Verhalen van de gewone man in China

Sargassosrecentefilmrecenties24
‘Doordat ik het te druk had met het werk ben ik je niet meer gaan opzoeken.’ Het voelt als een smoes die werknemers over de hele wereld gebruiken nadat hun chef met pensioen is gegaan en ze de man als een baksteen hebben laten vallen. Ook in China moet de pensioengerechtigde leeftijd het moment zijn om te ontdekken dat al dat gelach om je grapjes niets te maken had met je aangeboren gevoel voor humor maar alles met je functie. In de filmdocumentaire 24 City, die fictieve elementen bevat, vertellen Chinese werkers op een huiselijke manier over hun ervaringen op en rond werkplaats 63 van fabriek 420.

De fabriek was en is natuurlijk hun thuis. Voorzieningen voor bijvoorbeeld huisvesting, vrije tijd en ontslag zijn kennelijk verbonden aan de werkgever. En bij een grote verhuizing van de fabriek, vijftig jaar geleden, verhuisde zo’n beetje iedereen mee. Daarom was het een goed idee om een groep van acht werkers uit dezelfde fabriek – vijf mannen en drie vrouwen – in een serie gefilmde interviews over hun leven te laten vertellen.

De films van regisseur Jia Zhang Ke hebben allemaal hetzelfde grote thema / onderwerp: wat de modernisering van China (industrialisatie, communisme en kapitalisme) in het leven van de gewone man betekent. Helaas heeft Jia als filmer niet die grote begaafdheid die het onderwerp verdient. Naar mijn smaak mist hij een bepaalde artistieke gevoeligheid. Dit zeg ik nadat ik eerder de speelfilms Unknown Pleasures, The World en Still Life van hem heb gezien. Op papier moet een opzet voor een van zijn films er altijd geweldig uitzien. Maar in de uitwerking mis ik steevast iets, iets wat je misschien wel filmpoëzie zou kunnen noemen.

Ik zie het al voor me: ‘Kameraad Jia, nu uw speelfilms de steun van de staat krijgen, moet ons van het hart dat we bijzonder te spreken zijn over The World en Still Life. Toch wijzen we u erop dat Chinese kunstenaars een zeker gevoel voor poëzie hoog dienen te houden.’ Dit was niet aan dovemansoren gezegd. Kameraad Jia heeft zijn documentaire 24 City meteen maar gelardeerd met poëziecitaten, ook westerse. Aardig, maar nog steeds vind ik dat de man een zekere filmpoëzie mist. En de partijbonzen die ik voor me zie hadden natuurlijk gelijk: zelfs Chinese knokfilms kennen altijd een zekere poëzie. En hebben westerse knokfilms dan geen poëzie? Nee, veel en veel minder. Met als uitzondering natuurlijk Sam Peckinpah (o.a. The Wild Bunch). In Peckinpah’s films werd er altijd veel en dichterlijk geknokt. Peckinpah begon bijvoorbeeld met poëtische geweldsmontages (met slow motion fragmenten, ‘onlogisch’ gemonteerd).

Ik wil mezelf beslist geen kenner van de Chinese cultuur noemen, maar het is me opgevallen dat veel Chinese kunstuitingen een bepaald soort poëzie kennen, tot in de knokfilms toe dus. En kameraad Jia heeft het maar in geringe mate. Maar hij moet andere kwaliteiten bezitten, bijvoorbeeld politieke, want de man weet zich als kritische filmer steeds weer staande te houden tegenover de machtige Communistische Partij. En zijn onderwerp is een van de grote onderwerpen van deze tijd, iets waar helaas maar weinig verslaglegging van bestaat. Daarom is zijn plekje in de geschiedenisboeken verzekerd.

Voor 24 City maakte Jia ook gebruik van een paar gespeelde interviews. Niet toevallig zijn dat de drie interviews met vrouwen. Ik heb het gevoel dat hier een praktische reden achter zit: gewone Chinese vrouwen zijn nog steeds preutser dan hun westerse seksegenoten. Jia slaagde er waarschijnlijk niet in om interessante vrouwenverhalen voor de camera te krijgen. Daarom heeft hij hier actrices voor ingehuurd. Hun verhalen maken echter wel een getrouwe indruk; misschien dat zij ingefluisterd werden door de vrouwen die zelf niet voor de camera durfden te komen? Heel handig heeft kameraad Jia er meteen maar een postmoderne knipoog naar fictie en non-fictie van gemaakt. En meteen heeft hij ook maar, met inmiddels kapitalistische slimheid, een mooie meid voor de camera gezet. Ik heb daar geen moeite mee.

