Weekendbedenking – Biofuelwaanzin en waterstofoptimisme
Het kan aan mij liggen, maar steeds vaker zie ik dat de discussie over biofuels gekoppeld wordt aan die over klimaatverandering. Op de een of andere manier verwachten mensen van een massale overstap op biofuels, brandstof gemaakt van organische stoffen, een grote bijdrage aan het tegengaan van de klimaatverandering. Niemand schijnt te beseffen dat dat een bijna nog grotere revolutie inhoudt dan de overstap van een aardolie- naar een waterstofeconomie. Want als je met onze huidige landbouw- en omzettingsmethoden biofuels gaat produceren neemt de CO2-uitstoot echt niet af, integendeel zelfs, zonder een technologische revolutie zal de CO2-uitstoot waarschijnlijk nog toenemen.
Het is niet moeilijk te raden wat er allemaal mis is in de misplaatste verwachtingen. Of je nu aardolie laat ontploffen in een motor of maiskiemolie, het blijft een verbrandingsproces, en dus levert het CO2 op. De huidige processen om uit landbouwgewassen biofuel te maken kosten allemaal veel energie en de opwekking daarvan resulteert nog steeds in CO2-uitstoot. De landbouw zelf is eveneens erg energie-intensief. Kortom, van biofuel als zodanig zijn op korte termijn geen wonderen te verwachten. De enige reden om er op over te stappen kan zijn om minder afhankelijk te worden van aardolie.
Op zich is er voorlopig nog aardolie genoeg. Maar het is inderdaad een eindige energiebron en bovendien een grondstof voor tal van kunststoffen die je niet uit zonnebloemolie kunt maken. Een beetje zonde dus om de aardolie in een gierend tempo door automotoren heen te jassen. Het enige alternatief voor aardolie waarbij je geen opwarming van het klimaat veroorzaakt lijkt op dit moment waterstof te zijn. En dan speciaal bij omzetting in een zogenaamde brandstofcel. Voorwaarde is wel dat de productie van waterstof geschiedt met duurzame energiebronnen, voornamelijk zonne- en windenergie en dan nog zo veel mogelijk lokaal, daar waar de vraag is. Waterstof houdt dan inderdaad de belofte in van een onuitputtelijke energiebron die zelf vrijwel schoon geproduceerd kan worden.
Kerncentrales staan bekend om hun robuustheid. Als ze er eenmaal staan dan ben je zeker van stroomlevering. Dat lijkt echter steeds minder op te gaan voor de oudere kerncentrales van vandaag de dag. In 
“Het kabinet zal tijdens deze regeerperiode geen vergunning verstrekken voor de bouw van een nieuwe, tweede kercentrale in Nederland. Dat heeft minister Jacqueline Cramer van VROM maandag gezegd” (FD 2 oktober)
In de jaren ’50 van de vorige eeuw werd de grote belofte gedaan van een onuitputtelijke stroom schone nucleaire energie. Jarenlang kwamen er tientallen kerncentrales bij totdat diverse ongelukken met als slotakkoord Chernobyl leidde tot decennialange stilte. De afgelopen jaren beleeft de nucleaire industrie echter een opleving waarin nieuwe dromen geboren worden. Één daarvan is de ophanden zijnde thoriumreactor. 
In 1896 ontdekte Henri Becquerel bij toeval het spontane radioactieve verval van uranium met behulp van een fotografische plaat. Met Einsteins E = mc2 werd het in het begin van de twintigste eeuw duidelijk dat door het massadefect bij het splijten van een gram uranium evenveel energie vrij zou komen als bij het verstoken van 2.500 ton goede steenkool. Voor een efficiënte energiewinning moet het verval echter op een of andere manier sneller verlopen. In 1939 lukte het de Duitsers Hahn en Strassman de splijting van 235U op te wekken met een bombardement van neutronen hoewel ze niet begrepen wat er gebeurde. Lise Meitner en haar neef Otto Frisch snapten het wel en publiceerden de verklaring meteen in Nature [1]. De zoektocht naar het in gang zetten van een kettingreactie in radioactieve elementen begon, zowel in Duitsland als in de Verenigde Staten, Rusland en Japan, met als vernietigend resultaat de atoombommen op Japan in 1945. In de jaren vijftig kwamen civiele toepassingen van kernenergie tot ontwikkeling. Na de ongelukken in Harrisburg (1979) en Tsjernobyl (1986) is er wereldwijd weinig meer geïnvesteerd in kernenergie. Is het nu tijd voor een opleving? Een gesprek over de perspectieven van kernenergie met Tim van der Hagen, directeur van het Reactor Instituut in Delft. (door: Claud Biemans)
Jeffry Lee is de laatste van zijn stam en woont in Northern Territory, Australië bovenop een schat aan uranium ter waarde van 5 miljard australische dollar (3,2 miljard euro). De franse energiegigant
Windenergie is het stadium van kinderziektes voorbij. Jaarlijks groeit het marktaandeel met 20 tot 30% en in landen als Denemarken, Duitsland en Spanje draagt het substantieel bij aan de elektriciteitsvoorziening. De afmetingen van windturbines zijn toegenomen, ze zijn beter aangepast aan de netwerken en de windparken zijn langzaamaan richting zee getrokken. De kosten van windstroom komen in de buurt van de kosten van fossiele elektriciteit. Met deze groei ontstaan nieuwe uitdagingen: integratie van windenergie in de totale elektriciteitvoorziening, de stap van windturbines naar (offshore) windcentrales, de erbij behorende eisen van betrouwbaarheid en een verdere afname van kosten. Dit verhaal gaat over de stand van zaken en de perspectieven van windenergie.