Jona Lendering

637 Artikelen
15 Waanlinks
322 Reacties
Studeerde geschiedenis en vertelt er graag over. Scepticus, recensent, fietser, webmaster (LiviusOrg), Don Quichot, blogger (Mainzer Beobachter) en beheerder van GrondslagenNet. Reist regelmatig in het Midden-Oosten, schreef een paar boeken, gruwt van de zelfmoord van de geesteswetenschappen en droomt van een eigen huis in Downtown Beiroet.

De behoefte aan moralisme

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei komt op het idee een jongen van vijftien een gedicht te laten voordragen bij de Dodenherdenking, waarin hij erop wijst dat zijn oudoom, als SS-er, een foute en onomkeerbare keuze heeft gemaakt. Ook die oudoom mocht niet worden vergeten. Misschien was het kortzichtig van het genoemde comité om dit gedicht te laten voordragen, want het vervolg was voorspelbaar. Er klonken protesten van het CIDI en het Auschwitzcomité, die vinden dat de Dodenherdenking eigenlijk een slachtofferherdenking moet zijn. Het resultaat is bekend: het gedicht werd teruggenomen.

Het relletje bewijst, om te beginnen, dat we nog steeds onze schouders niet ophalen over de gebeurtenissen, zelfs al liggen ze inmiddels zo’n zeventig jaar achter ons. Het is ook goed dat niemand de jonge dichter ook maar iets kwalijk neemt – de discussie gaat niet over hem of zijn gevoelens, die door alle partijen worden gerespecteerd. Dat is eigenlijk allemaal goed nieuws.

Wat me verder opvalt, is dat, zo gauw het CIDI en het Auschwitzcomité hun verontwaardiging hadden geuit, de discussie verliep volgens het door hen gebruikte sjabloon: een tegenstelling tussen daders en slachtoffers. Nu zijn er uiteraard groepen die uitsluitend daders waren en groepen die uitsluitend slachtoffers waren. Maar in de realiteit waren de grenzen niet zo scherp. Althans, dat heb ik gelezen; ik heb het immers niet meegemaakt.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

De vijfde zuil

Wie een moslim vraagt wat zijn of haar geloof inhoudt, zal al snel vernemen dat het draait om vijf dingen, de ‘vijf zuilen’ van het de islam. De eerste daarvan is het inzicht dat er maar één God is en dat Mohammed Diens profeet is. Deze geloofsbelijdenis zul je in het Midden-Oosten enkele keren per dag horen, want ze vormt ook de oproep tot het gebed. Dat gebed vormt de tweede zuil, en zoals bekend wenden de geloven zich daarbij naar Mekka en maken ze verschillende buigingen. De derde zuil is de vastenmaand ramadan, tijdens welke een moslim zich gedurende de dag moet onthouden van drinken en eten. Ten vierde is er de plicht aalmoezen te geven.

De overgrote meerderheid van de gelovigen zal zich hiertoe beperken en ieder geeft er op zijn eigen wijze vorm aan. Ik heb eens een reis door oostelijk Turkije gemaakt met een chauffeur die bleef vasten (hoewel reizigers dispensatie hebben voor de ramadan en ondanks het feit dat hij vijfentwintig man in zijn bus had), maar ik heb ook meer seculiere mensen ontmoet die weinig deden aan de vasten. Mijn buurjongen krijgt elke dag SMSjes die hem in staat stellen zich tot op de minuut te houden aan de gebedstijden, terwijl een goede vriend in Teheran meteen na het opstaan al zijn gebeden opzegt. Zoveel hoofden, zoveel zinnen.

De kop uit het zand?

Een tijdje geleden kwam een geleerde uit Delft in het nieuws, omdat hij meende dat er reden was om aan te nemen dat buitenaardse wezens de aarde wel eens aandeden. De natuurwetten maken dat vrijwel onmogelijk, en geloof in UFO’s geldt om die reden dan ook als pseudowetenschap.

De man sprak over UFO’s in zijn vrije tijd, maar gegeven zijn positie als medewerker van een wetenschappelijke instelling, meende de Delftse universiteit dat het toch beter was een begeleidingscommissie in te stellen (meer). Alleszins redelijk.

