serie

Vaste Gasten

Net als je even inkakt, prikken onze Vaste Gasten je weer wakker met hun scherpe pen.


Foto: daisy.images (cc)

Barlaam en Josafat

Vorige week is Hans Overduin overleden, de auteur van niet minder dan 129 stukken op Sargasso. Bescheiden als hij was, stelde hij geen prijs op een uitgebreide necrologie, maar het leek de redactie gepast om, bij wijze van in memoriam, een van zijn bijdragen opnieuw te plaatsen. Het onderstaande stukje illustreert zijn brede belangstelling voor volkscultuur, religie, de Middeleeuwen, ja eigenlijk alles wat op zijn pad kwam.

***

Prins Siddhartha Gautama, de historische figuur waar het boeddhisme op gebaseerd is, leefde een kleine vijfhonderd jaar vóór Jezus van Nazareth in het huidige India. Na zijn dood werden al snel biografieën opgetekend die onderling de nodige verschillen vertoonden maar altijd drie elementen bevatten:

  • een profetie van astrologen die voorspelden dat Siddhartha óf een groot koning óf een grote heilige zou worden (waarna zijn vader hem opsloot in het paleis),
  • de tijdelijke ontsnapping uit het isolement op zijn negenentwintigste jaar, waarbij de prins tijdens een rijtoer een oude man, een zieke man en een dode man zag en aldus werd geconfronteerd met het leed dat zijn vader al die tijd voor hem verborgen had gehouden,
  • de poging van hofdames om hem te verleiden en hem van het spirituele pad af te houden.
  • Foto: daisy.images (cc)

    Hermann von Reichenau

    COLUMN - Wie van kloosters houdt kan aan beide zijden van de Bodensee zijn hart ophalen. Aan de Duitse kant zijn dat vooral kloosters in barok- en rococostijl, met name de pelgrimskerk van Birnau pal aan zee gewijd aan Maria (maar meer landinwaarts liggen er nog meer). Aan de Zwitserse kant ligt het wereldberoemde klooster van Sankt Gallen, in zijn huidige vorm daterende uit de baroktijd, maar gesticht in de achtste eeuw.

    In deze blog gaat het over het religieus erfgoed op en rond het eiland Reichenau. De naam is afkomstig van de oorspronkelijke Alemanische naam, die is verlatiniseerd tot Augia en later veranderd in het Duitse Richenow of Reichenau. Hier lag de het klooster van St. Maria und Markus in Mittelzel.

    De abdij van Reichenau

    De abdij in het huidige Mittelzell, zoals de naam al suggereert in het midden van het eiland, was in de vroege middeleeuwen een van de beroemdste abdijen in West-Europa, gesticht door Franken na de onderwerping van de Alamannen in 724. In die tijd was het overigens nog een simpele houten en kerk. Pas in 1048 werd het huidige stenen klooster ingewijd. De geschiedenis van de abdijen van Reichenau en Sankt Gallen vertonen overigens de nodige overeenkomsten (zie het PS hieronder).

    Foto: daisy.images (cc)

    Goed volk | Beschermde grafrovers

    ACHTERGROND - In 2022 ontdekte archeologe Valentina Voinea in het dorp Cheia in de Roemeense regio Dobruja (tussen de Donau en de Zwarte Zee) een Romeinse grafheuvel. Gedateerd rond 150 na Chr. en met een doorsnee van wel 75 meter, bestond de inhoud uit twee graven. De overledenen waren waarschijnlijk Romeinen die tijdens de Romeinse kolonisatie van deze regio naar dit gebied waren gekomen.

    Het eerste graf

    Beide graven zijn interessant. Het ene bestond uit een houten kist met daarin het lichaam van de overledene en grafgiften. Het lichaam was, zoals in de regio gebruikelijk, ter plaatse verbrand, zoals blijkt uit de sterke verbranding van de muren en de bodem van de put. Vervolgens werd de put bedekt met houten planken en gedempt.

    De onderzoekers vonden ook een groot aantal verbrande walnootzaden, die in hun geheel en als schelpen bewaard waren gebleven, en verder delen van dennenappels en andere plantenresten. De aanwezigheid van verbrande walnotenpitten bij het begraven is een interessant gebruik, dat ook bekend is van crematoriumgraven uit de vroeg-Romeinse tijd. In een begrafeniscontext gelden walnoten als een soort grafgeschenk – speciaal voedsel voor de ziel.

