Jona Lendering

637 Artikelen
15 Waanlinks
322 Reacties
Studeerde geschiedenis en vertelt er graag over. Scepticus, recensent, fietser, webmaster (LiviusOrg), Don Quichot, blogger (Mainzer Beobachter) en beheerder van GrondslagenNet. Reist regelmatig in het Midden-Oosten, schreef een paar boeken, gruwt van de zelfmoord van de geesteswetenschappen en droomt van een eigen huis in Downtown Beiroet.

Liefde en orientalisme

Twee weeskinderen, het meisje Dodala en de jongen Zam, groeien op in een schip, dat ergens middenin de woestijn ligt. Om in leven te blijven, haalt hij water en verleent zij, in ruil voor voedsel, seksuele diensten aan karavaanreizigers. Uiteraard raken ze elkaar kwijt, zoeken ze elkaar, en hebben ze elkaar tegen het einde gevonden. Habibi, de vorig jaar verschenen graphic novel van Craig Thompson, is een smartlap.

En toch. Het lijvige boek blijft boeien doordat het in feite niet gaat over de twee weeskinderen. Thompson gebruikt hun avonturen slechts om de lezer mee te nemen door de islamitische wereld, waarvan we zo’n beetje alle aspecten te zien krijgen: getekende versies van legendes en volksverhalen, de poëzie van Rumi, de folklore van de islamitische kalligrafen. De paleizen die we bezoeken illustreren de architectuur van het Nabije Oosten, sommige pagina’s zijn opgemaakt als oosterse tapijten. We zien echter ook de moderne Derde Wereld-steden, waar klaplopers profiteren van de goedgeefsheid van de enige bewoner die zo handig was een waterzuiveringsapparaat te bouwen.

Pagina, opgemaakt als tapijt

Die bewoner heet Noach, en de Zondvloed die zijn leven beheerst, is het afval van een enorme stad, waarin de bewoners dreigen te verdrinken. Het is een van de mooie manieren waarmee Thompson een oud verhaal zó ombuigt dat het weer modern en actueel is. Zo blijft de lezer, ondanks het larmoyante karakter van het verhaal, wel bij de les.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Moppen over Homs

Komt een Homsi in een elektronicawinkel in Aleppo. “Mag ik deze televisie van u?”, vraagt hij.

“Die verkoop ik niet aan jou, domme Homsi,” zegt de verkoper.

De man uit Homs vraagt zich af hoe de verkoper kan weten waar hij vandaan komt, en begrijpt dat het zijn accent moet zijn. De volgende dag gaat hij opnieuw naar de winkel, neemt de televisie weer naar de kassa, en imiteert de Aleppijnse tongval. “Mag ik deze televisie van u?”.

“Die verkoop ik niet aan jou, domme Homsi.”

Omdat de man uit Homs toch graag een televisie wil kopen, gaat hij naar een spraakleraar, om te leren meer op iemand uit Aleppo te lijken. Daarna gaat hij opnieuw naar de winkel.

“Mag ik deze televisie van u?”.

“Die verkoop ik niet aan jou, domme Homsi,” zegt de winkelier, “en zet nu die wasmachine terug.”

Subtiel is anders, maar het is een mop van de soort die ze in Syrië vertellen. De bewoners van Homs gelden daarin als uitgesproken dom, en gelukkig kunnen ze daar zelf ook om lachen. Of konden daar om lachen, want de laatste tijd valt er om Homs en zijn bewoners niet zo heel erg veel te lachen.

Ik verander even van onderwerp. De westerse wereld is nu alweer tien jaar in conflict met – laten we het gemakshalve de islamitische wereld noemen, het gaat me nu even niet om de precieze definitie van de vijand. (Ik geloof dat onze politici het ook niet precies weten.) De situatie doet me soms denken aan de Koude Oorlog, toen de westerse samenleving zich eveneens bedreigd voelde door een vijand die een vijfde colonne zou hebben in West-Europa, toen politici wedijverden in harde retorica en de zaken van tijd tot tijd ook behoorlijk spannend waren.