Voor een soortgelijk incident gaan we iets terug, toen een Nederlandse oudhistoricus schreef dat de Griekse ingenieur Archimedes met spiegels vijandelijke schepen in brand had gestoken. Als oudheidkundige moet hij hebben geweten dat het niet in de bronnen stond, en als academicus moet hij over voldoende ontwikkeling hebben beschikt om te weten dat dit in strijd was met de natuurwetten. Noch zijn universiteit, noch zijn collega’s zagen in deze verkondiging van pseudowetenschap echter reden een begeleidingscommissie in te stellen.

Het geval was te grotesk om verborgen te blijven. Omdat ik een laagdrempelige website beheer, kreeg ik er vragen over. Ik kan zo snel veertien mailtjes terugvinden van mensen die hun vertrouwen in de wetenschap waren kwijt geraakt.

Wilhelmus

Een storm in een glas water. De burgemeester van Zutphen, zo meldt de krant voor wakker Nederland, heeft bezwaar tegen het zingen van het zesde couplet van het Wilhelmus (dat toch al nauwelijks wordt gezongen) omdat het een religieuze inslag heeft. Ik voor mij vind het wat al te principieel, maar het lijkt me wel een respectabel standpunt.

Jammer, ondertussen, dat er nu over ons volkslied wordt gediscussieerd, want de tekst ervan is gewoon mooi. Het is geen Holland Holland boven alles, het is geen adoratie van de driekleur, het is geen oproep om met onzuiver bloed de akkers te bevloeien, maar een behoorlijk rebelse tekst. Willem de Zwijger beschrijft hoe hij steeds naar eer en geweten heeft gehandeld, dat het wanbeleid van de boven hem gestelde (den Coninck van Hispaengien) hem heeft gedwongen zich te verzetten en dat hij bereid is geweest daarvoor een hoge prijs te betalen – zijn broer Adolf was gesneuveld – omdat hij van mening was dat hij dit verplicht was aan zijn “ondersaten”.

Het is waar: de prins van Oranje beschouwt deze plicht als een religieuze: hij heeft, zoals het in de laatste strofe staat, de koning nooit veracht, maar moet God in gerechtigheid gehoorzamen. Dat laat echter onverlet dat de tekst tevens een profielschets is voor de ideale bestuurder: iemand die zorg draagt voor de gemeenschap en bereid is daarvoor lijf en goed op het spel te zetten. With great power comes great responsibility. Dat is een universeel-humanitaire moraal, die je kunt aantreffen in alle wereldliteratuur van de Ilias tot Spiderman.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Waarom geen aanslag op de belastingdienst?

Geen kerk, maar de accijnstoren in AlkmaarEen kort berichtje van het soort waaraan we gewend zouden moeten raken: een aanslag op een godshuis, één dode. Het is elke keer weer hetzelfde nieuws, alleen de details zijn uitwisselbaar. Dit keer was het een sji’itische moskee in Brussel en de verdachte een soennitische fundamentalist. In januari kregen kerken extra bescherming. Daarvoor was een synagoge in Amersfoort het doelwit. Het verbaast me allang niet meer.

Ik zou er dus aan gewend moeten raken, maar die aanpassing aan de politieke werkelijkheid wil nog niet vlotten. Dat geldt niet alleen voor religieus geweld. Ik ben steeds opnieuw geschokt als ik lees over pedofiliezaken, over het gemak waarmee politici wetenschappelijke inzichten aan hun laars lappen of over het cynisme waarmee onze bestuurders hun persoonlijk belang plaatsen boven het gemeenschapsbelang. (Een blogstukje waarin ik Rutte’s buiging naar de SGP vergeleek met Sarkozy’s opportunistische opmerkingen over Schengen, schoot er dit weekend bij in.) Ik verbaas me niet om wat gebeurt, maar wel over het feit dat het almaar niet went.