    De overledene had een glazen unguentarium op de buik geplaatst – een soort houder voor vloeibare geuren en toiletparfums. In de mond zat een bronzen munt (een zogenoemde assarius) uit de regering van keizer Hadrianus, geslagen in 125-127 na Christus. De munt in de mond van de overledene verwijst naar het oude gebruik van Charons obool: een munt die diende als betaling aan de veerman Charon voor het vervoeren van de ziel van de overledene over de rivier de Styx in Hades.

    Foto: daisy.images (cc)

    Dodenwegen in Nederland (slot)

    ACHTERGROND - [In het derde deel van zijn reeks over neemt Hans Overduin u mee naar fantoomlijken en het buurschap Drie. Het eerste deel las u hier en het tweede deel was daar.]

    Dodenwegen en fantoomlijken

    Dodenwegen mochten in principe nooit worden afgesloten. Dit had onder meer te maken met het verschijnsel van spook- of fantoomlijkstoeten. Het motief van spooklijkstoeten is, op Zeeland na, in Nederland wijdverbreid. In de volksverhalenbank van het Meertens Instituut zijn er liefst een kleine vijfhonderd varianten van te vinden.

    Het verhaal draait om het gegeven dat iemand zonder het te beseffen op een dodenweg tegen een fantoomlijkstoet kan oplopen en daarbij onaangename dingen ervaart als onzichtbare handen die hem aan de kant van de weg duwen of over een haag langs de weg of in een sloot smijten.

    Dat zöagn ie nich, mer ineens, dan kreagn ie ne klap, ie völn umdaal, dan mos dee koets mos der langs.

    Eén en ander wordt als des te schokkender ervaren aangezien degene wie dit overkomt niet beseft wat er aan de hand is en zich van geen kwaad bewust is.

    Bericht uit het Gelders Sagenboek (1943) van J.R.W. Sinninghe

    Foto: daisy.images (cc)

    Dodenwegen in Nederland (2)

    ACHTERGROND - In het eerste deel van dit artikel beschreef ik hoe men tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw op het platteland de doden over speciale dodenwegen naar hun laatste rustplaats bracht. Vandaag een vervolg.

    Het gebruik van de dodenwegen

    Over de dodenweg trok de begrafenisstoet naar de dichtstbijzijnde kerk en het kerkhof. Het lichaam werd aan het sterfhuis uitgedragen, de voeten naar voren om te voorkomen dat de doden een laatste blik van herkenning op zijn of haar huis kon werpen, en liefst via een speciaal daartoe bestemde deur, de dooddeur of lijkdeur genoemd. Kerken, ook in de steden, hadden soms een speciale deur waardoor de dode na de uitvaartmis of -dienst de kerk uit werd gedragen om op het naastgelegen kerkhof begraven te worden. Het sterfhuis werd zoveel mogelijk onherkenbaar gemaakt.

    Zuid-Beveland

    De gebruiken verschilden per streek, maar bijvoorbeeld op Zuid-Beveland werden de matten van de vloeren gelicht, de gordijnen van de ramen verwijderd en de blinden gesloten om de ziel na het verlaten van het sterfhuis te verhinderen terug te keren. In huis werd de klok stilgezet en werden de spiegels en schilderijen omgedraaid. Dit was niet alleen om het interieur van het huis onherkenbaar te maken, maar aangezien de spiegel de ziel van de mens reflecteert was men bang dat de geest van de dode een nabestaande die zich spiegelde zou meevoeren.

    Foto: daisy.images (cc)

    Dodenwegen in Nederland (1)

    ACHTERGROND - De funeraire cultuur van ‘het volk’, vooral op het platteland, is (in tegenstelling tot de cultuur van midden- en hogere klassen in de steden) altijd doorspekt geweest met volks- en bijgeloof. De kerk maakte een strikte scheiding tussen het  ‘geestelijke’ hiernamaals en het materiële hier en nu, maar voor het ‘gewone volk’ was dit onderscheid zo logisch niet. Ondanks de verkondigingen van de dominee of de pastoor dat de dode nu in het hiernamaals verkeerde, werd de ziel van de overledene, ook al behoorde die toe aan een dierbare, per definitie als een probleem gezien.