De joodse Jezus

Het belangrijkste boek dat een oudhistoricus moet lezen is, momenteel, John P. Meiers briljante A Marginal Jew. Rethinking the Historical Jesus. Ik realiseer me dat veel oudheidkundigen zullen zeggen dat het onderzoek naar het leven en de opvattingen van de timmerman uit Nazaret eigenlijk het werk is van theologen, maar dat oordeel is gebaseerd op een onjuist begrip van de “derde speurtocht”, die historisch van aard is. Sterker nog, het zoeken naar de historische Jezus is het innovatiefste en methodisch geavanceerdste deel van de oude geschiedenis. En daarbinnen is A Marginal Jewsimpelweg het beste boek.

Of beter: boeken. Oorspronkelijk zou het gaan om drie delen, die zijn verschenen in 1991, 1994 en 2001. De voornaamste conclusies zullen echter worden gepresenteerd in het vijfde deel. Het vierde deel is in 2009 verschenen, brengt het totale aantal bladzijden op 2990 en behandelt Jezus als rechtsgeleerde. Als een rabbi, om de oude Joodse uitdrukking te gebruiken. Jezus is immers binnen het Jodendom gebleven, en dat wil zeggen dat de historische Jezus alleen de Joodse Jezus kan zijn, een cliché dat Meier uitlegt door uit en te na te herhalen dat de Joodse Jezus de halachische Jezus is.

Met andere woorden: hoe ging Jezus om met de Wet van Mozes? Het is misschien schokkend dat deze vraag nog zo zelden wordt behandeld, terwijl het toch de kernvraag moet zijn. Jezus brak niet met zijn geloof en dus moet hij worden geanalyseerd als een rechtsgeleerde, maar de meeste boeken over Jezus negeren deze kwestie.

Advies aan de Koninklijke Marine

De recente bezuinigingen op de Nederlandse strijdkrachten nopen tot ongewone maatregelen. Behulpzaam als ik ben, verwijs ik de commandanten van de Koninklijke Marine graag naar de onderstaande gebeurtenis uit de Uruguayaanse Burgeroorlog:

It was in South America. The officer wasCommodore Coe of the Montevidean navy, in an engagement with Admiral Brown of the Buenos Ayrean service. The commodore’s ship had exhausted her ammunition, and the first lieutenant came excitedly to the commodore asking, ‘What are we to do, sir? The lockers are empty.’

‘All empty?’ asked the commodore.

‘Every one of them,’ said the lieutenant — ‘round shot, grape, canister, double-head, all gone!’

‘Is the powder done?’ asked the commodore.

‘No, sir, we’ve plenty powder.’

‘Well,’ said the commodore, ‘we had a darned hard Dutch cheese at dinner to-day; do you remember?’

‘I ought to,’ said the other, ‘I broke the carving-knife trying to cut it.’

‘Are there any more aboard?’

‘About six dozen; we took them from a droger.’

‘Will they go into the 18-pounders?’

‘By thunder! commodore,’ cried the lieutenant, ‘that’s an idea. I’ll go and try ’em.’

Presently the guns of their ship, the ‘Santa Maria,’ re-opened fire. Admiral Brown, on the opposing ship, found shot after shot flying over his head. Presently one of them struck his mainmast, and as it did so, shattered and flew in every direction. ‘What, in all creation, is that the enemy is firing?’ exclaimed the startled admiral.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Taalfouten

Ik heb al eens eerder geblogd over het aanleren van Nederlands als tweede taal. Een goede vriendin heeft daar momenteel een dagtaak aan, en ik kan niet anders dan zeggen dat mijn bewondering voor haar en haar mede-cursisten met de dag toeneemt. Vandaag hebben ze hun tweede toets gehaald.

