Parlementaire ongehoorzaamheid
OPINIE - Een aantal parlementariërs heeft aangegeven tijdens de inhuldiging van de koning geen eed af te leggen. Staatsrechtdocent Mentko Nap heeft moeite met die opstelling.
Rondom de inhuldiging van de koning worden momenteel allerlei staatsrechtelijke rookgordijnen opgetrokken. Diverse Kamerleden voelen er weinig voor een eed of belofte van trouw aan de in te huldigen koning uit te spreken. Ze menen dat ze bij de aanvaarding van hun Kamerlidmaatschap voldoende loyaliteit hebben gezworen, of ze hebben republikeinse bezwaren tegen de regeringsvorm.
Gerrit Wim Voermans verleende staatsrechtelijke munitie voor het verzet met een wel heel avontuurlijk betoog over de verhouding tussen Grondwet en Statuut. SP’ers Karabulut en Fashir zullen hun toegangskaartjes voor de Nieuwe Kerk ongebruikt laten, terwijl Partij voor de Dieren-politici Thieme, Ouwehand en Koffeman er in de Nieuwe Kerk het zwijgen toe zullen doen. Vorige week meldden ook vier GroenLinksers (Voortman uit de Tweede Kamer en Strik, De Boer en Ganzevoort uit de Eerste Kamer) zich aan als lid van het geen-Eedgenootschap.
Het relletje is aangewakkerd doordat twee Eerste Kamerleden vragen hebben gesteld aan de minister-president. De parlementariërs informeerden bezorgd of de af te leggen eed of belofte de handelingsvrijheid van volksvertegenwoordigers zou beperken, en of voor het afleggen van belofte of eed een staatsrechtelijke verplichting bestaat. In zijn antwoorden op de vragen heeft de minister-president bijzonder onhandig geopereerd door te stellen dat de inhuldigingsverklaring ‘geen zelfstandige juridisch-constitutionele betekenis’ toekomt. Veeleer zou de belofte of eed uiting geven aan hoe fijn koning en volk het samen hebben in het koninkrijk. Aan niet-naleving van de wet zijn geen gevolgen verbonden, aldus de premier.