Waarom wij martelen
COLUMN - Afgelopen week stuitte ik tijdens het zappen op een film die ik nog niet gezien had: Inglourious Basterds van Quentin Tarantino. Ik besloot hem te kijken, maar heb hem na een uur weer uit gezet, iets wat ik haast nooit doe. Voor wie het niet weet: de film gaat over een Amerikaanse eenheid die tijdens de Tweede Wereldoorlog in vijandelijk gebied opereert met maar één doel: Nazi’s liquideren. Dat gaat, het is immers Tarantino, met zeer grof geweld.
Ik vond de film saai. Tarantino gebruikt – in het eerste uur althans – eigenlijk maar één truc om de spanning erin te houden: door twee mensen of twee groepen tegenover elkaar te zetten in een situatie waarin de ene kant iets zeer belangwekkends te verliezen heeft en de andere kant maar blíjft praten en tijd rekken. Toegegeven, je zit op het puntje van je stoel, maar het komt wel héél erg uit de theorieboeken ‘hoe schrijf ik een Hollywood-scenario’. Na drie keer had ik het wel gehad met de eindeloze monologen voor de slachtpartij, een fenomeen dat ik ook al kende uit Pulp Fiction, maar dat me destijds niet zo stoorde.
Wat dat ene uur Tarantino me echter wel leerde: waarom wij martelen. Pas op: nu komen de spoilers. De leider van de eenheid – gespeeld door Brad Pitt – is een no-nonsenseofficier die recht op zijn doel afgaat. Als hij van een gevangen genomen Duitse officier informatie nodig heeft over de positie van een Duitse patrouille geeft hij hem eerst drie keer de kans het hem te vertellen en laat hem vervolgens met een honkbalknuppel doodslaan. De volgende Duitser die aan de beurt is, heeft dan geen enkele scrupules meer om zijn kameraden te verraden.


Lange behandelt ook de ontwikkeling van het beeld van een onfeilbare, onaantastbare profeet in het licht van het feit dat de vroege islam – en ook de koran – geen enkele moeite lijkt te hebben gehad met een profeet die zo af en toe een fout maakte. Hoe moslimgeleerden bijvoorbeeld om gingen met het verhaal van de duivelsverzen, vertoont een duidelijke ontwikkeling: aanvankelijk geloofden ze vrijwel allemaal dat het om een historisch voorval ging, tegenwoordig prevaleert onder moslims de overtuiging dat het een verzonnen verhaal is.
In plaats van uw tatoeage voor u te vertalen, kan Gzella u wél wat vertellen over het Aramees dus, liefst vierhonderd pagina’s lang is hij aan het woord over een taal waarvan u na afloop weet dat het geen taal, maar een hele taalfamilie is. Die taalfamilie heeft een lange geschiedenis. Die start rond het begin van het eerste millennium voor Chr. en loopt tot op heden door, beslaat dus zo’n drieduizend jaar. Gzella neemt u mee vanaf dat prille begin ergens in Syrië, schetst het beeld van een taal die begint als de taal van een aantal lokale, kleine Arameese stadsstaten, maar die zich al vrij snel weet los te zingen van zijn oorsprong en zich ontwikkelt tot een wereldtaal die gedurende de volgende drieduizend jaar in het hele Midden Oosten wordt gebruikt, terwijl de taal eigenlijk – en dat is behoorlijk uniek – geen “thuisland” meer heeft.