Jona Lendering

637 Artikelen
15 Waanlinks
322 Reacties
Studeerde geschiedenis en vertelt er graag over. Scepticus, recensent, fietser, webmaster (LiviusOrg), Don Quichot, blogger (Mainzer Beobachter) en beheerder van GrondslagenNet. Reist regelmatig in het Midden-Oosten, schreef een paar boeken, gruwt van de zelfmoord van de geesteswetenschappen en droomt van een eigen huis in Downtown Beiroet.

Het doel van cultuursubsidies

OPINIE - Waarin de auteur wel enige sympathie op kon brengen voor Halbe Zijlstra en zijn bezuinigingen op de kunstsector, en pleit voor een betere bedrijfsvoering in kunstinstellingen.

Subsidiëring van de culturele sector brengt risico’s met zich mee. Ik heb al eens verteld dat ik de indruk had dat er voor de podiumkunsten twee gevaren dreigden. Ten eerste worden commerciële producties uit de markt gedrukt (zelfs Joop van den Ende kon het niet bolwerken in een veld waar de meeste gezelschappen hun kosten kunnen doorschuiven). Ten tweede worden de producties zó gemaakt dat ze een goede indruk maken op een subsidiecommissie, en dat wil niet per se zeggen dat u en ik er plezier aan beleven.

Ik heb ook eens gewezen op een incident, een tijdje geleden, dat ik een zaal huurde van een gesubsidieerde culturele instelling, en almaar de nota niet kreeg toegestuurd, zelfs niet nadat ik expliciet en meer dan eens had aangedrongen. Men was domweg niet geïnteresseerd in een gezonde exploitatie.

Nieuw logo

Ik had daarom wel enige sympathie voor de beslissing van Halbe Zijlstra om het mes in de subsidies te zetten. Er is verspilling en ik ben er niet zeker van dat subsidie werkelijk leidt tot een gevarieerd cultureel leven. Een andere vraag is hoe die bezuinigingen moesten vallen. Ik zou zelf hebben gewild dat organisaties die niet streven naar een normale bedrijfsvoering, de meeste subsidie kwijtraken. Dat is echter evident niet gebeurd. Het Rijksmuseum verspilt bijvoorbeeld momenteel een hoop geld aan een nieuw logo. Ik wil, als dit najaar de definitieve bezuinigingen op de musea worden vastgesteld, directeur Wim Pijbes niet horen jeremiëren dat hij nou een Vermeer moet verkopen.

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Vertraagd slaapritme

Mensen met een verslaagd slaapritme hebben niet te weinig discipline, maar een genetisch veroorzaakte ziekte. 

Het delayed sleep phase syndrome (DSPS), waarover ik al eens eerder blogde, houdt in dat je biologische klok enkele uren achterloopt bij die van andere mensen. Wie ermee kampt en bovendien (zoals de meeste Nederlanders) een kantoorbaan heeft, beweegt zich weinig alert door de ochtendspits, doet zijn werk minder efficiënt dan zijn collega’s, houdt zich op de been met sloten koffie, is ’s avonds ineens vol energie, valt pas om drie uur in slaap en wenst de wekker om zeven uur ’s morgens naar de hel.

Vier uur slaap per nacht is te weinig. Mensen met DSPS halen het meestal in de weekends in, maar vaak zijn ze zondagavond nog altijd niet uitgerust. Dat vergroot de kans op enkele ernstige en minder ernstige kwalen en kwaaltjes.

DSPS heeft een genetische oorzaak en kan niet worden genezen. Zelf slik ik melatonine, wat me lijkt te helpen om een maatschappelijk iets meer aanvaard slaapritme vol te houden. Een paar weken terug boekte ik een kleine triomf die ongetwijfeld op ieders lachspieren werkt maar die voor mij niettemin heel reëel was: afgelopen zaterdag ben ik erin geslaagd een afspraak die ik om elf uur in Utrecht had, na te komen zonder dat ik ter plekke zat te knikkebollen.