    Ook een dierbare werd bij leven altijd wel eens onheus bejegend en de ziel van de dode mocht eens op wraak zinnen. Na het sterven werden de ogen gesloten. De ziel had via de ogen het lichaam verlaten en het moest koste wat kost voorkomen worden dat de ziel via diezelfde weg zou terugkeren in het lichaam. De dode moest in verwarring gebracht worden zodat hij of zij vanaf het kerkhof of de weg daar naar toe, de weg naar huis niet zou kunnen terugvinden.

    De weg naar het graf

    De weg die de begrafenisstoet naar de begraafplaats volgde, was daarbij één van de essentiële elementen. Hiervoor werden speciale wegen gebruikt, de doden- of lijkenwegen. Ze waren van geslacht op geslacht voor ieder gehucht overgeleverd en zelfs voor iedere hoeve vastgelegd. Het waren vaak niet meer dan paden of karrensporen. Het was wel éénrichtingsverkeer, want de terugweg van de nabestaanden ging via een andere route: de lichaamloze ziel mocht ze immers eens achterna komen. Om de overledene in verwarring te brengen werd bovendien bij aankomst driemaal (voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) een rondje om de kerk c.q. het kerkhof gemaakt.

    Foto: daisy.images (cc)

    De riddersprong van Sigvat Leirholar

    ACHTERGROND - In het Jotunheimen National Park – de naam betekent ’thuis van de reuzen’ – ten noordoosten van de Noorse stad Bergen, stroomt de rivier de Sjoa met een totale lengte van 98 kilometer. De rivier ontstaat uit het smeltwater van de oostelijk gelegen gletsjers en stroomt uiteindelijk via fjorden richting zee.

    Het Jotunheimen National Park is één van de meest bekende Noorse wildernislocaties. Het telt niet minder dan zestig gletsjers, diverse watervallen en cataracten. Ook zijn hier de hoogste bergtoppen van Noorwegen; ze komen tot boven de 2300 meter. Wie het gebied op Google Maps opzoekt, verdwaalt al snel in de enorme hoeveelheid rivieren en stromen, want zoals bijna elk fjordengebied in Noorwegen is het een schier onontwarbare geografische kluwen.

    (foto C.T.A.A. Overduin)

    De nog rustige Sjoa zoals die stroomt vanaf de gletser naar het westen

    Sage

    In het dal van de Sjoa is een in de plaatselijke folk-lore bijzondere plaats, genaamd de Ridderspranget oftewel Riddersprong. Hieraan is een sage verbonden die (zoals de meeste sagen) voorhanden is in diverse varianten. De sage is aan het eind van de negentiende eeuw vastgelegd door historicus en folkloreverzamelaar Ivar Kleiven.

    Omdat het ondoenlijk is alle varianten te behandelen, geef ik hierbij de grote lijnen weer, die in (bijna) alle versies voorkomen. De sage biedt diverse historische aanknopingspunten, zodanig zelfs dat het mogelijk is dat het hier een mondeling doorverteld historisch verhaal betreft, uiteraard in de loop der tijden op diverse manieren aangepast zoals dat gaat in de mondelinge traditie.

    Foto: daisy.images (cc)

    Goed volk | De Jodenzeug

    ACHTERGROND - Het verschijnsel lijkt de laatste tijd wat afgenomen. Je kunt een kaart immers maar één keer uitspelen. Maar Nederland discussieerde nog niet zo lang geleden over de vraag of de verwijdering van standbeelden. Standbeelden van lieden die werden beschouwd als nationale helden. Zo moest J.P. Coen verdwijnen uit Hoorn, gezien ’s mans naar hedendaagse maatstaven niet bepaald brandschone verleden. Er valt iets te zeggen vóór zo’n verwijdering. Een standbeeld is een eerbetoon en als al teveel mensen daar aanstoot van te nemen, werkt het eerder verdelend dan inspirerend.

    Er valt ook iets tégen te zeggen. Het handhaven van zo’n steen des aanstoots is immers een waarschuwing dat iets deel uitmaakt van onze geschiedenis. Zoals je niets aan het verleden kunt toevoegen, zo kun je het ook niet wegpoetsen. Dit dilemma speelt in verhevigde mate bij de discussie over de Judensau.

