Classicus, filosoof, commando, docent, huurling, revolutionair, maar vooral oproerkraaier: Michiel de Ruyter (nee, niet de zeeheld) is het allemaal. Een personage dat tot de verbeelding spreekt, maar toch menselijk en herkenbaar is. Auteur Robert Anker (1946) laat zich met zijn nieuwste werk van zijn beste kant zien: opnieuw bezigt hij verschillende jargons en dialecten, allemaal even geloofwaardig, en zet een ijzersterk verhaal neer. In Oorlogshond vertelt een naamloze, “embedded” biograaf over drie episodes uit het leven van Michiel: zijn tijd op het Heinsius College, zijn werk als contractsoldaat in Oost-Mawele (Afrika) en, last but not least, van zijn dagen als leider in de strijd voor een onafhankelijk Saumerland, een fictieve (boeren)provincie in het oosten van Nederland.
“De geschiedenis van Michiel de Ruyter begon toen hij een aanstelling als leraar klassieke talen aan het Heinsius College” (p. 17), aldus de ingebedde biograaf. Daar strijdt hij samen met enkele andere leraren tegen het Andere Leren, een nieuwe onderwijsvorm die uitgaat van de idee dat kinderen tegenwoordig vindingrijk genoeg zijn om zelf aan hun informatie te komen. Waarom zou je kinderen dwingen natuurkundige wetten te leren als ze later toch leraar Frans worden? Of andersom: waarom moeten ze een vreemde taal leren als ze zich het liefst uitdrukken in de abstracte taal van de wiskunde en informatica? Kinderen zouden zelf kunnen bepalen waar ze zich in willen specialiseren en worden daarom vrijgelaten in het wel of niet volgen van een vak. Daarmee is de leraar als ‘kenner van een vak’ en ‘overdrager van kennis’ overbodig geworden en verworden tot niets meer dan een oppas. Michiel en zijn trawanten richten leerclubjes op die nog volgens de ‘oude wijze’ kinderen onderrichten in een vakgebied en hen traint de nieuwe elite te worden. Iets waar directeur Wladimiroff, voorstander van het Andere Leren, weinig zin in heeft. En zo ontstaat een tweedeling tussen de docenten op het Heinsius.