In de trein naar huis las ik het paginagrote artikel dat journaliste Niki Korteweg die dag in het Handelsblad publiceerde over de verbanden tussen slapeloosheid en bovengemelde reeks ernstige en minder ernstige kwalen en kwaaltjes. De onderzoekers Lucia Talamini (UvA) en Torbjörn Åkerstedt vertellen dat wie te weinig slaapt, een grotere kans op depressie heeft. Het gaat hier niet slechts om een statistische correlatie, maar om een steeds scherper begrip van de werking van het hersengebied dat amygdala heet.

Een voor mij (140 kilo) heel herkenbaar deel van Kortewegs artikel gaat over het verband tussen slaapgebrek en obesitas. Vermoedelijk is daarover ergens een congres geweest of is er een boek over verschenen, want niet alleen het Handelsblad maar ook SciencePalooza besteedde recent aandacht aan het verband tussen die twee. U leest het daar en ik beveel het u van harte aan.

Het is goed dat er onderzoek is en nog beter dat er aandacht aan wordt besteed. Het belangrijkste probleem rond DSPS is namelijk dat veel mensen het idee hebben dat het slechts een kwestie is van gebrek aan discipline. Mensen worden ’s morgens zo moeilijk wakker, is de gedachte, omdat ze ’s avonds zo laat naar bed gaan. Deze opvatting – die in ons calvinistische land overal is te horen – kan grote gevolgen hebben voor de betrokkenen. Ik heb ooit iemand ontmoet die als beleidsmedewerker niet aan de verwachtingen voldeed, was overgeplaatst naar het archief en van zichzelf was gaan geloven dat hij lui was, eigenlijk niets goed kon en asociaal was: voor zijn collega’s deed hij op het werk immers nooit iets met de inzet waarmee hij ’s avonds zijn eigen dingen kon doen. Het was voor hem een openbaring toen hij van een arts hoorde wat DSPS was en begreep dat hij zichzelf nodeloos veel verwijten had gemaakt.

Dat wil overigens niet zeggen dat mensen met DSPS hun eigen moeilijkheden nooit zelf vergroten. Ik ben lid geworden van een vennootschap en kan sindsdien mijn eigen werktijden indelen, zodat ik ’s avonds werk. Het zijn de enige uren waarop ik efficiënt werken kán, maar ik staar dus vaak naar het licht van een monitor, en dat houdt me natuurlijk wel wakker. Ik was dan ook blij toen ik, nadat ik vanmorgen een tweet aan het SciencePalooza-stuk had gewijd, van een aardige twitteraar de tip kreeg f.lux te installeren, een programma dat het licht van de monitor aanpast. Dank je wel!

Foto: Sargasso achtergrond wereldbol

Partij Blanco

Cynisme, cynisme, cynisme. En dan moeten we gaan stemmen?

Een kennisje van me mag dit jaar voor het eerst stemmen. Ze neemt het heel serieus en heeft vorige week een dag lang alle verkiezingsprogramma’s gelezen. Ik ben een beetje jaloers, want ik kan Den Haag steeds minder serieus nemen. Nu roept iedereen wel eens dat we worden geregeerd door gekken, dat politici te dom zijn om een echte baan te vinden of dat we vermakelijkheidsbelasting moeten heffen op de Haagse kermis. Zulke sneren zijn gewoonlijk een hyperbool, maar langzamerhand begin ik het gevoel te krijgen dat er écht iets mis is. Ik twijfel niet aan de integriteit van de Kamerleden, maar wel aan hun capaciteit.

Eerste bezwaar: men doet steeds meer alsof politiek een zero sum game is. Partij A zal tot elke prijs willen voorkomen dat partij B gelijk krijgt, omdat het dan lijkt dat partij A ongelijk heeft. We hebben momenteel een premier die geen positieve redenen kan noemen waarom we zijn partij (waarop ik wel eens heb gestemd) zouden moeten steunen, maar die wel wil verhinderen dat “de socialisten” de verkiezingen winnen. Ik zou zo graag weer politici zien die nadachten over het belang van de samenleving, die konden toegeven dat andere partijen ook wel eens goede ideeën hebben en die niet te beroerd zijn het heilige eigen gelijk op te geven.