Daar wijdde ik een tweet aan. Mijn beste vriend twitterde de vraag terug of ik geschokter was om een aanslag op een godshuis dan als de bom was geworpen naar een belastingkantoor. Goeie vraag. De Occupy-beweging benut een beeldentaal ontleend aan een stripverhaal waarin een parlementsgebouw wordt opgeblazen, en als iemand me zou zeggen dat hij er niet gerust op is dat Occupy zich tot maskerades zal blijven beperken, kan ik alleen erkennen dat hij een respectabel standpunt inneemt.

Toch denk ik dat de overheidsgebouwen veilig zijn. Iedereen moppert op de belastingdienst, maar het gemopper is betrekkelijk goedmoedig, zoals in “Wat heb je tegen ambtenaren? Ze dóen toch niks?” Ik heb ook niet het idee dat de spot met ambtenaren de laatste tijd venijniger is geworden, al zou ik niet weten hoe ik dit kan bewijzen. Kortom, ik zie geen escalatie.

Jezus de hermafrodiet?

Ze zijn ook dit voorjaar weer lekker bezig, die wetenschappers, met het beschadigen van de wetenschap. Dat is een traditie. Dit keer is de hoax dat Jezus misschien een hermafrodiet was.

Wat is het nieuws? Een theologe wijst erop (pdf) dat we, zolang we Jezus’ DNA niet hebben, niet kunnen weten of hij biologisch een man was of alleen maar die rol aannam (en daarin werd erkend). Dat werd dus samengevat tot “Jezus als hermafrodiet“, waarop een andere geleerde terugschrijft dat in de Bijbel over Jezus wordt gesproken als een “hij”. Dat is een ignoratio elenchi, want de theologe had al aangegeven dat Jezus’ mannelijke rol werd erkend. Een beter antwoord zou, althans volgens mij, zijn geweest dat on n’a pas besoin de cette hypothèse.

Dat is het leuke van deze tijd van het jaar: de verrukkelijke aanblik van geleerden die zichzelf en de wetenschap volslagen belachelijk maken. Christenen bereiden zich momenteel voor op het paasfeest en daarom is het voor Bijbelgeleerden nu het seizoen om naar fondsen te vissen. Dat doen ze door middel van overdreven persberichten.

Vorig jaar was het de Britse geleerde Colin Humphreys, die beweerde dat Jezus het Laatste Avondmaal niet op donderdag, maar al wat eerder zou hebben genuttigd. Dat is al in 1957 geopperd, dat is nadien weerlegd op logische gronden (de gevolgde methode wordt selectief toegepast) en dat hoefde dus niet opnieuw te worden gepubliceerd. Humphreys deed het toch, zijn uitgever schreef een persbericht en aangezien journalisten toch nooit de moeite nemen een historicus te bellen, haalde het persbericht verschillende kranten. Gratis reclame.

Het nut van geesteswetenschappen

Passen de geesteswetenschappen nog aan de universiteiten? Voor één vak weet ik het antwoord: voor de oudheidkunde is dit kwestieus aan het worden. De verdere financiering daarvan is namelijk in strijd met het doelmatigheidsbeginsel, omdat de burger voor zijn belastingafdracht slechts oppervlakkige boekjes terugkrijgt. Er zijn enkele goede uitzonderingen, maar de best-verkopende boeken staan vol fouten.

Extra erg is dat de oudheidkundigen de meer geïnteresseerde belangstellenden in de steek laten. Nooit leggen academici uit wat hun methoden zijn. Dan moet je er niet van opkijken als mensen gaan denken dat iedereen wel een geschiedenisboek kan schrijven. De opkomst van kwakhistorici, die een belangrijk deel van de markt hebben overgenomen, is te verklaren doordat oudheidkundigen hun vak inadequaat uitleggen. Zo ontstaan steeds meer zichtbare fouten en krijgen steeds meer mensen een steeds lagere dunk van het vak.

