Kleine scholen niet opheffen om onderwijskwaliteit te verbeteren

ANALYSE - Scholen met minder dan 100 leerlingen moeten opgeheven worden, vindt de Onderwijsraad in zijn advies Grenzen aan kleine scholen. Als het gaat om de verbetering van de onderwijskwaliteit slaat dat advies de plank mis, stelt onderwijsdeskundige Sjerp van der Ploeg.

Het eerste argument dat de Onderwijsraad aandraagt voor het verhogen van de opheffingsnorm, is de bedreiging van de onderwijskwaliteit. Scholen met minder dan 100 leerlingen blijken volgens de Inspectie vaker ‘zwak’ of ‘zeer zwak’ dan scholen met meer dan 100 leerlingen. Deze uitkomst gaat vervolgens een geheel eigen leven leiden.

De Onderwijsraad schrijft: ‘De leerlingen op kleine scholen lopen meer risico op onderwijs van onvoldoende kwaliteit.’ Dat is waar,  maar de Onderwijsraad vergeet te melden dat -omdat het om kleine scholen gaat- in absolute termen maar weinig leerlingen risico lopen. Van een zwakke grote school hebben meer leerlingen last dan van een zwakke kleine school om de doodeenvoudige reden dat er op grote scholen meer leerlingen zitten. Daarom zal het steken van tijd en energie in het opkrikken van de zeer zwakke grotere scholen meer opleveren dan het sluiten van kleine basisscholen.

Bovendien doet het advies van de Onderwijsraad geen recht aan de overgrote meerderheid van kleine scholen die wel goed presteert, om nog maar te zwijgen van de drie basisscholen met minder dan 100 leerlingen aan wie OCW onlangs het predicaat ‘Excellente School’ heeft uitgereikt.


Daarnaast blijken de verschillen in Inspectie-oordelen tussen kleine, middelgrote en grote scholen nogal mee te vallen en nemen ze van het ene op het andere jaar ook nog eens flink af. In het Onderwijsverslag 2010/2011 zet de Inspectie de percentages (zeer) zwakke scholen per grootteklasse keurig op een rijtje.

Tabel 1: Zwakke en zeer zwakke scholen in 2011

A

B

C

D

E

Schoolgrootte

Percentage  (zeer) zwakke scholen*

Aantal  scholen**

Aantal leerlingen**

Aantal leerlingen op (zeer) zwakke school

1-100

6,5%

1388

93573

6000

101-200

5,1%

2235

339656

17000

201-300

2,9%

1826

446296

13000

301-400

3,5%

841

289282

10000

401 enz

2,8%

676

348840

10000

Totaal

6966

1517647

56000

* Inspectie van het Onderwijs, Onderwijsverslag 2010-2011

** DUO, leerlingen basisonderwijs bekostigde instellingen, peildatum 1-10-2011

Tabel 2: Zwakke en zeer zwakke scholen 2010

A

B

C

D

E

Schoolgrootte

Percentage (zeer) zwakke scholen*

Aantal  scholen**

Aantal leerlingen**

Aantal leerlingen op (zeer) zwakke school

1-100

11,8%

1387

94072

11000

101-200

7,3%

2219

337941

25000

201-300

5,1%

1850

451522

23000

301-400

5,6%

871

299283

17000

401 enz

3,5%

685

352117

12000

Totaal

7012

1534935

88000

* Inspectie van het Onderwijs, Onderwijsverslag 2010-2011

** DUO, leerlingen basisonderwijs bekostigde instellingen, peildatum 1-10-2010

Inderdaad blijkt het percentage zwakke kleine scholen hoger dan het percentage zwakke grotere scholen in 2011 en 2010. Maar als je verder kijkt door ook de aantallen scholen en leerlingen bij de analyse te betrekken, verandert het beeld.

