In 1988 verbood de Boliviaanse regering de teelt van coca, de grondstof voor cocaïne. Grote motor achter dit verbod waren de V.S., de grootste afnemer van het verboden eindprodukt. De daaropvolgende campagne, waarin de cocavelden van de boeren werden verbrand, was een doorslaand succes. Een miljard dollar per jaar doet wonderen. Tegenwoordig is er in Bolivia nog maar 48.000 hectare waarop coca wordt verbouwd, ongeveer een derde van wat het in 1990 was.
Maar dit succes had een onplezierig neveneffect. Je kan niet ongestraft de grootste industrie van een land opdoeken. Inwoners verloren honderden miljoenen aan inkomsten en er werd steeds meer geprotesteerd, vaak geleid door de indiaan Evo Morales. Wegen werden geblokkeerd en de onvrede uitte zich steeds grimmiger en geweldadiger.
Deze onrust leidde er uiteindelijk toe dat de Boliviaanse regering door de kiezer naar huis werd gestuurd. Het resultaat? Evo Morales, voormalig coca-boer en liefhebber van lamawol (zie plaatje) werd president.
Het ziet ernaar uit dat hij de cocateelt zal legaliseren, maar daarnaast wel de cocaïneproduktie en het gebruik wil bestrijden. Het lijkt een beetje op een omgekeerd Nederlands drugsbeleid. De grondstof is legaal, maar het gebruik ervan is illegaal. Goed, er kunnen alternatieve produkten gemaakt worden van coca, zoals zeep, shampoo, broodmeel, en allerhande geneeskrachtige middelen. Deze hebben geen van allen een geestverruimende werking. Het probleem? Behalve in Bolivia is het overal verboden, en het ziet er niet naar uit dat dat in de nabije toekomst zal veranderen.