Archeologisch non-nieuws

De bestudering van de Oudheid is een zinvolle bezigheid. Oudheidkundigen maakten een eind aan de letterlijke uitleg van de Bijbel en legden zo de grondslag van de Verlichting. Darwins evolutietheorie is geïnspireerd door de wijze waarop classici oude teksten reconstrueren. De krankjorume racistische theorieën van het nationaal-socialisme hadden alles te maken met gemakzuchtige uitleg van antieke etnografische literatuur. Oudheidkundigen dragen bij aan de vorming van onze cultuur en samenleving. Hun vak is belangrijk.

Dat de media aandacht aan de oudheidkunde besteden, is daarom terecht. Het gaat echter zo vaak verkeerd dat ik daar elke week twee of drie keer over kan bloggen. Vandaag is het een Nu.nl-bericht over het oude Egypte en morgen is het weer iets anders.

“Na tien jaar onderzoek heeft de Amerikaanse archeologe Angela Micol mogelijk een opmerkelijke vondst gedaan. Micol denkt twee nieuwe piramides te hebben gevonden in Egypte.”


Dat klinkt aardig, maar wie verder leest ontdekt twee dingen, en je hoeft geen oudheidkundige vooropleiding te hebben om te weten dat het bericht over Micol, althans in deze vorm, niet juist kan zijn.

“Ze ontdekte de bouwwerken via Google Earth. Op twee verschillende locaties in Egypte zijn via het programma ongebruikelijk gevormde vierhoekige ‘bergen’ gevonden die er mogelijk op wijzen dat daar piramides liggen verscholen.”

Het lichaam als staatsbezit

Nederland heeft een erkend onpraktisch en kostbaar systeem voor orgaandonatie, waarin mensen zich moeten laten registreren als donor. Waarom niet andersom? Waarom is niet iedereen automatisch donor, met een registratiesysteem voor de weinigen die er bezwaar tegen hebben? Niet alleen is dat eenvoudiger, er komen zo ook meer organen ter beschikking, waardoor de wachtlijsten korter kunnen.

Dat simpele systeem is wel eens voorgesteld. Ik denk dat het in 1994 is geweest. De kwestie speelde al een tijdje, en CDA-leider Elco Brinkman wilde – nogmaals: als ik het me goed herinner – instemmen met een voorstel om een systeem in te voeren waarin artsen zouden aannemen dat iemand donor was tenzij hij als niet-donor was geregistreerd.

Het was echter verkiezingstijd en de leider van de oppositie, Frits Bolkestein (VVD), had aan een half woord genoeg. Brinkman, zo zei hij, wilde onze lichamen “tot staatsbezit maken”. Onzin natuurlijk, maar hij bereikte ermee dat Brinkman kort voor de verkiezingen zijn standpunt aan de eigen achterban moest uitleggen. Het was één van de redenen waarom de christendemocraten de verkiezingen zó gigantisch verloren dat een paars kabinet de enige oplossing was.

Dat moest nu een wet maken voor de orgaandonatie. De makkelijkste oplossing was, door Bolkesteins tactische zet, niet langer mogelijk. Dus kregen we het huidige systeem. Ik heb wel eens ergens gelezen dat het niet leidde tot meer donoren en dat ziekenhuizen nog altijd beschikken over te weinig organen.

Mussolini

Het Mausoleum van keizer Augustus is een van de indrukwekkendste ruïnes van Rome. Mussolini liet het oude gebouw vrij leggen en er een vierkant plein omheen bouwen. Of het mooi is, laat ik in het midden, maar het is wat het moet zijn: een etalage voor de ruïne.

En een ruimte voor fascistische propaganda. Aan de noordzijde zijn reliëfs aangebracht waarin een parallel wordt getrokken tussen de tijd van Augustus en die van het fascisme. In oktober 1982 stond ik, tijdens het gymnasiumreisje, licht geschokt te kijken naar de moderne inscriptie die er was aangebracht: weliswaar had iemand met cement geprobeerd de tekst weg te werken, maar echt succesvol was hij daarbij niet geweest, zodat de naam “Mussolini” nog duidelijk zichtbaar was.

