Montesquieu Instituut

168 Artikelen
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: NiederlandeNet (cc)

Evaluatierapport Wfpp: nuttige heroverweging die vragen oproept

ANALYSE - van Prof.Dr. Ruud Koole

De door de minister van BZK ingestelde commissie die de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) moest evalueren, heeft recentelijk een mooi, informatief rapport gepubliceerd.

De commissie (Kars Veling, voorzitter; André de Jong, Sarah de Lange en Gerrit Voerman, leden) betrekt al gelijk in de titel van het rapport, ‘Het publieke belang van politieke partijen‘, een duidelijke stelling. Verderop in het rapport (p. 25) wordt die als volgt omschreven: het is ‘een publiek belang dat politieke partijen zo optimaal mogelijk zijn toegerust voor hun rol en functies in het proces van politieke wilsvorming, en dat hun onafhankelijkheid daarbij is gewaarborgd.’

Tussen die optimale toerusting en onafhankelijkheid zit natuurlijk de nodige spanning. De commissie doet een verdienstelijke poging hiertussen het evenwicht te bewaren. Enerzijds meer overheidssubsidie voor partijen (van in totaal 15,1 miljoen euro naar 21,9 miljoen euro), anderzijds zo weinig mogelijk bemoeienis van de overheid met de organisatie- en oriëntatievrijheid van partijen. ‘Verstatelijking’ van partijen moet worden voorkomen, maar tegelijk worden strenge eisen gesteld aan de transparantie van partijen over hun inkomsten.

Dat evenwicht was ook de bedoeling van de Wet financiering politieke partijen, die in 2013 werking trad en die nu door de commissie is doorgelicht. Het rapport is veel meer een heroverweging dan een evaluatie. We vinden nauwelijks gegevens over hoe de wet in de praktijk heeft uitgepakt. Geen informatie, bijvoorbeeld, over wat de partijen de afgelopen jaren nu precies met de subsidie hebben gedaan of welk effect de transparantievereisten hebben gehad op het publieke debat of op het vermogen van partijen om fondsen te werven. Wel het opnieuw doordenken van onderdelen van de wet. Dat laatste is heel nuttig, maar staat los van praktijkervaringen in de afgelopen jaren.

Foto: Tom Roeleveld (cc)

Integriteit in het parlement: voorstel voor een nieuwe procedure

ANALYSE - Een bijdrage van Prof.Mr. Erik Jurgens.

In De Hofvijver van 29 januari 2018, waarin meerdere interessante bijdragen staan over de toetsing van de integriteit van politici en bestuurders, vraagt Paul Bovend’eert om een procedure binnen de beide Kamers van het Parlement bij vermeende schending van integriteit.

In een artikel in het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, januari 2018, doet hij verslag van zulke regelingen bij enige buitenlandse parlementen.

Ik val hem graag bij, vanuit samen twintig jaar ervaring in elk van beide Kamers. Niet alleen omdat op schending van integriteit sancties moeten staan, maar ook omdat volksvertegenwoordigers zich moeten kunnen weren tegen valse beschuldigingen. Beschuldigingen gaan immers in het huidige media-tumult vaak een eigen leven leiden, tot schade van de betrokkenen, ook al blijken ze onwaar.

De Grondwet waakt terecht krachtig over de onafhankelijkheid van de gekozenen. Van oudsher gold die waakzaamheid met name inbreuk daarop door regeringen. Sinds de parlementaire democratie de norm is geworden heeft het parlement het laatste woord over de regering. Pogingen tot inbreuk op zijn onafhankelijkheid uit die hoek kunnen de Kamers krachtig afweren. De inbreuk komt nu vooral van elders.

De leden “stemmen zonder last”, zo beveelt de Grondwet indringend, in art 67, lid 3. Maar aanvaarden leden wel een last, dan is daarop geen enkele sanctie. Zo spraken sommige fracties af om – bij het raadgevende referendum inzake het Oekraïne-verdrag van de EU – hun stem over de goedkeuring daarvan te laten bepalen door de uitkomst van die volksraadpleging. Daarmee aanvaardden zij dus een last om op een bepaalde wijze hun stem uit te brengen…

Tijd voor evaluatie van de Grondwet

ANALYSE - De staatscommissie die ruim vijftig jaar gelden opdracht kreeg de Grondwet te herzien, kreeg een te beperkte opdracht. Reden om de nu 35 jaar oude herziene Grondwet aan een evaluatie te onderwerpen, meent Joop van den Berg in zijn column voor het Montesquieu Instituut.