Op basis van de percentages (zeer) zwakke scholen en de aantallen leerlingen kun je becijferen dat er in 2011 ruim 6000 leerlingen op een (zeer) zwakke kleine basisschool zaten. Dat zijn er natuurlijk 6000 teveel. Het aantal leerlingen op (zeer) zwakke basisscholen met meer dan 100 leerlingen is echter vele malen groter. Ongeveer 11 procent van alle leerlingen die in 2011 op een (zeer) zwakke school les krijgt, zit op een school met minder dan 100 leerlingen. De overige 89 procent zit op een grotere school. En daar ligt dus ook de grootste winst.

Grote basisscholen

De Inspectie constateert dat de daling van het aantal zwakke scholen tussen 2010 en 2011 het resultaat is van de aanscherping van het toezicht op zwakke en zeer zwakke scholen. Dat lijkt daarmee dus een mooie en beproefde methode om de onderwijskwaliteit voor grotere groepen basisschoolleerlingen te verbeteren. Van de daling van het aantal (zeer) zwakke scholen tussen 2010 en 2011 hebben ruim 30.000 leerlingen geprofiteerd. En dat in slechts één jaar tijd. Door het opheffen van de scholen met minder dan 100 leerlingen zou per saldo het aantal leerlingen op een (zeer) zwakke school met minder dan 6.000 dalen. Dat is een mager resultaat ten opzichte van de daling van ruim 30.000 binnen één jaar door intensiever Inspectie-optreden.

De staatssecretaris van OCW komt in april met een reactie op dit advies. Als het hem om een effectieve aanpak van de kwaliteit van het onderwijs te doen is, doet de staatssecretaris er goed aan dit advies te negeren en waar nodig het toezicht verder aan te scherpen.

Sjerp van der Ploeg werkt bij de adviesgroep Onderwijs van Ecorys 

  1. 1

    Daar zou ik nog bij willen opmerken dat de categorie tot 100 leerlingen wel erg breed is. Een school met 90 leerlingen (toch ruim 3 volwaardige klassen, dus combinatiegroepen zoals in diverse schoolsystemen gebruikelijk zijn) lijkt mij heel anders dan een school met 24 leerlingen. Een onderbouwing van die onderverdeling is er niet – de grens van 100 lijkt vooral gekozen te zijn omdat het een rond getal is. Magere basis om zulk ingrijpend beleid op te baseren.

  2. 2

    Als ik dat zo lees heb ik ook een dom idee: Waarom sluit je niet gewoon zeer zwakke scholen in plaats van kleine scholen?

  3. 4

    @2:
    “Slimme” opmerkingen over het onderwijs zijn door het ministerie van onderwijs verboden ;-)

    Verder:
    Ik heb 2 kinderen die op een basisschool met 2 leerkrachten hebben gezeten.
    Raar schooltje:
    Ze kregen onderwijs in 2 talen, leerden de eerste paar dagen tellen van o t/m 9 en snapten ook nog waarom.

  4. 6

    Basisschoolbeleidsmakers kunnen ook niet rekenen. Door 1-100 scholen op te heffen / te laten fuseren, ben je niet 94000 leerlingen af, maar verplaats je ze naar de grotere categorie. Bij zo’n fusie ben je ook niet van zwakte af, maar meng je dat bij, met een andere school. Het sommetje met 30.000 en 6000 klopt niet.

  5. 7

    Dat kleine scholen vaker zwakke scholen wordt niet ontkend, maar de tegenwerping is dat bij een grote zwakke school meer leerlingen getroffen worden; tja. Waarschijnlijk zal een zwakke school, die klein is, sneller gesloten worden en zo hoort het ook. Grijp vlugger in en de meeste kleine scholen verdwijnen vanzelf.

  6. 8

    Het advies om de opheffingsnorm te verhogen naar 100 leerlingen, gaat er (ten onrechte) van uit dat schaalvergroting automatisch leidt tot kwaliteitsverbetering. Daar is echter geen empirisch bewijs voor. Op kleine scholen staat de kwaliteit weliswaar onder druk, maar de meeste kleine scholen (93,5%) presteren voldoende, zo blijkt uit cijfers van de Inspectie. Het verhogen van de opheffingsnorm treft dus vooral goede scholen, en leidt bovendien tot een gigantisch fusieproces waardoor de aandacht wordt afgeleid van het primaire proces in de school.