De dag dat de journalistiek stierf…
…was 17 juni 1972. Het Watergateschandaal. Niet toevallig was het in 1972 dat verkoopscijfers van de kleurentelevisie hoger waren dan die van de zwart-wit televisies. Vermaak vraagt om kleur. En media werden steeds minder aanbieder van informatie, maar des te meer van entertainment.
Rond het Watergateschandaal begon de trend om de kracht van de onafhankelijke massamedia via vermarkting en manipulatie onderuit te halen. Entertainment kan een uitstekend middel zijn om informatie over te brengen. Maar massamedia zijn er niet uitsluitend ter vermaak van het volk. Juist de Nederlandse publieke omroep zou niet mee moeten doen met de trend om vermaak boven informatie te stellen. Een pleidooi voor een publieke omroep naar het model van BBC en VRT.
Op de avond van 17 juni 1972 ontdekte de beveiligingsmedewerker van het campagnebureau van de Democratische partij in de VS dat er tape zat op sommige deuren. Hij dacht er verder niets van, haalde de tape eraf en ging verder met zijn werk. Een uur later bemerkte hij dat er opnieuw tape op de deuren zat.
Hij belde de politie en om 02:31 uur werden Virgilio González, Bernard Barker, James W. McCord, Jr., Eugenio Martínez, en Frank Sturgis gearresteerd. Een inbraak die door de journalisten Carl Bernstein en Bob Woodward – met wat hulp van de onderdirecteur van de FBI W. Mark Felt aka Deep Throat – de geschiedenis in zou gaan als ‘The Watergate scandal’, vernoemd naar het gebouw waar het zich afspeelde.