De algehele herziening van de Grondwet, die ons de tekst heeft opgeleverd zoals wij die vanaf 1983 kennen, werd geleid door een specifieke opvatting over wat een grondwet diende te zijn, zonder daarin overigens altijd even consequent te wezen. Die opvatting had zich eerst meester gemaakt van de in 1963 gloednieuwe afdeling ‘constitutionele zaken’ van het ministerie van Binnenlandse Zaken; zij werd gedeeld door de Staatscommissie-Cals/Donner, die in 1967 van het kabinet-De Jong de opdracht kreeg een algehele herziening van de Grondwet voor te bereiden. Verbindende figuur: covoorzitter André Donner, vader van de huidige vicepresident van de Raad van State 1).

Kerngedachte van ambtenaren en staatscommissie was de doctrine van de Britse rechtstheoreticus K.C. Wheare, die meende dat een grondwet ‘the very minimum’ moest omvatten, maar dat minimum ‘had to be rules of law’. Het zou om strikte regels van positief recht moeten gaan, die bevoegdheden vastlegden en waarvan bovendien de naleving bij de rechter moest kunnen worden ingeroepen. Bij zulk een grondwet hoorde dus een rechterlijk toetsingsrecht.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Heeft een tweede lezing voor Grondwetswijzigingen nog wel zin?

ANALYSE - Maar liefst drie voorstellen tot wijziging van de Grondwet moeten na de komende ontbinding van de Tweede Kamer voor de tweede keer worden ingediend: de invoering van een correctief referendum, de ‘deconsitutionalisering’ van de kroonbenoeming en de constitutionele basis van de openbare lichamen in Caribisch Nederland. Daarnaast zal de nieuw gekozen Tweede Kamer zich ook weer moeten buigen over constitutionele toetsing door de rechter. Dit laatste voorstel, ooit aanhangig gemaakt door Femke Halsema, zwerft in tweede lezing al sinds 2010 door de Tweede Kamer.

De procedure tot Grondwetswijziging

De Grondwet schrijft voor dat Grondwetswijzigingen in twee lezingen door de Staten-Generaal moeten worden behandeld. Nadat Tweede en Eerste Kamer met een gewone meerderheid het voorstel hebben aangenomen en het is ondertekend en bekend gemaakt, wordt – aldus art. 137, lid 3  van de Grondwet – de Tweede Kamer ontbonden. Nadat de nieuwe Tweede Kamer opnieuw is samengekomen overwegen beide Kamers het voorstel opnieuw. Dan is in zowel Tweede als Eerste Kamer een tweederde meerderheid vereist. Wijziging van het voorstel is dan niet meer mogelijk.

De ontbinding van de Tweede Kamer en het daarop volgend uitschrijven van nieuwe verkiezingen is bedoeld om de kiezer gelegenheid te geven zich uit te spreken over zo iets belangrijks als een wijziging van de Grondwet. In de praktijk komt daar maar weinig van terecht. In 1948 vonden voor het laatst ontbindingsverkiezingen plaats die alleen maar het gevolg waren van een wijziging van de Grondwet. De Grondwetswijziging was nodig in verband met de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië. Sindsdien laat het kabinet ontbindingsverkiezingen altijd samenvallen met reguliere of door de val van een kabinet benodigde tussentijdse verkiezingen.

Foto: Herman Van Rompuy (cc)

Rutte’s geitenpaadje: het Oekraïne-referendum en de Europese Raad

ANALYSE - Premier Rutte heeft de bezwaren tegen het associatie-verdrag met Oekraïne handig weten te ondervangen, legt Prof.Mr. Aalt Willem Heringa uit.

Het is Rutte dan toch gelukt. De Europese Raad heeft op 15 december 2016 in haar besluiten een voor de 28 lidstaten juridisch bindend document aangenomen dat betrekking heeft op het EU-Oekraïne Associatieakkoord en dat bezwaren van tegenstemmers zou kunnen wegnemen.

Wat staat er nu in?

