Soekarno, Hatta en de Hofstadgroep

Soekarno & Hatta roepen de onafhankelijkheid van Indonesië uit (Foto: Wikimedia Commons)

Zeven leden van de Hofstadgroep zijn alsnog veroordeeld wegens deelname aan een terroristische organisatie. Ze waren daarvoor eerder veroordeeld door de rechtbank van Rotterdam, daarna vrijgesproken door het Gerechtshof in Den Haag. Na tussenkomst van de Hoge Raad moest nu het Gerechtshof in Amsterdam opnieuw uitspraak doen. Daar luidde het oordeel “dat de verdachten wel degelijk hebben deelgenomen aan een samenwerkingsverband van voldoende structuur en duurzaamheid om te kunnen spreken van een organisatie. Voorts stelt het hof vast dat die organisatie gericht was op opruiing, aanzetten tot haat en geweld, en bedreiging, onder meer met een terroristisch misdrijf.” Vijf mensen kregen vijftien maanden. De andere twee kregen veel zwaardere straffen vanwege het bezit van handgranaten, resp. het gooien van een handgranaat naar de politie. De veroordeling wegens gebruik van geweld laat ik hier even buiten beschouwing. Interessanter is deze zaak vanuit de invalshoek van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting.

De procesgang laat zien dat de rechters van mening verschillen bij de beoordeling van als terroristisch bestempelde groepen. De Hoge Raad had de zaak terugverwezen naar het Hof omdat hij vond dat er bij de vrijspraak uitgegaan was van een te enge definitie van een terroristische organisatie. Kennelijk moet de streep bij dergelijke groepen wat eerder getrokken worden. Maar de vraag is of een ruimere definitie van wat strafbaar is geen inbreuk maakt op burgerlijke politieke vrijheden.

Dit is geen nieuwe vraag. Toevallig las ik deze week de afscheidsrede van hoogleraar staatsrecht J.M. de Meij onder de titel ‘Geen daden maar woorden’ (2003). De Meij heeft veel gepubliceerd over uitingsvrijheid en bij zijn afscheid besprak hij enkele historische processen uit de Nederlandse koloniale geschiedenis.

In Nederland stonden in 1927 enkele Indische studenten terecht wegens ‘opruiing tot gewelddadig optreden tegen het Nederlandsch Openbaar Gezag’. Eén van deze studenten was de latere vice-president van Indonesië Mohammed Hatta. De studenten werden vrijgesproken omdat de studenten volgens de rechtbank mensen niet direct hebben aangezet tot geweld. Propaganda voor geweld werd door de rechtbank niet gelijk gesteld aan opruiing tot onmiddellijk gebruik van geweld. Dat argument lijkt op wat in de Verenigde Staten wordt genoemd: ‘a clear and present danger’. Bij afwezigheid van dat onmiddellijke gevaar is er geen sprake van strafbaarheid. Dan geldt immers ook de verantwoordelijkheid van de ontvangers van de boodschap die al dan niet kunnen overgaan tot het gebruik van geweld. De Meij zegt dat ‘een pleidooi voor geweld in abstracto’ (woorden, geen daden) tegenwoordig ook beschermd wordt door artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Nederlandse rechters die de Hofstadgroep tot twee keer toe hebben veroordeeld zijn het hier kennelijk niet mee eens.

Een tweede kwestie die De Meij bespreekt is de veroordeling van Soekarno op 22 december 1930 in het toenmalige Nederlands-Indië wegens lidmaatschap van een vereniging met een criminele doelstelling en meer in het algemeen stemmingmakerij tegen de koloniale overheid. Soekarno, na de bevrijding de eerste president van het nieuw Indonesië, draaide voor vier jaar de bak in. Waarom was zijn Partai Nasional Indonesio (PNI) crimineel? Critici van het vonnis van de koloniale rechtbank, waaronder De Meij, wijzen er op dat de rechter hier een nogal vreemde argumentatie hanteert. Er is geen sprake van criminele handelingen, er waren geen aanwijzingen voor gebruik van geweld. De rechter meende simpelweg dat uit de revolutionaire taal van de PNI de gewelddadige doelstelling kon worden afgeleid. Je zegt iets dat mogelijk tot criminele handelingen kan leiden en dus ben je bij voorbaat crimineel. Dit is dus precies de omgekeerde redenering van de Nederlandse rechter die een paar jaar eerder Hatta vrijsprak omdat er een verschil is tussen geweld prediken en geweld gebruiken. Hiermee, aldus de critici, construeerde de koloniale rechtbank zijn eigen feiten.

De Meij constateert dat de gronden waarop Soekarno werd veroordeeld ook later in kringen van juristen toch wel als gerechtvaardigd werden gezien. Tot vandaag de dag toe, lijkt het. Je zou je kunnen afvragen of het Amsterdamse Hof nu niet in wezen hetzelfde doet als de koloniale rechtbank tachtig jaar geleden. Met uitzondering van die twee met de handgranaten lijken de ‘feiten’ waarop de meerderheid van de Hofstadgroep veroordeeld is vooral te bestaan uit woorden en vermeende bedoelingen. De opvallende gelijkenis met de redeneertrant van vele islamofoben wijst er op dat het koloniale gedachtegoed in Nederland nog steeds leeft.

Reacties zijn uitgeschakeld