Het einde van oranje
De bewoners van de stad namen ze mee naar huis, de ongeschoren jongens uit West-Oekraine die hun tenten hadden opgeslagen in Kiev. Ze kregen een douche, een flinke maaltijd en meestal bleven ze slapen. Er was hoop, zelfs de treurige buitenwijk van K. had iets vrolijks. Aan het klimrek van een verlaten speeltuin hing een oranje lintje. Grootmoeders uit het hele land vulden hun magere pensioentjes aan door bij metrostations oranje shawls en mutsen te breien. In de metro werd gezongen, op straat heerste euforie. En angst. Duizenden mijnwerkers uit het Oosten zouden met hun pikhouwelen naar de hoofdstad komen om de revolutie uit elkaar te slaan. En ze kwamen. Er werd gepraat, ze maakten grapjes en er werd vooral gedronken. De volgende ochtend gingen de foto’s de wereld over, de blauwe mijnwerkers met hun Janoekovitsj-vlaggen innig zoenend met de blonde vrouwen in hun oranje Joesjtsjenko-shawls.
De grimmige landen van de voormalige Sovjet-Unie zouden voorgoed veranderen. De Europese Unie doneerde zelfs een kerstboom met 25 blauw-gele ballen en een 26ste, oranje bal. In het holst van de nacht werden we naar de kleine ondergrondse kantoorjes geloodst waar de jongerenorganisaties hun werk deden. Per koerier kwam het geld van George Soros binnen. Ze hadden het momentum, een paar weken later hield Joesjtsjenko zijn inauguratiespeech. De held van ‘die andere’ revolutie, Michail Saakasjvili, hield een toespraak in vloeiend Oekrains. Mijn vrienden hadden tranen in hun ogen. De revolutie had zelfs een eigen televisiezender. Maar het echte werk is nooit begonnen. De monster en het meisje braken met elkaar, de nieuwe ministersposten werden voor veel geld verkocht en de pijnlijke maar broodnodige hervormingen werden nooit doorgevoerd.