1. Oekraïne heeft niet de status van kandidaat-lidstaat voor toetreding tot de Unie en het Associatieakkoord houdt geen toezegging in tot de toekomstige verlening van die status aan Oekraïne;

2. Het Associatieakkoord is geen verplichting voor de Unie of de lidstaten om collectieve veiligheidsgaranties of andere militaire steun of bijstand aan Oekraïne te verstrekken;

3. Het Associatieakkoord verleent onderdanen van Oekraïne of burgers van de Unie niet het recht om zich vrijelijk te vestigen of vrijelijk te werken op het grondgebied van de lidstaten, respectievelijk Oekraïne;

4. Het Associatieakkoord noopt de lidstaten niet tot extra financiële steun aan Oekraïne;

5. Krachtens het Associatieakkoord zullen de partijen samenwerken bij het bestrijden en voorkomen van corruptie in zowel de particuliere als de publieke sector. De samenwerking tussen de partijen op het gebied van de rechtsstaat heeft met name tot doel de rechterlijke macht te versterken, de efficiëntie ervan te vergroten, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid ervan te beschermen, en corruptie aan te pakken;

Foto: Metropolico.org (cc)

Kamerlid pleegt meineed?

In het licht van de veroordeling van Geert Wilders kan de vraag worden opgeworpen of hij zich daarmee ook niet schuldig heeft gemaakt aan een ander strafbaar feit, namelijk meineed. Bij zijn installatie als Kamerlid, de laatste keer op 20 september 2012, beloofde hij immers op grond van artikel 60 trouw aan de Grondwet. Dat is een vereiste die is uitgewerkt in de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal. De veroordeling betekent de facto dat hij die eed geschonden heeft.

Bij de behandeling van de genoemde wet kwam schending van de eed wel aan de orde, maar dat betrof met name de in artikel 2 van in de wet genoemde zuiveringseed (over het niet aannemen van geschenken etc.). Minister Ien Dales stelde toen dat bij een vermoeden van schending van die eed strafvervolging mogelijk is. De rechter zou dat dan moeten beoordelen. Wie daarbij het initiatief moet nemen, is niet duidelijk.

Nu is vervolging wegens schending van de eed vast een theoretische kwestie. Maar de vraag is natuurlijk wel, wat de betekenis van die eed dan wel is en welke waarde daaraan moet worden gehecht. Die vraag kan zeker worden gesteld als een Kamerlid zich schuldig heeft gemaakt aan het aanzetten tot discriminatie en daarmee tot schending van artikel 1 van die Grondwet.

Foto: Op een Pegida-manifestatie (13.04.2015) - foto door Metropolico.org (Flickr cc)

Wilders: een politiek proces?

Volgens Wilders’ advocaat zou de politicus helemaal niet vervolgd moeten worden. De argumenten die mr. Geert-Jan Knoops daarvoor aanvoert, raken echter kant noch wal, meent Prof.Mr. Aalt Willem Heringa.

Is het Wilders-proces een politiek proces zoals de advocaat van Wilders, Geert-Jan Knoops, betoogt? Is het een onmogelijke taak voor de rechter omdat, zoals hij zei, het in wezen gaat over het partijprogramma van de PVV? En dus het politieke besluitvormingsproces raakt? Wordt de rechtbank gevraagd zich uit te spreken over het soort democratie en passeert de rechtbank een miljoen kiezers? En tenslotte, is hier sprake van een politieke kwestie (political question) zoals dat is ontwikkeld in de VS?

1. Politiek proces?

Een politiek proces? Dat hangt van de definitie af. Als Knoops bedoelt dat het politiek is omdat een politicus terecht staat, ja dan is het een politiek proces. Maar, politici zijn nu eenmaal niet immuun voor vervolging, behalve voor dat wat ze in de Kamer zeggen.

Als bedoeld wordt dat dit proces ook een impact kan hebben op de politiek, inderdaad. Maar als hij bedoelt dat Wilders alleen maar vervolgd wordt omdat hij Wilders is, en dus om politieke redenen wordt beschadigd, dan lijkt mij dat onjuist. Als ieder andere Nederlander dezelfde uitlatingen had gedaan en in de krant had geschreven dat we minder Marokkanen moeten hebben, had ook vervolging kunnen volgen.

