus about truth, love, and the meaning of life van de Amerikaanse neurowetenschapper en filosoof Allison Gopnik is daarom alleen al een verademing: je wordt op volwassen toon toegesproken. In dit boek stelt Gopnik dat we onze baby’s al millennia tekort doen. Baby’s zijn zelden een serieus onderwerp van onderzoek geweest, laat staan van filosofische bespiegelingen. Wat valt er ook te onderzoeken? Je wordt er vaak genoeg aan herinnerd dat baby’s immers niet veel meer doen dan kwijlen, slapen, eten, huilen en poepen.

Gopnik bepleit dat baby’s veel meer kunnen dan we denken. Sterker nog, sommige dingen kunnen ze beter, zoals leren. En ook hebben baby’s meer bewustzijn dan de grote gehaaste mensen die ze later worden, waarover zo meer. Probleem is dat we tot voor kort niets van baby’s wisten. Het ‘ongeschreven blad’ paradigma bleef daarom lang aantrekkelijk. Op het eerste gezicht lijken baby’s ook blanke koppies te hebben. Het empirisch onderzoek heeft het laatste decennium echter een enorme vlucht genomen, zodat we nu meer weten dan ooit tevoren. En, zo stelt Gopnik, we moeten ook onze waardering van baby’s veranderen.

Gopnik beschrijft ondermeer onderzoek waaruit blijkt dat hele jonge kinderen al normbesef hebben en onderscheid kunnen maken in verschillende gradaties van ‘slechtheid’. Een leugentje vertellen dat mag nog wel eens. Iemand slaan, dat nooit. Ook verhaalt Gopnik over onderzoek waaruit heel duidelijk blijkt dat reeds hele jonge kinderen, van nog geen jaar oud, wel degelijk causale verbanden kunnen leggen. Als je deze passages leest, ligt dat best voor de hand. Een kind huilt om iets gedaan te krijgen en heeft doet dat dus met een bepaalde verwachting. Dat weten we allemaal maar al te goed. Maar dit basale, dagelijkse besef heeft nooit weerklank gehad in de laboratoria en ook al niet in de wetenschappelijke literatuur.

Zo komen er wel vaker passages voor in het boek waarvan je denkt: waarom is het beeld van de nietswetende baby nauwelijks aangepast? Neem empathie. Zelfs hele jonge baby’s, van nog geen maand oud, gaan vaak door een fase waarin ze de gezichtsuitdrukkingen van een nabije volwassene imiteren. Het kind heeft zelf nog geen besef van sociale omgang, zo lijkt het, maar kan de glimlachen en verdrietige gezichten wel feilloos nabootsen. Het zijn dit soort alledaagse voorbeelden die het boek levendig maken.

Ronduit interessant is de passage die gaat over hoe het is een baby te zijn. Hoe nemen zij de wereld waar? Gopnik komt tot de conclusie dat baby’s meer bewust zijn van hun omgeving dan volwassenen. Baby’s missen het zogenoemde ‘zoeklicht’ dat het volwassen bewustzijn kenmerkt – de mogelijkheid om aandacht van het ene object naar het andere te verschuiven. Het bewustzijn van de baby is meer als een bouwlamp: het verlicht alles en neemt uiteindelijk ook van alles een beetje in zich op. Jonge kinderen kunnen helemaal opgaan in hun spel, maar ondertussen wel feilloos oppikken dat je een woord gebruikt dat je eigenlijk niet mag zeggen.

Volwassenen kunnen dit volgens Gopnik in één situatie goed nabootsen en zich zo inleven in de wereld van hun kleine kinderen. Ga op reis. Als je in een compleet vreemd land komt, waar je de taal niet kent, de letters vreemd zijn, je de geluiden en geuren niet kan thuisbrengen, dan voel je je wellicht zoals een baby doet. Vandaar dat ze zoveel slapen. Het is vreselijk vermoeiend.  Spelen is hard werken. Of zoals Gopnik het noemt: spelen is het verkennen van mogelijke werelden. Dat is niet niets.

Volgens Gopnik hebben baby’s als het op bewustzijn aankomt, het meeste al wat volwassenen ook hebben en soms dus zelfs een beetje meer. Wat ze missen is een innerlijke ik, een identiteit die alle ervaringen aan elkaar knoopt in een persoon die ze als de kern van zichzelf beschouwen. Dat komt pas met een jaar of drie, vier. Niet toevallig is dat ook het moment dat ze een geheugen krijgen dat hun ervaringen in één historisch verhaal giet.