Je zou echter kunnen gaan twijfelen aan het niveau van de cursus als je leest wat de deelnemers elkaar zoal schrijven op hun Facebook-pagina’s. Ergens zag ik een foto van de cursisten bij een tramhalte, met het onderschrift “Wacht aan de tram voor onze last dag”. Iemand bedankt voor de “echt mooi foto”. Weer een ander geeft zichzelf “Een bos blommen voor ikzelf omdat ik geslaagd ben”, waarop iemand weer antwoordt “Was dat een cadeautje van jouw voor jouw?”

Je kunt inderdaad twijfelen aan het niveau van de cursus, en er zijn Haagse politici (model schaap in wolfskleren) die vinden dat zulke cursussen maar geldverspilling vormen. Er wordt naar zulke politici geluisterd; ik kreeg drie dagen geleden nog een venijnig mailtje over mijn Sonneveld-stukje.

Zulke kritiek op de cursisten, op de cursus en op de docenten is echter buitengewoon misplaatst, vlerkerig en onnadenkend. Deze buitenlanders zijn nu vijf of zes maanden in ons land, en ze schrijven al hun Facebook-pagina’s in het Nederlands. U begrijpt perfect wat ze bedoelen. Ik heb grote bewondering voor de cursisten.

ET vermijdt ons

Het is een bekende grap: het beste bewijs dat levensvormen in ons heelal intelligent zijn, is dat ze nog geen contact met ons hebben gezocht. Al een jaar of acht geleden, en misschien wel meer, werd het gelijk van de moppentapper voorgerekend. Daarvoor was geen hogere wiskunde nodig; ik heb het al eens eerder uitgelegd.

De crux is dat er alleen al in ons Melkwegstelsel niet minder dan 400.000.000.000 sterren zijn. Als er daarvan slechts één op de tien planeten heeft, en als slechts één op de honderd daarvan voldoet aan de voorwaarden waaronder leven ontstaat, en als op slechts één op de duizend daarvan intelligent leven is ontstaan, moeten er nog altijd zo’n 400.000 plekken zijn die onze radio-astronomen zouden opvallen. Daar wordt al heel lang naar gezocht, op allerlei frequenties, en er is nog steeds niets gevonden. Dit gebrek aan bewijs voor iets wat zeer frequent moet voorkomen, staat bekend als de Fermiparadox.

Er zijn verschillende oplossingen, die óf statistisch onaannemelijk zijn (“de mensheid is de eerste”), óf pure science fiction (“ze zoeken met opzet geen contact met ons”) óf complotdenken (“het bewijs wordt achtergehouden”). Het grote aantal oplossingen bewijst dat we te maken hebben met een vertrouwd probleem zonder veel nieuwswaarde. Daarom stoort het me dat ik er vanmorgen weer opnieuw over moest lezen.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

De farce van het Nationaal Historisch Museum

De farce rond het Nationaal Historisch Museum blijft de gemoederen bezig houden. Bas Heijne wijdde er onlangs een boek aan en medievist Henk ‘t Jong zei er gisteren verstandige dingen over (hier). Beide heel lezenswaardig.

Ik heb er zelf voortdurend een ongemakkelijk gevoel bij gehad. Eén reden was persoonlijk, namelijk dat ik in een vroeg stadium ben geciteerd als voorstander van de nationale canon die het museum aanvankelijk geacht werd te zullen presenteren. De reden was dat ik in een boekje aan immigranten had uitgelegd hoe Nederlanders hun verleden graag zien. De eerste zin maakte al duidelijk dat ik het beschouwde als een mythografie. Dat de voorstanders van een canon me als geestverwant rekruteerden – en dat ze dus een mythe niet van geschiedenis konden onderscheiden – gaf mij een ietwat nare bijsmaak bij wat op zich leuk projecten hadden kunnen zijn: vijftig vensters op het verleden en een daaraan gewijd museum.

Voor het goede begrip: ik had, en heb, er geen eenduidige mening over. Ik zie het voordeel van een canon voor het onderwijs, maar het is wel een ladder die, na te zijn beklommen, dient te worden weggeworpen. Geschiedenis is immers vooral een open dialoog, een discussie zonder einde, die echter toch ten einde komt als er een canon is.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

In de lik na een computerfout?