Mijn docent, meneer Johannesma, had een leuke kwinkslag: was dit niet een mooi symbool voor het naoorlogse Italië, dat zijn fascistische verleden wel had geprobeerd weg te werken, maar daarbij nou niet bepaald het vuur uit de sloffen had gelopen? Ik heb de grap later ook door andere gidsen horen maken, ik heb me er zelf ook wel eens aan bezondigd, en ik ben niet de enige die het jammer vindt dat ergens in de jaren negentig iemand het cement heeft weggehaald. De schoongemaakte inscriptie is een tekst waarvan er in Rome dertien in een dozijn gaan, de half-weggewerkte was uniek en symbolisch, en hoorde daarom eigenlijk – ik schrijf dit zonder ironie – op de monumentenlijst.

Romans over Romeinse keizers

Een kennis van me merkte, naar aanleiding van het overlijden van Gore Vidal, op dat hij weer naar diens keizerbiografie Julian (1964) had gegrepen.

Een geweldig boek! Heel wat beter dan Vidals andere romans over de Oudheid.

Live from Golgotha is, zoals ik al eens betoogde, het boek van een oude man die op een feestje steeds weer dezelfde mop vertelt. Creation (1981) wens ik me helemaal niet te herinneren. Zelden heb ik zo’n gemakzuchtig boek gelezen, zelden ben ik zó in een gewaardeerd auteur teleurgesteld geweest.

Nee, dan Julian! De roman biedt de briefwisseling die de hoogst-beschaafde Libanios en een filosoof voeren over de autobiografie van Romes laatste heidense keizer, een constructie die Vidal in staat stelt drie visies te geven op dezelfde man. Het boek boeit van de eerste tot de laatste bladzijde.

Mijn correspondent voegt een favorietenlijstje toe van romans over Romeinse keizers, waarop ook Yourcenars Mémoires d’Hadrien (1951) en De berg van licht van Couperus (1905) staan. Ook dat zijn mooie boeken. Als u ze nog niet hebt gelezen, moet u dat zeker doen.

Maar literatuur is vooral zo leuk omdat je het erover oneens kunt zijn. Sterker nog, dat is het beste. Dan kun je er namelijk over discussiëren, leer je je smaakcriteria beter formuleren en word je beloond doordat je je volgende roman met meer plezier leest.

Sterk staaltje komkommernieuws

Het is weer komkommertijd. Waarin nieuws dat geen nieuws is toch nieuws wordt.

Blijkbaar is het volgende voldoende om Teletekst te halen: “Het aantal meldingen van fysiek en verbaal geweld in vliegtuigen neemt toe. Vorig jaar werden 1600 incidenten gemeld, bijna tien procent meer dan twee jaar geleden.”

Geweld is niet goed te praten, maar eerlijk gezegd begrijp ik de agressie wel. In het luchtverkeer ontbreekt de rust om ontspannen te reizen. Uniek is dat niet, want het is in treinen natuurlijk niet beter. Maar waar je in de trein nog wel een enkele keer de gelukzaligheid ondervindt van een stille coupé waar je rustig kunt lezen, is die sereniteit er bij het luchtverkeer nooit.

Vliegstress wordt door alles in de hand gewerkt. De veiligheidsmaatregelen op de meeste luchthavens zijn te ver doorgeschoten. De stress wordt verhoogd doordat er voortdurend mededelingen en omroepen klinken.  En je zit als haringen in een ton. Eenmaal opgestegen… enfin, iedereen die wel eens heeft gevlogen kent het lijstje ergernissen. Ondertussen doen de mensen op bijvoorbeeld Schiphol hun werk helemaal zo gek nog niet. Maar de vliegstress is om gek van te worden, en dat de stoppen dan doorslaan bij deze of gene, is voorspelbaar.

