Rummikubben

Terwijl wij, de Nederlanders, over elkaar heen buitelen in gekissebis over een in het rond schietende christelijke haatconservatief, over de woorden van een van zijn Grote Roergangers en hoe gevaarlijk ze al dan niet zijn, over het getortel van een politica zes jaar terug in de Afghaanse woestijn, en de voorzichtige danspassen van een Premier op Dance Valley, stort het hele kaartenhuis langzaam in elkaar. Terwijl wij vrolijk zitten te rummikubben aan tafel, wankelen de muren, en komt het stuc van het plafond naar beneden. We zouden ons daar druk over kunnen maken. We zouden kunnen nadenken over de stutten die we moeten plaatsen. We zouden emmers kunnen pakken om het lekkende water op te vangen. We zouden het bouwbedrijf kunnen bellen. Maar ja. We zitten te rummikubben. En als je rummikubt, kub je rummi. Dat huis, dat blijft nog wel even staan. Staat al eeuwen, hoor. Is gewoon de leeftijd, en de wind. Komt goed. 

Niet dat ik echt snap wat er aan de hand is. Sterker: ik krijg stellig het vermoeden dat vrijwel niemand helemaal precies doorgrondt hoe het zit. En van die paar mensen die het wellicht echt helemaal snappen, weet dan weer niemand hoe ons, de nitwits, zover te krijgen dat we snappen wat er aan de hand is, wat er zou moeten gebeuren, en waarom dat per se zo is – ook al omdat er tallozen zijn die het denken te snappen en met even veel overtuiging een totaal ander verhaal vertellen. Ons financiële systeem is zo ingewikkeld dat voor de leek zelfs de verhalen erover nauwelijks nog te volgen zijn. Vrijwel niemand is in staat te doorzien wie van de deskundologen u doelbewust een oor aannaait, wie u met de allerbeste bedoelingen het verkeerde pad op stuurt, en wie nou uiteindelijk plannen aandraagt die zoden aan de dijk zetten. Zelfs als je er vanuit zou gaan dat er maar één weg is die naar de uitgang leidt in plaats van zevenentwintig, ben ik niet in staat uit te maken welke weg de juiste is. Kan ik dus ook werkelijk niks zinnigs over zeggen. Kan ik dus beter blijven rummikubben.

Als je er al iets zinnigs over zou willen zeggen is dat dat ons economische radarwerk inmiddels veel te verfijnd is, en veel te snel draait, en dat het zich feitelijk niet laat combineren met iets dat lijkt op ‘democratie’. De gemiddelde kiezer, hoog- of laagopgeleid, kan, op dit vlak, knollen nauwelijks van citroenen onderscheiden, en appels al helemaal niet van peren. Het komt allemaal aan op het verkooppraatje, en die verkooppraatjes kennen we al een tijd, veranderen niet zo erg, en lijden in sterke mate aan hyperbolie en canonisering. U weet wel, iets met Sinterklaas, sterke schouders en ‘mijn belastingcenten’ – en vaak met heul veul uitroeptekens. Komt nog bij dat democratisch gekozen volksvertegenwoordigers uiteindelijk nauwelijks iets kunnen uitrichten. Het is een organisme, een zichzelf replicerend en vormend fenomeen waarover eigenlijk niemand écht iets te zeggen heeft. We zijn slechts passagiers op een hogesnelheidstrein zonder duidelijke richting en zonder machinist.
Als er iets is dat ik mis, dan is het wel debat over waar we heen willen, met dat systeem van ons. Als we even stoppen met rummikubben, en goed om ons heen kijken, dan is wel duidelijk dat de houtrot er goed in zit. Het heeft allemaal zijn langste tijd wel gehad. Ik gebruik vage woorden – omdat ik ook niet precies weet wat onder ‘allemaal’ en ‘zijn langste tijd’ verstaan moet worden. Ik heb het gevoel dat we in de jaren ’80 en ’90 met alle privatisering en deregulering een kapitalistische geest uit de fles hebben gehaald die ons nu komt achtervolgen. Maakte op korte termijn op wat voor de langere termijn bestemd was. Gaf een gulle glans die eeuwig leek te zullen zijn en nu zeer tijdelijk blijkt. Maar dat is gut feeling, een gevoel dat je opbouwt op basis van de informatie die je tot je neemt. Ik weet dat er óók mensen zijn die vinden dat die geest nog half knel zit in de fles, en er nodig écht uit moet. Ik geloof daar niet in. Ik geloof in de uitdagingen die markten bieden, maar ook in de blijvende noodzaak de marges van het speelveld helder aan te geven om te voorkomen dat de markt de samenleving opvreet – een proces waarvan we momenteel overigens getuige zijn. De markt is een monster dat niet zonder muilkorf over straat kan. Dan maar iets minder vaak naar Benidorm met z’n allen.

Maar om zover te komen moeten we dus stoppen met rummikubben over de cultuurfantasieën van Martin Bosma en de danspasjes van Mark Rutten. En dat is jammer. Want rummikubben is eigenlijk best verslavend. Stiekem. Toch?

Reacties zijn uitgeschakeld