    Jodenzeug

    De Judensau ofwel Jodenzeug is een beeltenis die op verschillende manieren en enige varianten voorkomt, van stenen of houten reliëfs tot waterspuwers (gargoyles) of grotesken. De oudste dateert uit ongeveer 1210 en is te vinden op een koorbank in de Dom van Keulen. Daar bevindt de afbeelding zich nog steeds. Later werden Jodenzeugen in de regel aan de buitenzijde van kerken aangebracht om de passanten te waarschuwen voor de vreselijke mensen die de joden waren. Er bestaan heden ten dage nog ongeveer dertig van deze afbeeldingen, hoofdzakelijk in Duitsland. Het motief was populair tot rond 1800.

    Foto: daisy.images (cc)

    Vier unieke neolithische grafgiften

    ACHTERGROND - Niets ten nadele van ons kikkerlandje met zijn hunebedden en talloze grafheuvels, maar de insulaire gebieden zijn toch wel de echte schatkamers als het gaat om overblijfselen uit de prehistorie. Stonehenge is natuurlijk erg interessant, maar wie het kleine niet eert is het grote niet weerd.

    The Art Newspaper kopte op 10 februari j.l. “The most important piece of prehistoric art found in Britain in a century will go on view at the British Museum“, net als The Guardian van 10 februari trouwens. In het artikel wordt het British Museum aangehaald dat zich in soortgelijke termen uitdrukte: “The British Museum has now labeled the most important piece of British pre-historic art discovered in the last century.“. Ik ben zo vrij deze kwalificatie met een behoorlijke korrel zout te nemen, maar dat het hier gaat om een belangrijk artefact dat ook zonder deze overdrijving heel interessant is, staat buiten kijf. Het dateert trouwens wel uit dezelfde periode als Stonehenge. Waar gaat het precies over?

    Burton Agnes

    De trommel van Burton Agnes.

    In 2015 werd in Burton Agnes, East Yorkshire en 380 km van Stonehenge, bij de aanleg van een energiecentrale een graf gevonden. Daarin lag ook een van inscripties voorziene trommelvormige cilinder van stevige kalk/krijt. Het object lag in een graf met drie kinderen, samen met een krijten bal ter grootte van een tennisbal en een gepolijste, benen pin. Een soortgelijk object werd niet in of bij Stonehenge gevonden. De bal en de pin wel, diverse zelfs. De cilinder werd middels koolstofdatering van de skeletten gedateerd in de periode van 3005 tot 2890 voor Christus, een tijdvak dat valt aan het eind van de jonge steentijd en de bouw van Stonehenge.

    Foto: daisy.images (cc)

    De fascinerende warboel van de kersttijd

    Wie een stukje over kerst en volkscultuur wil schrijven en daarbij niet de omvang van een paar kloeke boekdelen tot zijn beschikking heeft, loopt tegen hetzelfde probleem aan als bij eenzelfde blog over ‘Sinterklaas’: het is een enorm complex dat zich zowel in de ruimte als in de tijd uitstrekt waarbij ontstaan en ontwikkeling over elkaar heen buitelen en waarbij elke ketter die iets wil aantonen of bewijzen zijn letter wel vindt.

    In feite beslaat ‘kerst en volkscultuur’ een lange periode die begint met Sint Maarten op 11 november en eindigt bij het feest van de Doop van de Heer , dat wordt gevierd de zondag na Driekoningen op 6 januari, met de winterzonnewende  als centraal punt, omcirkeld door de ‘Twaalf heilige nachten‘ (het zijn er letterlijk dertien) of Rauhnächte tussen Kerstnacht op 24 december en Driekoningen op 6 januari), waarbij de grens tussen het hier en de otherworld veel dunner is dan normaal en de overledenen ons zouden kunnen bereiken, net als met Halloween op 31 oktober. De hele periode duiden we voor het gemak meestal aan met ‘midwinter’ en de datumvaste lezer zal opgemerkt hebben dat die begint met ‘Sinterklaas’.