Goddelijke komedies

Hoe een verhaal over een hemelbezoek van religie op religie lijkt overgenomen.

Ik beken dat er hele weken, ja hele maanden voorbij gaan zonder dat ik denk aan het kleine antieke geschrift dat bekendstaat als de Openbaring van Paulus. Sterker nog, tot gisteren had ik niet gehoord van deze gnostische tekst, die in 1945 is gevonden in het Egyptische Nag Hammadi. En dat was jammer.

Maar we beginnen niet met een obscure tekst uit de Egyptische woestijn, maar met een heel wat bekender stuk literatuur: de Goddelijke komedie van Dante. In dit tussen 1308 en 1321 gepubliceerde gedicht vertelt de ik-figuur hoe hij een visioen heeft waarin hij afdaalt in de hel en vervolgens via de louteringsberg opstijgt naar de hemel. Onderweg ontmoet hij allerlei mensen, die vertellen waarom zij worden gestraft of beloond. Tegelijkertijd wordt de filosofie van Thomas van Aquino uitgelegd. In de hel en op de louteringsberg heeft Dante als gids de Romeinse dichter Vergilius, en er is wel aangenomen dat de Florentijnse auteur op het idee van zijn werk is gekomen door lezing van de Aeneis, waarin de held afdaalt in de Onderwereld.

De overeenkomst is echter heel incompleet. Vergilius’ personage daalt af in de onderwereld, terwijl Dante niet slechts de hel bezoekt, maar ook de louteringsberg en de hemel. De Spaanse oriëntalist Miguel Asín Palacios heeft gewezen op een veel logischer model voor Dante’s gedicht: het rond 1260 geschreven Libro della scala van zijn leermeester Brunetto Latini, waarvan weer vaststaat dat het is geïnspireerd door uitgebreide islamitische legendevorming rond Mohammeds nachtreis, de mi’raj. De klassieke versie van dat verhaal is te vinden bij Ibn Ishaq, en kunt u nalezen in de Nederlandse vertaling van Wim Raven. Kort en goed komt het erop neer dat de profeet op een wit rijdier, Buraq, ten hemel vaart en dat hij daar uitleg krijgt over het hiernamaals.

Bello de kat

Iedere wetenschapper masseert data weg. Maar hoe hard moet je masseren?

Stel, u doet onderzoek naar katten. Van twintig proefdieren meet u hoogte en breedte. De afmetingen van negentien katten blijken redelijk dicht bij elkaar te liggen, alleen één ervan, Bello genaamd, blijkt bijna eens zo hoog en breed. U bekijkt hun ogen en ziet dat ze allemaal groen of geel zijn, behalve de bruine kijkers van, alweer, Bello. U meet hoe ze spinnen, en alweer blijkt Bello sterk van de andere katten af te wijken. Er komt een punt waarop u concludeert dat u Bello beter buiten de statistieken kunt houden.

In de wetenschap komt dit vaak voor. Bello’s kunnen het gevolg zijn van ruis in de apparatuur, maar kunnen zich ook voordoen als de onderzoekscategorieën niet scherp zijn. U tekent bijvoorbeeld een sterrenkaart en noteert van alle sterren coördinaten, maar u merkt dat, terwijl alle sterren voortdurend op dezelfde plaats staan, andere van plaats veranderen. Op uw sterrenkaart laat u ze achterwege. Misschien noemt u deze dwalende bello’s met een mooi Grieks woord ‘planeten’. Als u mensen bestudeert, kan een bello erop wijzen dat ze op u reageren. De klachtenlijn van Schiphol constateerde ooit dat sommige mensen tientallen keren per dag klaagden, en die werden voortaan buiten de statistieken gelaten omdat er geen informatie aan kon worden ontleend over de ontwikkeling van de overlast.

Tijd voor grote schoonmaak in de wetenschap

Laten we de laatste affaire rondom wetenschapsfraude gebruiken voor een fundamentele discussie over kennisvergaring.