The philosophical baby is een goed boek voor wie meer wil begrijpen van dat kleine mensje dat zich zo razendsnel ontwikkelt. De titel is wel wat verwarrend, dat is het enige jammere, want het boek gaat uiteindelijk over kinderen tot ongeveer vier jaar oud. Dat maakt de schoonheid, die in wetenschappelijke termen wordt onthuld, er niet minder op. Het boek is niet makkelijk en het is af en toe hard werken om er doorheen te komen. Maar dat is het opgroeien voor baby’s ook.

The philosophical baby is deze zomer in een paperback editie uitgekomen. Er is ook een Nederlandse vertaling beschikbaar. Hier nog een artikel in de New York Times van haar hand.
De kleine filosoof
De kleine filosoof
Gopnik, A. & Gopnik, Alison

  1. 1

    Als nieuwbakken vader kan ik me helemaal vinden in de aanhef, het woud van boekjes en internet sites is meestal een erg slechte raadgever. Het boekje ‘Oei ik groei’ was volgens mij moeder in haar tijd al een voorbeeld van hoe het ab-so-luut niet moet. (haar woorden) ga deze eens bestellen, dank voor de tip!

  2. 2

    Het lijkt er op dat er langzaam iets veranderd in de blik op heel jonge kinderen: van simpele causale reacties/imitaties naar een grotere rol van het bewustzijn. Intrigerend waarom wetenschappers de neiging hebben om gedrag van baby’s al heel snel tot simpele mechanismen te reduceren en daarmee ontwikkelingen al snel heel laat plaatsen.

    Het is erg leuk om de ontwikkeling van je kinderen te observeren: de jongste kwam onlangs met 2,5 voor het eerst met een verhaaltje over wat hij beleeft heeft. Al eerder, rond 2 kan een kind vragen beantwoorden over hoe de dag was en wat er gebeurd is. Die identiteit/ik is een bepaalde gradatie kennelijk al veel eerder aanwezig dan met 3/4.

  3. 3

    @ Dimitri en anderen
    Als u ook zo’n hekel heeft aan de gangbare opvoedboeken die ronduit slecht advies geven dan kan ik van harte de boeken van Aletha Solter aanraden:

    # The Aware Baby 1984 (NL: Baby’s weten wat ze willen 1991)
    # Helping Young Children Flourish (NL: Het ongedwongen kind 2004)

  4. 4

    Boeken? Boeken? Kijk naar de baby zelf, luister en voel (ik klink wel als een zweefteef zeg…)! Sinds kort vader van een tweede, en een groter verschil tussen de eerste en de tweede op alle vlakken kon ik mij niet voorstellen. Waar het ene boek voor het ene kind heel goed lijkt te ‘passen’, kan dat bij de volgende juist het tegenovergestelde zijn. Je moet niet die boeken als leidraad nemen, dan begin je juist op zeer jonge leeftijd al met dat hokjesdenken wat hier door veel mensen (terecht) zo verafschuwd wordt.
    Baby’s en peuters hebben iedere dag nieuwe ontwikkelingen, belevenissen, behoeftes. De enige manier om daar de rol als ouder te vervullen is kijken en luisteren, niet lezen. Just my 5cts worth ;-)

  5. 5

    @4 MEe eens hoor. Maar ik vind het zelf erg leuk om te begrijpen wat er in dat hoofd afspeelt. En idd @2 dat ik zelf het idee heb dat die kleine veel slimmer is en veel meer kan dan ‘men’ zegt. Ik kreeg van een hoop mensen te horen dat ik die eerste zes maanden maar even moest doorbijten: daarna zou het leuk worden, want interactie. Maar ik vond die eerste zes maanden ook leuk (oke, slaapgebrek wat minder) en zelfs toen merkte je al een basale interactie (eigenlijk vanaf dag 1).

    Vanaf 2/3 jaar is er idd een ik. Sterker nog, Gopnik bepleit dat er ook al een basale toekomstige ik aanwezig is, dus dat kinderen al toekomstige situaties kunnen voorstellen waarin ze zelf figureren. Het plannen wil alleen nog niet zo lukken.

  6. 6

    “Ik identificeer me meer met dieren en baby’s” – Typhoon (in de track Zo Niet Mij)

    Kinderen kunnen zich zo mooi verbazen over alles, dingen die voor ons als vanzelfsprekend zijn. Heb nog geen kinderen maar wanneer het zo ver is zal ik effe op Sargasso kijken en zoeken naar de tag Baby’s;)