    De wortels van midwinter gaan terug naar de prehistorie en is later vermengd geraakt met de persoon van Jezus van Nazareth, en niet alleen in de volkscultuur en de volksdevotie. De historische figuur van Agios Nikolaos, de bisschop van Myra, is er als zelfstandig fenomeen nog wel gemakkelijk uit te lichten, maar men hoeft maar te kijken naar de ‘Sinterklaasvieringen’ op de Waddeneilanden, zoals het beruchte Sunneklaas op Ameland, die behalve de datum en de naam vrijwel niets meer met Sint Nicolaas te maken hebben maar alles met vruchtbaarheidsfeesten en -ceremonies uit lang vervlogen tijden, waarvan bij de reguliere Sinterklaasfeesten alleen de roe van Zwarte Piet is overgebleven. En degenen die bewust met Kerstmis de geboorte van Jezus van Nazareth vieren hebben in de regel thuis en/of in hun kerk een kerstboom staan die met zijn altijd groene takken eveneens verwijst naar vruchtbaarheid.

    Foto: daisy.images (cc)

    De wereldreis van Jehan de Mandeville (1356)

    ACHTERGROND - Reisverhalen behoren tot de oudste literaire genres. Hoewel er in het Verre Oosten al vroeg reisliteratuur bestond, is waarschijnlijk Homeros’ Odysseia de moeder aller reisverhalen. Er is trouwens een verschil tussen een reisverhaal en een reisverslag of reisbeschrijving. Dit zijn naar waarheid opgetekende epistels die dienen om een beperkt publiek dan wel een opdrachtgever te informeren over de wederwaardigheden van een reis. Bij de vroegste reisbeschrijvingen kan echter de historische reconstructie problematisch zijn waardoor noch het waarheidsgehalte, noch het al dan niet bestaan van een opdrachtgever altijd te achterhalen zijn. Daarbij komt dat deze oudste werken inmiddels hun rapportagekarakter goeddeels hebben verloren. Wel kunnen zij vaak nog als geschiedkundig onderzoeksobject dienen, maar voor de algemene lezer zijn zij in eerste instantie van belang als (literair) reisverhaal.

    Het reisverhaal echter is een motief waarbij de werkelijkheid omtrent een wel of niet daadwerkelijk gemaakte reis niet op de voorgrond staat. Veel van deze verhalen zijn geheel of gedeeltelijk door de auteurs verzonnen. Bekende voorbeelden zijn Robinson Crusoe van Daniel Defoe en Gulliver’s Travels van Jonathan Swift. Het laatste boek bijvoorbeeld is in de eerste plaats een satire op de Engelse samenleving, het hof, de wetenschap en de menselijke moraal. Daarnaast is het een parodie op het verschijnsel reisverhalen. Geen zinnige lezer die achter deze roman een reisverslag zou zoeken.

    Foto: daisy.images (cc)

    Een apocriefe heilige

    ACHTERGROND - Er zijn bijbelse personen in het Nieuwe Testament die er in de canonieke geschriften kwantitatief bekaaid vanaf komen – zoals Maria Magdalena – of waarbij de nodige hiaten vallen. Hiervoor hadden de schrijvers van de vroege kerk (eerste en tweede eeuw) een oplossing: men vulde de leemte naar eigen inzicht in in een geschrift, daarbij aansluitende aan een bestaande, algemeen geaccepteerde bron – meestal een geschrift dat later tot de canonieke geschriften zou gaan behoren – en een (vergeten) orale traditie. Kortom: beredeneerd uit hun duim gezogen, gewoon omdat daar in de jonge kerk behoefte aan was.

    Ze hadden daarbij de mogelijkheid om bijvoorbeeld de apostelen af te schilderen als de ideale gelovigen. In feite waren het de voorlopers van de latere hagiografieën zoals die bijvoorbeeld in de Legenda Aurea hun beslag hebben gekregen.

    De verzameling van dit soort vroegchristelijke geschriften (voor zover bewaard gebleven) staat bekend als ‘Apocriefen van het Nieuwe Testament’, deels in het Nederlands vertaald en toegelicht door dr A.F.J. Klijn  (1984 en 1985). Er bestaan overigens ook apocriefen van het Oude Testament, maar dit terzijde. De term apocrief is afkomstig van het Griekse woord ἀπόκρυφος (apókruphos), dat ‘verborgen’ of ‘geheim’ betekent. Enkele van deze apocriefen zijn van gnostieke aard.

    Volgende