Achtbaan

COLUMN - ‘We gaan wel in de achtbanen toch, mam? Ahhhhh?’

‘Nou, dat zien we wel hoor, eerst gaan we naar het sprookjesbos.’

‘Sprookjesbos?! Naar die muntenpoepende ezel? Maham! We zouden in Joris en de Draak gaan! Die heel snelle snoeiharde achtbaan. Jij had vorig jaar beloofd dat je dit jaar mee zou gaan en nu is het dit jaar. Dus…’

‘Maar je broertje dan? Die is daar toch veel te klein voor?’ Ik keek hoopvol naar de jongste. Hij keek mij met grote ogen aan.

‘Nee hoor,’ zei hij, ‘ik wil er wel in. Dat durf ik best. Ik ga wel met papa.’ Papa stond mij keihard uit te lachen. Ik kwam er niet onderuit, dat was duidelijk.

We stonden in rij te wachten. Het ene wagentje na het andere kwam overvliegen. Gillende mensen alom. Dat deed ik nooit, gillen in een achtbaan. Voor alles komt blijkbaar een eerste keer. We stapten in. De man en de jongste zoon stonden in een langere rij en zij konden volgen hoe onze rit verliep. Het karretje begon te rijden. De oudste zat naast mij te glimmen. ‘Vet hard mam! Hij gaat vet hard! Woei!’ Ik werd al een beetje groen en ik moest naar de wc. Het hoogste punt hadden we nog niet eens bereikt. Uitstappen ging niet meer.

Na anderhalve minuut reden we het halletje weer in. Ik was totaal gedesoriënteerd, zat als een paard te hinniken van de slappe lach, was mijn stem kwijt van het krijsen en ik stond op het punt een hartaanval te krijgen. De oudste sloeg een arm om me heen. ‘Gaat het wel met je mama? Ik vond het ook best spannend hoor,’ zei hij troostend. Hij keek naar zijn vader. Daar moest hij het van hebben wilde hij er nog een keer in kunnen. Hij had mij ergens halverwege Joris en de draak voorgoed als achtbaanbuddy opgegeven. Hij keek met een vertrokken bekkie naar mij en daarna hoopvol naar zijn vader. Die stak een duim omhoog. ‘Goed gedaan Pipo,’ hoorde ik. ‘Leeft je moeder nog?’ Gevolgd door een bulderlach van hem en de hele rij achter hem.

De jongste stapte in. Ik gebaarde nog dat ik hem hier eigenlijk te klein voor vond. Hij zou het vast doodeng vinden en voor de rest van zijn leven angst hebben voor snelle dingen. Ik werd volledig genegeerd. Ik was immers ontoerekeningsvatbaar en had een totaal vertekend inschattingsvermogen. Twee minuten later kwamen ze high-fivend weer binnen. De jongste had net als ik de slappe lach, maar dan een die paste bij de attractie en niet bij een gekkenhuis. De jongste keek mij daarna vol medelijden aan. Op dat moment voelde ik dat ik werd afgeschreven. Er ging een kruis door mij. ‘Geen achtbanenmateriaal’ zag ik ze allemaal denken. Volgend jaar laten ze me denk ik alleen achter in het sprookjesbos, bij de Trollenkoning. Daar kijk ik nu al naar uit.