De economische crisis in de wereld is een bankierscrisis. Het zijn de bankiers die te ver zijn gegaan in hun jacht op korte termijn rendementen. Zij hebben producten verhandeld, waarvan ze de risico’s niet begrepen, waarschuwingen in de wind geslagen. Toen ging het mis en waren miljarden belastinggeld nodig om te voorkomen dat het systeem zou omvallen.
Dat is nog maar kort geleden. Maar de hoon jegens de overheid is onverminderd, de bonussen zijn nog steeds veel groter dan de prestaties en niet gematigd links, maar rechts slaat de maat. Tot ingrijpende regulering van het financieel systeem is het nog maar mondjesmaat gekomen. Het is niet voor het eerst: ook Argentinië was er ooit zo slecht aan toe als Griekenland, ook toen moest de overheid te hulp schieten. Dankbare bankiers die met enige nuance spreken over de verhouding tussen overheid en private banking heeft het niet opgeleverd.
De oplettende lezer merkt dat ik twee crisissen aan elkaar knoop: de mondiale crisis van de sub-prime hypotheken en die van de euro. Die crisissen verschillen, maar ze hebben de onwaarachtigheid, om niet het woord leugenachtig te gebruiken, met elkaar gemeen.
In de USA vonden de liberals van Clinton een belangenovereenkomst met de greedy banksters. “Ook een gewone Amerikaan moet een huis kunnen kopen”. “Ja, sluit uw hypotheek hier”. Het leidde tot een bubble die wel moest barsten. Dat wist eigenlijk iedereen, maar tot die knal was het bonanza in de financiële wereld: zakken vullen en wegwezen. Alleen: niet alleen de failliete huiseigenaren betaalden het gelag, ook de banken bleven zitten met waardeloze activa op hun balans.