Diederik Stapel, Roos Vonk, Don Poldermans. In het buitenland Karl-Theodor zu Guttenberg, Philippe Gugler en Raphael en Norman Golb. De lijst opzichtig falende wetenschappers begint verontrustend lang te worden en het ergste aan de affaire rond de Rotterdamse hoogleraar Dirk Smeesters is haar godvergeten voorspelbaarheid.

Ik ben niet de enige die de indruk heeft dat er iets mis is met de wetenschap. Er zijn al onderzoekers die proberen deze indruk te onderbouwen met harde cijfers. Er wordt bijvoorbeeld vaak verwezen naar het onderzoek van Daniele Fanelli, die op tafel kreeg dat onderzoekers vaker rommelen met gegevens dan goed is. In Nederland constateerden Bakker en Wicherts dat psychologen moeite hadden met statistiek. Ik heb zelf een boek gepubliceerd over de problemen in de oudheidkundige disciplines. Het valt te verwachten dat er ook in de toekomst pijnlijke onthullingen zullen zijn.

Die voorspelbaarheid is al erg genoeg. Wat we nu vooral moeten vermijden, is dat het toch al slinkende vertrouwen nog verder vermindert doordat de bestuurders van de wetenschappelijke instellingen de problemen blijven bagatelliseren.

Dat doen ze immers al maanden. KNAW-president Robbert Dijkgraaf zei op 9 september dat de Stapel-affaire niet-representatief was. Hij legde uit hoe wetenschap behoorde te zijn en nam gemakshalve aan dat ze ook werkelijk zo is, hoewel dat nu juist ter discussie staat. De voorzitter van de VSNU, Sijbolt Noorda, verklaarde op 2 december dat het aanzien van de Nederlandse universiteiten niet was geschaad. Ook de directeur van NWO, Jos Engelen, meende dat het wel meeviel. Getuige de discussie die volgde in de wetenschapsbijlage van hetHandelsblad, laat niet iedereen zich nog door alle geruststellende woorden overtuigen.

Wees trots op oudheidkunde

Het Rijksmuseum van Oudheden moet bezuinigen. Een makkelijke keus om ‘musea vol opgegraven potten en pannen’ op de korrel te nemen. Maar het is ronduit kwalijk dat veel oudheidkundigen het belang van hun vak niet weten uit te dragen. Oudheidkunde heeft wel degelijk nut. Ook nu.

De invloedrijkste van alle in Nederland werkzame geleerden was J.J. Scaliger. Aan het einde van de zestiende eeuw onderzocht hij de chronologie van de Oudheid, constateerde dat het tijdverloop in de Bijbel incorrect was en problematiseerde daarmee de letterlijke uitleg van de Bijbel. Zo begon de Verlichting. Andere oudheidkundigen stonden aan de wieg van Darwins evolutietheorie, of boden een empirische basis voor de vooruitgangsgedachte, of droegen – minder prettig – bij aan de ideeën die de twee wereldoorlogen onvermijdelijk maakten. Ziedaar het belang van de oudheidkunde.

Het is niet erg als u nooit heeft gehoord van Scaliger. Oudheidkundigen leggen hun vak namelijk slecht uit. Goede publieksboeken zijn zeldzaam, classici maken onzinnige vergelijkingen, oudhistorici negeren het internet, archeologen overdrijven. De jaarlijkse Week van de Klassieken wordt steeds gewijd aan helden, mythologie of een andere trivialiteit. Plaatje, praatje, quizje. Niemand vertelt ondertussen hoe de oudheidkunde de moderne samenleving heeft helpen vormen.

Wie de eigen trivialiteit cultiveert, heeft geen vijanden meer nodig. Dan schep je zelf de omstandigheden waarin een staatssecretaris van cultuur de archeologie gelijkstelt aan “musea vol opgegraven potten en pannen”. Hij is niet de enige die onvoldoende is geïnformeerd. Ook wetenschappers begrijpen de oudheidkunde slecht: dat je de Bijbel niet letterlijk mag nemen, wordt bijvoorbeeld elke kerst opnieuw genegeerd als astronomen spreken over de ster van Bethlehem.

Vorige Volgende