Als je dit met oudheidkundigen bespreekt, zoals ik deed toen ik De klad in de klassieken schreef, geven ze verschillende antwoorden. Dat het populariseren niet hun taak zou zijn, is een leugen. De overdracht staat genoemd in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dat de oudheidkundigen er niet voor betaald krijgen, is wel waar, maar wie dit zegt, zegt ook dat hij niet wil profiteren van de enorme markt. Elke cent die verdwijnt in de portemonnee van een kwakhistoricus, had óók onze universiteiten ten goede kunnen komen, mits de academici boeken zouden hebben geschreven die wél goed zijn.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Het is de moraal, stommeling

De directeur van een woningcorporatie, zo lees ik, laat zijn organisatie achter op de rand van bankroet. Evengoed neemt hij een bonus mee van 3,5 miljoen euro. Dat is wrang, en daarom wil Kamerlid Monasch “het hele juridisch arsenaal uit de kast halen” om het terug te vorderen. Ook minister Spies vindt de beloning “ongepast”.

Allemaal praatjes voor de bühne. Als Monasch werkelijk zou denken aan juridische stappen, sprak hij met een advocaat en niet in de Kamer. Mijn eerste reactie was daarom dit terzijde te schuiven als de zoveelste stommiteit waarmee de burger kopschuw wordt gemaakt voor de politiek.

Maar juist doordat ze voor het publiek spelen, refereren Monasch en Spies aan een visie die bij de burger wat meer leeft dan bij de technocraten aan de top: dat de hoogte van een beloning wordt bepaald door ethische normen over wat aanvaardbaar is. De klassieke verwoording van dit standpunt is die van J.S. Mill in zijn Principles of Political Economy (ii.1.2).

Velen rekenen er nog altijd op af. Toen de huidige misère begon, was de eerste reactie – een klacht die nog dagelijks te beluisteren valt – dat de bonuscultuur niet deugde. Nu gaan er inderdaad miljarden op aan bonussen, maar de omvang van de problemen wordt uitgedrukt in biljoenen. Het gaat dan ook minder om een economisch dan een moreel oordeel: de klachten drukken uit dat onverantwoorde risico’s niet behoren te worden beloond.

Die verdraaide babyboom toch

Fel stuk op GeenStijl gisteren. Lees het eerst maar even hier.

***

Bent u er weer? Het gaat me niet om de concrete aanleiding (de affaire-Kinneging) en ook niet om Rutger Castricum, maar om de eigenlijke analyse. Wat mij daaraan opvalt, is dat ze nog zo sterk de sfeer uitstraalt van de jaren tachtig. De jongeren destijds analyseerden messcherp dat veel van de toenmalige bezuinigingsmaatregelen ten koste gingen van (a) jongeren en (b) de samenleving als geheel, en dat de generatie die de mond vol had gehad van idealen, haar eigen positie nooit ter discussie stelde. De babyboom was bezig met wat Rudi Dutschke de “Lange Mars door de Instituties” had genoemd, en was daarbij het hogere doel een beetje uit het oog verloren.

Het meest cynisch was, in mijn beleving, dat de babyboomers kortingen kregen op de aflossing van hun studieschulden, die werden gefinancierd door commerciële rente te rekenen aan de zittende studenten. De Utrechtse socioloog Becker rekende hen tot “de verloren generatie”, Doug Coupland schreef over Generation X, en een schitterend beeld van de ontgoocheling van die tijd is te vinden in Jan van Akens roman Het fluwelen labyrint.

GeenStijl beschouwt het optreden van Rutger Castricum als een goede manier om de hypocrisie van de babyboom te ontmaskeren. Dat roept twee vragen op. In de eerste plaats: wie moet daar dan nog van worden overtuigd? In elk geval niet de verloren generatie. In de tweede plaats: inmiddels verdedigt die verloren generatie hardnekkig en taai háár posities. We zouden een actuelere analyse verwachten, zo na een kwart eeuw.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Schrikkeldagen en schrikkelmaanden

Eens in de vier jaar een schrikkeldag, maar niet in jaren deelbaar door honderd en weer wel als het jaarnummer deelbaar is door vierhonderd: echt makkelijk is het niet, maar nuttig is het wel. Door te schrikkelen, loopt de kalender namelijk in de pas met de seizoenen. Augustus blijft een zomermaand, februari blijft een wintermaand.