“Dan halen we de politie d’r toch bij!” Het werd echt tegen me gezegd maar het kón niet waar zijn. Ik was werkelijk onschuldig aan het mij ten laste gelegde: zwart rijden met de trein. De hele situatie was absurd. Maar ik zat er middenin en het leek erop dat ik een nacht zou gaan doorbrengen in een politiecel.

Ik was onderweg van Schagen naar Amsterdam. Ergens bij Heerhugowaard had een conductrice mijn kaartje gezien en mijn kortingkaart gescand. Er was niets mis mee geweest. Nu, tussen Castricum en Zaandam, werd ik opnieuw gecontroleerd en dit keer zou mijn kortingskaart ineens al acht maanden verstreken zijn. Gek toch dat het zojuist niet was gezien. Of de dag ervoor in de trein uit Den Haag. Of de dag daarvoor in de trein naar Den Haag.

Ik probeerde de conducteur uit te leggen dat zijn collega nog geen kwartier daarvoor geen problemen had geconstateerd, maar hij was het stadium van het vaststellen van de feiten al voorbij. Of ik me, nu de overtreding was geconstateerd, maar wilde legitimeren. Omdat ik die middag geen redelijke aanleiding had gehad te vermoeden dat ik me die avond zou moeten legitimeren, had ik natuurlijk geen paspoort bij me, waarop me werd aangekondigd dat ik op het volgende station zou worden overgedragen aan de politie.

Institutionalisering is een drug

In 1806 versloeg Napoleon de legers van Pruisen in de slag bij Jena. Het jaar ervoor had hij Oostenrijk en Duitsland bij Austerlitz al vernederd, en hij had langs de Rijn al een reeks vazalstaatjes gesticht. Midden-Europa was door-en-door geschokt en in Duitsland was men ervan overtuigd dat alles anders moest. In de Pruisische hoofdstad Berlijn trad, onder leiding van Heinrich Reichsfreiherr vom und zum Stein, een van de meest vernieuwingsgezinde kabinetten aan die de wereld ooit heeft gezien.

Onderwijs ressorteerde onder minister Wilhelm von Humboldt, een bekende taalkundige en een persoonlijke vriend van de beroemdste classicus van die tijd, Friedrich August Wolf (1759-1824). Zij samen zijn de architecten van de oudheidkunde, zoals die tot op de huidige dag bestaat: Wolf als architect en Von Humboldt als uitvoerder.

Oudheidkunde, zo redeneerde Wolf, had geen duidelijk doel, maar wie Grieks leerde, zou leren denken zoals de oude Grieken, en dus even slim, creatief, briljant en nobel zijn – allemaal eigenschappen die men aan het begin van de negentiende eeuw toeschreef aan de antieke cultuur. Wilde Duitsland zich herstellen, dan moest al het onderwijs zijn gericht op de navolging van de Grieken. Von Humboldt richtte daartoe gymnasia op en stemde het onderwijs aan de nieuwe, Berlijnse universiteit daarop af.

Migrantenliteratuur

De website van Peter Breedveld, Frontaal Naakt, opent vandaag met een stuk over migrantenliteratuur. Het is wat provocerend bedoeld en heeft daarom de rauwe titel Fuck Mimoun, maar schrijver Özcan Akyol slaat raak.

In de eerste plaats wijst hij erop dat migrantenliteratuur altijd weer zo stereotiep is. Het gaat altijd over de geit in het geboortedorp en over arme sloebers. Een onberispelijke constatering. In de tweede plaats oppert Akyol dat de meeste auteurs niet zonder redactionele ondersteuning kunnen. Dat is in elk geval ook mijn indruk. (De Turks-Nederlandse auteur met wie ik ooit een leuke avond doorbracht, vertelde me dat hij trots de steun van een redacteur had geweigerd, en eerlijk gezegd denk ik dat die trots misplaatst was.) En tot slot wijst Akyol erop dat veel migrantenschrijvers door de mand vallen als ze op tv commentaar moeten geven op de actuele situatie in hun eigen land of in het huidige Nederland. Aangezien ik geen tv kijk, onttrekt zich dat aan mijn waarneming, maar ik geloof het ongezien.