Foto: Roel Wijnants (cc)

Van Rey en de integriteit van het openbaar bestuur & het strafrecht

ANALYSE - De integriteit van het openbaar bestuur raakt aan de fundamenten van de democratische rechtsstaat. De rechter had daarom wel wat strenger mogen zijn voor Jos van Rey, meent Prof. Mr. Aalt Willem Heringa.

De Rechtbank Rotterdam veroordeelde Jos van Rey en stelde vast dat passieve corruptie bewezen was maar legde daarvoor geen staf op. Dat bevreemdt mij vanuit constitutioneel perspectief van een open democratie waarin de verkozenen en publieke functionarissen zoals wethouders niet geacht mogen worden puur eigen belang of eigen voordeel na te streven. De rechtbank (hieronder heb ik enkele cruciale overwegingen opgenomen) overweegt dat er niet veel meer was dan een lichte schijn van belangenverstrengeling en uiteindelijk veroordeelde de rechtbank Van Rey voor gerommel met volmachten en lekken uit de vertrouwenscommissie).

Was er nu in de eerste zaak sprake alleen maar van schijn, of zelfs lichte schijn? Dat botst met de constatering van de rechtbank dat Van Rey toch ook voordelen heeft genoten. De ratio achter het strafbaar stellen van actieve en passieve corruptie is toch het bewaren van de integriteit van het openbaar bestuur. En toegegeven, inderdaad kon Van Rey niet op eigen houtje de projectontwikkelaar van projecten voorzien: daar was BenW eveneens bij. Maar de crux is toch dat Van Rey de verantwoordelijk wethouder was, die in de cultuur van BenW niet licht werd tegengesproken of aangesproken op zijn contacten. Dat laatste is uiteraard de Roermondse politiek van destijds ook aan te rekenen. Een cultuur van gebrekkige onderlinge controle en van gebrek aan bewaken van schijn van belangenverstrengeling en te nauwe banden met commerciële marktpartijen!

Foto: copyright ok. Gecheckt 11-03-2022

CETA en nationale parlementen

COLUMN - Het CETA handelsverdrag tussen EU en Canada is, aldus het aanvankelijke oordeel van de Commissie, een verdrag dat binnen de exclusieve bevoegdheden van de EU valt (handel!), en door de EU kan worden gesloten na instemming door het Europees Parlement en de Raad van Ministers. Inmiddels heeft de Commissie aangegeven dat het mogelijk toch een gemengde overeenkomst is zodat het nu ook moet worden voorgelegd aan de parlementen van de lidstaten. De lidstaten hebben dan zeggenschap over die onderdelen van CETA die niet binnen de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen. Aannemelijk is echter wel dat het overgrote deel exclusief zal zijn.

Wie maakt nu uit of en zo ja welke delen exclusief EU zijn? Wel, uiteindelijk zal dat het Hof van Justitie kunnen zijn. Een eerste indruk of CETA werkelijk gemengd (mixed) is of toch exclusief is,  kan blijken als het Hof uitspraak doet in een zaak over een een ander handelsverdrag, namelijk tussen de de EU en Singapore.

Exlusief

Stel nu eens dat CETA exclusief is. Dan hebben de nationale parlementen geen bevoegdheid om goed te keuren. Cru gezegd: als alle nationale parlementen dan tegen zijn, is de EU nog steeds bevoegd om partij te worden. Het enige wat de nationale parlementen kunnen doen is hun eigen ministers instrueren en onder druk zetten om niet in te stemmen in de Raad van Ministers. In Nederland komt er dan ook geen – referendabele – goedkeuringswet.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Het Decemberproces in Suriname: Botsing van staatsmachten

ANALYSE - De Europese Unie heeft de Surinaamse regering opgeroepen de rechtstaat en de scheiding der machten te respecteren tijdens een begin deze maand in Guyana gehouden zogeheten artikel 8 Politieke Dialoog. De oproep van de EU is ingegeven door een Resolutie van 29 juni waarin de regering de procureur-generaal beveelt om met onmiddellijke ingang de vervolging te beëindigen van de verdachten van de zogeheten 8 decembermoorden.

