GeenCommentaar heeft ruimte voor gastloggers. Onderstaande analyse is van Mario Frieswijk en verscheen eerder op zijn eigen weblog.
Femke Halsema deed in een opiniestuk, dat dit weekend in de Volkskrant te lezen was, drie aanbevelingen voor de politici, bedoeld om na de verkiezingen van 9 juni het land bestuurbaar te houden.
Het is een artikel met een verhaal dat we de laatste tijd wel vaker horen; het electoraat is te versplinterd waardoor het vormen van stabiel bestuur onmogelijk zou worden. Vervolgens een rekensom waaruit die onbestuurlijkheid moet blijken, en het hele artikel is doordrenkt met de gedachte, dat dit vroeger anders was.
Dat het electoraat versplinterd is, kan moeilijk ontkend worden. Maar het idee dat dit ooit structureel anders was, klopt niet. Tot 1977 bestonden meerderheidskabinetten in Nederland altijd uit 4 of meer partijen. Pas na de oprichting van het CDA veranderde deze situatie. Deze fusie maakte van 3 partijen 1, en werd al snel gevolgd door de fusies van de voorlopers van GroenLinks en de ChristenUnie. Hierdoor werd het parlement een periode erg overzichtelijk, maar het gaf ook de electorale ruimte voor het ontstaan van nieuwe partijen.
Een tweede aanname is dat versplintering per definitie zou leiden tot een onbestuurbaar land. Toch beschouwen we de 150 jaar die we zo geregeerd zijn over het algemeen niet als één lange periode van instabiliteit. Overigens laat hier ons geheugen ons wel in de steek; premier Balkenende staat bekend als slechte premier, vooral omdat hij binnen tien jaar 4 kabinetten geleid heeft. Iemand als Willem Drees herinneren we ons als een stabiele bestuurder, maar ook hij leidde 4 kabinetten in tien jaar.