Voor ons is dat niet meer zo heel belangrijk, maar toen Julius Caesar de kalender met de schrikkeldag invoerde en toen paus Gregorius XIII de huidige regels invoerde, waren er nog religieuze feestdagen die aan de seizoenen waren gekoppeld. Het was handig als het feest voor de graanoogst ook plaatsvond als er iets te oogsten viel, en het was eveneens gemakkelijk als de vastentijd viel in een tijd waarin het eten toch al bijna op was.

Het blijft echter een raar ding, zo’n schrikkeldag, en we mogen blij zijn dat Julius Caesar een einde maakte aan het daarvoor bestaande systeem, waarin men complete maanden invoegde. Dat was immers het principe van de oudste kalenders, waarin men probeerde twaalf manen in één zonnejaar te stoppen.

En dat kan dus niet. De periode tussen twee volle manen is 29½ dagen, zodat twaalf maanmaanden 354 dagen duren, ofwel elf dagen minder dan één zonnejaar. De oude Babyloniërs, die zich er als eersten het hoofd over hebben gebroken, ontwierpen daarom eerst een cyclus van acht jaar, waarvan er vijf twaalf maanden hadden en drie dertien. Later werd dit verfijnd tot een cyclus van negentien jaar, waarvan er zeven een schrikkelmaan hadden.

Hedendaagse tempeliers (1)

De Standaard (hier te lezen in de Google cache) vermeldt het op zich triviale feit dat de Vlaming Guy Fosté, in het dagelijks leven marketeer voor een energiebedrijf, is verheven tot “personal piper to the most noble comte Eric Hugh de Montgomery”. Ik houd van dit soort titels, en geniet dubbel als ik vervolgens lees dat Eric Hugh de Montgomery “Sovereign Grand Commander” is van “The Order of the Fleur de Lys“.

En daarmee hebben we het ineens over de Tempeliers. U weet wel, de geheimzinnige ridderorde die opduikt in alle complottheorieën en die te maken heeft met alle gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis. Het is weinig bekend dat ze onder een andere naam nog altijd bestaan.

Het begint met de Kruistochten. In 1071 versloegen de Seljukische Turken de Byzantijnen in de slag bij Manzikert, waarover ik al eens blogde. De verslagen partij zocht steun in het westen, die in groten getale kwam: tienduizenden soldaten hielpen de Byzantijnen een deel van het verloren gebied heroveren, en trokken vervolgens naar Jeruzalem, dat in 1099 werd ingenomen. Vanaf dat moment lagen er verschillende vorstendommen aan de oostkust van de Middellandse Zee, bestuurd door christelijke heersers, waarvan er een de trotse titel “koning van Jeruzalem” voerde. Onthoud die even, ik kom erop terug.

Amsterdamse dodenherdenking

Mijn liefde voor onze hoofdstad maakt me niet blind voor haar gebreken, en daaronder reken ik haar onvermogen een fatsoenlijk monument op te richten om de Tweede Wereldoorlog te herdenken. Aan de Rubensstraat is een inscriptie voor Gerhard Badrian met een spelfout, de toelichting op het Auschwitzmonument bevindt zich achter een immer beslagen glasplaat, de doorgezaagde steen in het voormalige Huis van Bewaring aan het Leidseplein bevat een lelijke vlek.

Gelukkig zijn andere monumenten wel in orde, zoals het plantsoen dat is gewijd aan Henk van Randwijk, de oprichter van het illegale blad Vrij Nederland. Daarop bevindt zich de beroemde regel

Een volk dat voor tirannen zwicht,
zal meer dan lijf en goed verliezen,
dan dooft het licht.

De foto hierboven toont de treurige staat waarin het monumentje zich al een tijdje bevindt. Het is niet voor het eerst dat zoiets gebeurt: iemand heeft er ooit – medio jaren tachtig denk ik – onder geschilderd “voor een volk dat de ogen sluit, is het licht al jaren uit”. Dat is er ook opvallend lang blijven staan.

Vorige Volgende