De Resolutie vindt zijn grondslag in het idee dat de staatsveiligheid van Suriname niet gediend is met het voortzetten van de vervolging van de verdachten van de roemruchte moorden in 1982. Deze ingreep in waarschijnlijk de belangrijkste strafzaak ooit in Suriname is gebaseerd op een zeldzaam en curieus beroep op artikel 148 van de grondwet. Dit artikel luidt als volgt: De regering bepaalt het vervolgingsbeleid. In het belang van de staatsveiligheid kan de regering in concrete gevallen aan de procureur-generaal (PG) bevelen geven met betrekking tot de vervolging.

De timing van de Resolutie is niet toevallig. Het kwam een dag voor een nieuwe zitting van de Krijgsraad op 30 juni jl. waarin de auditeur-militair zijn requisitoir zou houden.

Krijgsraad negeert Amnestiewet?

In de periode kort voor de publicatie van de Resolutie verschenen in de media berichten waarin zeer kritisch werd gereageerd op de uitspraak van de Krijgsraad om de vervolging voort te zetten. De autoriteiten reageerden geschokt. Er ontstond een gespannen sfeer in het land. De enkele jaren geleden in werking getreden Amnestiewet had immers juist tot doel het Decemberproces stop te zetten.

Foto: risastla (cc)

De Tweede Kamer kan weer wat meer leeuw worden

COLUMN - De Tweede Kamer kan volgende week door aanneming van een motie-Amhaouch (CDA)/Schouten (CU) de eigen informatiepositie aanzienlijk versterken. De bij de behandeling van de Raming 2017 ingediende motie vraagt namelijk om een systeem waarbij de regering binnen een bepaalde termijn beredeneerd aangeeft of en hoe zij de uitvoering van een motie ter hand heeft genomen en wat de planning is.

Kamervoorzitter Khadija Arib liet namens het Presidium al weten bereid te zijn uitvoering van de motie ter hand te nemen. Het is ook nauwelijks voorstelbaar dat de Kamer zich niet achter deze wens zou scharen en aanstuurt op uitvoering. Een Kamer die zichzelf serieus neemt, moet zeker door haarzelf vastgelegde verzoeken en opvattingen serieus nemen. Dat doet ze door toe te zien op uitvoering van aangenomen moties en zo nodig aan de bel te trekken als de regering in gebreke blijft. Maar dan moet de regering wel tijdig en adequaat rapporteren.

Inmiddels bijna 37 jaar geleden nam de Tweede Kamer de motie-Ginjaar-Maas (VVD)/Van Leijenhorst (CDA) aan, waarin de regering werd gevraagd uit het oogpunt van parlementaire controle jaarlijks te rapporteren over uitvoering van aangenomen moties en gedane toezeggingen. De motie-Amhaouch/Schouten gaat nog een stap verder, maar ligt wel geheel in de lijn met die motie-Ginjaar-Maas/Van Leijenhorst.

Foto: European Council (cc)

Ook Rutte is verantwoordelijk voor wet over referendum

De uitspraak van premier Rutte dat hij totaal (in drievoud) tegen een referendum is over multilatere overeenkomsten, is politiek interessant. Het ontslaat hem niet van zijn medeverantwoordelijkheid voor de wet die dat regelt.

Wetgeving komt overeenkomstig artikel 81 van de Grondwet tot stand in gezamenlijkheid van regering en Staten-Generaal. Wie daartoe het initiatief nam, kabinet of Tweede Kamerlid, is daarbij niet relevant. Ieder door de Staten-Generaal aangenomen wetsvoorstel, moet worden bekrachtigd door de (onder ministeriële verantwoordelijkheid vallende) Koning.

Artikel 2.a4 van het Reglement van Orde bepaalt dat de ministerraad besluit over het wel of niet bekrachtigen. Dat reglement vordert verder eenheid van beleid. Het kan niet zo zijn, dat een minister zegt: ik heb ingestemd, maar eigenlijk was ik tegen. Wie als minister vindt dat bekrachtiging tot een ‘rampzalige’ wet leidt en voor die opvatting geen meerderheid in de ministerraad krijgt, moet kiezen: aftreden of daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Je kan dan niet naar ‘collega’s’ of andere partijen als de eigenlijk verantwoordelijken wijzen.

Als de premier het echt zo’n slechte wet vindt, had hij zich sterk moeten maken voor het voorkomen daarvan. Tijdens de parlementaire behandeling had minister Plasterk zich daartegen dan moeten uitspreken. De minister zei bij de behandeling in de Eerste Kamer in april 2014 echter:

Vorige Volgende