Wat me weer opviel, net als in Jia’s andere films, was de grote troosteloosheid van de interieurs. Met die Grote Sprong Voorwaarts kon natuurlijk niet alles meteen geregeld worden. Dat de gewone man in China gewend is om thuis in een aggenebbisjhok te wonen terwijl hij in de bioscoop getrakteerd wordt op poëtische knokpartijen kan natuurlijk anders. Mij lijkt de tijd rijp voor een Chinese Jan des Bouvrie. Met 1,3 miljard potentiële klantjes, die inmiddels wat te besteden hebben, moet een interieurboer daar zelf miljardair kunnen worden.

(sinds 3 september in de bioscoop)

  1. 1

    Het hele punt van het jarenlange verblijf van Jia Zhang-ke in de Chinese underground, weg van de censor, is dus juist dat hij dat “gevoel voor poëzie” im frage wil stellen. Zijn punt is: het is allemaal niet zo fraai en poëtisch in China. Zijn oeuvre is een grote aanklacht, niet alleen aan de machthebbers in China, maar ook aan de filmwereld, die zich almaar van die poëzie bedient die jij noemt, maar die in de ogen van Jia een leugen is. Er is een nietsontziend anti-persoonlijk geweld in China, is zijn stelling. Dat wil hij laten zien. En temidden daarvan wil hij een andere poëzie zoeken. Maar temidden daarvan wil hij ook juist vooral een enorme woede laten zien. Dat daar weinig poëtisch aan is, dat spreekt natuurlijk vanzelf. Hoewel er juist in die woede weer een andere kwetsbaarheid schuilt, een andere poëzie, een poëzie die vermorzeld wordt door de Chinese politiek.

    Nu maakt hij films onder de censor. Dit doet hij, heeft hij verklaard, omdat de censor een stuk milder is geworden – vanwege de groeiende invloed van economische belangen – en omdat hij op die manier veel meer mensen bereikt. Zijn woede en zijn protest zitten dan meer verstopt in zijn films, maar voor de goede verstaander nog steeds even duidelijk aanwezig.

  2. 2

    De vergelijking van de uitspraak ‘Doordat ik het te druk had met het werk ben ik je niet meer gaan opzoeken.’ met de bekende kutsmoes van kantoorklerken is dan ook volkomen misplaatst. In dit geval is het namelijk geen smoes. Het is écht zo: Jia wil laten zien dat de ondergeschiktheid van mensen aan het systeem in China mensen uit elkaar en harten uit lijven rukt. Daar is niets “huiselijks” aan, dat is dramatisch en hartverscheurend.

    Ziedaar je poëzie.

  3. 3

    @1: ik twijfel niet aan Jia’s goede bedoelingen. Aanklacht, woede? Uitstekend. Maar met woede en goede bedoelingen maak je nog geen meesterwerk. Op dit moment lijkt het hoogst haalbare voor Jia Zhang Ke dat hij een redelijk goede film aflevert, geen meesterwerk. En dat spijt mij pas echt. Zijn onderwerp verdient een meesterwerk.

    Neem iemand als Billy Wilder. Die moest zich in zijn leven in alle bochten wringen om te overleven als filmkunstenaar. Eerst van Oostenrijk naar de Berlijnse filmindustrie. Toen op de vlucht voor de nazi’s en naar het über-commerciële Hollywood. Maar hij overleefde en paste zich aan. En misschien wel het allerberlangrijkste: hij wist meesterwerken te maken die het gebruikelijke banale werk uit Hollywood overstijgen, terwijl ze toch een commercieel succes werden. Sommigen vinden Some Like It Hot nog steeds de beste filmkomedie die ze ooit gezien hebben, met een grap aan het eind die een beetje knipoogt naar homoseksualiteit: ‘But I’m a man!’ ‘Well, nobody is perfect.’ En dat in het Amerika van de jaren vijftig… Wilder wist dat hij hiermee weg kwam omdat de mensen al praktisch van hun stoel gerold waren van het lachen.

    Op dit moment zie ik Jia geen meesterwerken maken (en ik hoop echt dat ik ongelijk krijg). Maar er is hoop. Vanwege zijn werkkracht en zijn politieke skills. Wat dit betreft: bijvoorbeeld iemand als Fassbinder begon pas na een hele serie speelfilms titels van een hoger niveau af te leveren (o.a. Die Ehe der Maria Braun).

  4. 4

    @2: ook hier twijfel ik niet aan de goede bedoelingen van Jia Zhang Ke. Maar als ik de werknemer zie die die uitspraak doet: de man weet dondersgoed weet wat daar op dat moment de politiek correcte uitspraak is. Hij spreekt met zijn ex-baas; hij weet dat zijn huidige bazen zullen meekijken, en de bazen van de Communistische Partij. Hij kijkt wel uit om iets doms te zeggen. En in wezen verschilt dat niet zoveel van een kantoorklerk in de westerse wereld die in zijn situatie wel uitkijkt om iets doms te zeggen.