Het geweldsmonopolie vraagt om meer dan collegiale loyaliteit

Foto: Mr MdR (cc)

Een zwangere vrouw die in mei tijdens een politieoptreden in een asielzoekerscentrum in Zeist hard tegen de grond werd getrokken, doet aangifte tegen de betrokken agenten. Volgens haar advocaat gaat het om mishandeling of poging tot zware mishandeling en schending van de geweldsinstructie. De vrouw stelt dat zij na het incident vroegtijdige weeën kreeg en psychisch letsel opliep.

Die aangifte is belangrijk, los van de vraag hoe een rechter uiteindelijk over deze zaak zal oordelen. Ze legt namelijk een fundamenteler probleem bloot: de manier waarop de politie reageert wanneer er serieuze vragen worden gesteld over het eigen geweldsgebruik.

Vrijwel direct na het incident volgde de boodschap dat het geweld “noodzakelijk” was. Later bleek dat een interne geweldscommissie tot dezelfde conclusie was gekomen. Op de vraag of het geweld ook proportioneel en volgens de regels was toegepast, gaf de politie geen inhoudelijk antwoord. Dat zou onderdeel zijn van een interne procedure die niet openbaar wordt gemaakt.

En dat is gek. De politie beschikt als enige organisatie over het wettelijke geweldsmonopolie. Dat is een uitzonderlijke positie, gebaseerd op vertrouwen. Burgers accepteren dat agenten geweld mogen gebruiken omdat zij ervan uit mogen gaan dat elk gebruik van geweld onafhankelijk, kritisch en transparant wordt beoordeeld.

Dat vraagt om een andere reflex dan de reflex die veel organisaties kennen: eerst de rijen sluiten, daarna pas kijken wat er precies is gebeurd. En dat laatste is wat de politie te vaak lijkt te doen.

Natuurlijk verdienen agenten bescherming tegen voorbarige veroordelingen. Politiewerk vindt plaats onder hoge druk, met onvolledige informatie en soms in gevaarlijke situaties. Niemand heeft er baat bij dat iedere agent na elk incident onmiddellijk publiekelijk wordt afgeschreven.

En daarom is transparantie zo belangrijk. Wie zorgvuldig onderzoek doet, hoeft een kritische beoordeling niet te vrezen. Wanneer de uitkomst luidt dat het optreden correct was, versterkt openheid juist het vertrouwen. Wanneer fouten zijn gemaakt, versterkt erkenning dat vertrouwen eveneens. De enige uitkomst die vrijwel altijd wantrouwen oproept, is: “vertrouw ons, we hebben onszelf onderzocht.”

Dat geldt des te sterker wanneer er videobeelden bestaan waarop het optreden voor veel mensen buitenproportioneel oogt. Dan is een summiere mededeling dat alles intern is beoordeeld simpelweg onvoldoende. Het publiek hoeft geen operationele details of persoonsgegevens te kennen, wel de afwegingen die hebben geleid tot de conclusie dat het geweld gerechtvaardigd was.

Een geweldsmonopolie is geen privilege dat alleen bevoegdheden geeft. Het legt ook een zwaardere verantwoordingsplicht op dan voor iedere andere organisatie geldt. Juist omdat de politie namens ons allemaal geweld mag gebruiken, hoort zij een hogere standaard van openheid na te streven.

Loyaliteit aan collega’s is een begrijpelijke menselijke reflex. Voor een organisatie met het geweldsmonopolie mag die reflex nooit belangrijker worden dan de zichtbare bereidheid om eigen handelen kritisch te onderzoeken en daar publiekelijk verantwoording over af te leggen.

Reacties (1)

#1 Emile M

Eens. De transparantie is ver te zoeken. Dat de uiteindelijke vervolging sinds enige tijd plaatsvindt bij de gespecialiseerde ‘Blauwe Kamer’ van de rechtbank heeft daar ook aan bijgedragen. ICE zou ons moeten leren hoe het niet moet.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren

*
*
*