Tot zover Akyol. Er is ook iets te zeggen over de autochtone reactie op migrantenliteratuur. Ze wordt namelijk altijd gelezen alsof het eenvoudige verhalen zonder dubbele bodems zijn. Nu zijn het in de regel ook verhalen waarin Mimoun en zijn geit nogal direct van A naar B gaan, maar het is opvallend dat het nauwelijks wordt herkend als een van de auteurs eens afwijkt van dit patroon.

De geboorte van een stadswijk

Apeldoorn is al ruim duizend jaar oud en stadhouder-koning Willem III heeft er een buitenhuis aangelegd (Het Loo), maar het werd pas echt een stad nadat het in de jaren zestig van de vorige eeuw in twee opeenvolgende nota’s Ruimtelijke Ordening werd aangewezen als groeikern. Ik ben opgegroeid in een van de uitbreidingswijken, Zevenhuizen. Ruim aangelegd met veel groen, een dozijn lagere scholen, een zwembad, een buurthuis, opbouwwerk, vijvers, een centraal park, een jongerencentrum en opvallend veel kerken.

Een gemeenschap kon je de verzamelde bewoners echter niet noemen. Een van mijn vriendjes kwam uit Pijnacker, een tweede van de Antillen, de derde uit Groningen. Er was weinig wat de bewoners verbond, en omdat dus niemand precies wist wat een Zevenhuizenaar tot een Zevenhuizenaar maakte, was men – zoals ik het heb ervaren – vooral tegen alles wat afweek. Toen ik rond mijn veertiende mijn enkel verstuikte en niet op de gebruikelijke manier kon fietsen, werd ik eens toegesproken door een wildvreemde die me voorhield normaal te fietsen.

Op een kwade of mooie dag (in 1979 of zo) concludeerde de gemeente dat er nog iets ontbrak. Wat is een moderne gemeente immers zonder moderne kunst? En dus stond er, van de ene op de andere dag, langs de Laan van Zevenhuizen (en wel hier) een kunstwerk. Het bestond uit enkele tientallen verroeste staalplaten, opgesteld in lange rijen. Het had iets van een tankversperring, en zo heette het dan ook binnen enkele uren.

De grote OV-Chipkaart-truc

[met update] Het jaar is pas zeventien dagen oud, maar ik ben er vrij zeker van dat we in de overige 95% van dit jaar geen stuitender eufemisme zullen zien dan dit:

,,De positieve effecten van de invoering van de ov-chipkaart leiden ertoe dat de komende jaren nog geen drastische bezuinigingen worden doorgevoerd in het Amsterdamse OV.”

De rest hier. En jawel, er wordt gewoon toegegeven dat de inkomsten van de openbaar vervoer-bedrijven zijn vergroot. Ofwel: we zijn – anders dan ons was toegezegd maar zoals we allemaal zagen aankomen – meer gaan betalen voor dezelfde dienst. En knap fors ook, want de voorgenomen bezuinigingen op het Amsterdamse openbaar vervoer logen er niet om.

Ik zou cynisch mijn schouders moeten ophalen, gewend aan de leugens van de overheid. Ik zou moeten zeggen “zo is het nu eenmaal” en ik zou moeten denken “verspil je energie aan iets waar nog wat aan valt te verbeteren”. Maar het wil almaar niet wennen. Ik blijf kwaad. En ik geloof dat ik niet de enige ben.

Update

Bericht in Het Parool: het extra geld dat naar Amsterdam vloeit, komt doordat men, toen men van de strippenkaart naar de ov-chipkaart overging, een andere verdeelsleutel ging toepassen. Dat verandert de zaak. Een beetje dan. Amsterdammers hebben dus jarenlang te veel betaald, en daaraan komt nu een eind. Een sigaar uit eigen doos.

Vorige Volgende