Dichter des Vaderlands III: Ramsey Nasr

UPDATE Ramsey Nasr is vanavond in een rechtstreekse TV-uitzending met een ruime overwinning gekozen tot Dichter des Vaderlands. Het campagneteam van Tsead Bruinja deed verslag van de avond. Hier vindt u de hele uitslag en hieronder staat ons eerder gemaakte profiel van Ramsey Nasr.

Het is weer Dichter des Vaderlands-verkiezing en omdat je stem dubbel telt als je hem motiveert geeft GeenCommentaar je graag voor elke dichter redenen mee. Wij houden er wel van als onze reaguurders wat meer invloed kunnen uitoefenen op democratische processen. En omdat het natuurlijk om de poëzie moet gaan, krijgen jullie ook elke dag een gedicht voorgeschoteld. Da’s handig, want op de verkiezingssite kan je alleen fragmenten lezen. Vandaag informatie over en poëzie van Ramsey Nasr.

Ramsey Nasr (Foto: Flickr/han Soete)

Als bekendheid het criterium is, moet Ramsey Nasr maar Dichter des Vaderlands worden. In een steekproef door Bart FM Droog wist Nasr het hoogste aantal Google-hits bijelkaar te scharrelen: bijna 77.000. En als het aan mij zou liggen en de gedichten waren mijn enige criterium, zou hij het ook worden, want ik vind Nasr de meest lyrische, meest dichterlijke dichter van het stel, die zijn letters kan doen zingen en zijn zinnen laat dansen. Maar goed, dat is slechts mijn mening en ik geef die om tenminste niet verweten te kunnen worden dat ik iets subtiel probeer te pushen.

Nasr is, na Bruinja (Fries/Nederlands), de tweede dichter op de lijst met allochtone roots: hij is half-Palestijns. Hij staat erom bekend in zijn gedichten vaak maatschappelijke onderwerpen aan te snijden. Zijn eerdere uitspraak “Dit volk hangt van paradoxen aan elkaar en het enige waar dit volk één in is, is hysterie,” alsmede zijn shortlistaanvaardingsgedicht in de NRC (helaas niet online beschikbaar voor niet-abonnees) met de titel “Ik wou dat ik twee burgers was (dan kon ik samenleven)” doen vermoeden dat het onderzoeken van het volksidee waarschijnlijk een leidend motief van zijn potentieel DdV-schap zal zijn. Tegen Woest en Ledig beaamt hij dat: “Ik zie wat in Nederland gaande is: het zoeken naar zichzelf, de belangstelling voor een canon. Ik wil als dichter deelnemen aan die zoektocht.” Ook zegt hij dat hij graag “poëzie de maatschappij wil binnentrekken en vica versa.”

Naast dichter is Nasr ook acteur en toneelschrijver. Hij schreef een monoloog voor zijn eigen afstuderen in 1995, de Doorloper en zowel zijn prozadebuut uit 1996 Kapitein Zeiksnor en de twee culturen als het lange gedicht Geen Lied in zijn uit 2000 stammende poëziedebuut 27 gedichten en geen lied zijn feitelijk monologen. Van het Humanistisch Vredesberaad kreeg hij in 2006 de prijs “Journalist van de Vrede” voor zijn bijdrage aan de begripsvorming tussen oosterse en westerse culturen. Tien jaar geleden kon je je dus aan Nasr geen multiculturele buil vallen, nu zal zoiets voor sommigen eerder een diskwalificatie zijn. Maar goed, het gaat natuurlijk om zijn gedichten. Hieronder eentje uit zijn tijd als Antwerpen’s stadsdichter. Andere gedichten van Nasr zijn online te vinden op zijn website, bijvoorbeeld hier. Meer Antwerpse gedichten zijn ook ruimschoots online beschikbaar.

Het huis van honing en melk

De vrouw op het statige Zuid bestaat niet. Overdag begraaft ze zichzelf.
Ze huurt de seconden en uren af in een dure onzichtbare stad.
Het huis dat de vrouw bewoont bestaat niet. Ik weet waar. In deze straat
ligt het stiltegebied van de woondienst, een gat gevuld met kamers.

De vrouw, die het huis niet verlaat, maanbleek en onderkomen is,
woont niet echt in een goor donker hol achter de Volksstraat.
Zoiets kan niet, dat bestaat niet. Ze woont niet echt, maar alsof.
Dit verheldert de zaak: ongeldige vrouw heeft zich als nacht verstopt.

De vrouw met man en vier kinderen heeft geen recht op honger,
geen reden tot licht, elektro of warm water. Ze mag niet klagen.
Ze mag hier niet werken zolang ze niet bestaat. En vooral vice versa.
Tot die tijd moet ze weg. Het systeem werkt m.a.w. perfect.

De kinderen – één, twee, drie, vier – de kinderen zijn net echt.
’s Nachts niet, dan slapen ze tussen strontlucht en kakkerlakken
samen op de vochtige grond. Niet echt: ze doen alsof. In elk geval
zie ik er ’s ochtends drie naar een propere school vertrekken.

Die school bestaat. Vrienden van mij sturen hun dochter ernaartoe.
De school heeft een naam, een stedelijk goede naam op ’t Zuid.
De school treft geen blaam. Men zag er drie kinderen in een klas
elke dag hun ogen stijf toeknijpen, niemand wist wat het was.

Het was het zonlicht. Vier kinderen groeien, nogmaals, op in een hol.
Eén dochter heet Noer, zij werd zes in het donker. Ze spreekt Vlaams.
Noer bestaat, ze is een illegaal halflicht met de zieke ogen van een mol,
de natte longen van een zeehond en een hart dat ze hier heeft opgedaan.

Er is ook een weldoener. De weldoener bezit het huis dat niet bestaat.
Zonder hem geen ongedierte, monoxide of kans op ontploffing op ’t Zuid.
Ontploft de boel, dan verbrandt misschien het gezin, maar ook het huis.
Daarom vraagt de weldoener geld. Om wel te kunnen blijven doen.

Weldoeners weten: elke mens is een vierkante meter, elke meter
een luxeleven voor wie weinig excuus of geen enkel bezit.
Weldoeners lichten op in de duisternis. Ze verhuren een aambeeld
om in te wonen. Slaan erop totdat het bloost. Tot het bloost als een matras.

Antwerpen, gij zijt een schone stad, gevuld met onzichtbare wanhoop.
De huurders van uw paradijs zochten hogere honing en appelspijs.
Men gaf ze bittere bijen te eten, loodwitte melk. Nog bleven ze bij u.
Zegt gij het dan. Wat moet een mens met zijn vreemden aanvangen?

Antwerpen zeg ons, wat doen wij straks als de kakkerlakken zijn bekeurd,
de gaten in hechtenis genomen, de schimmels bewaard voor het archief?
Wat doen we met het overschot? Wat doen we met kind 1, 2, 3 & 4?
Ze zijn volledig opstapklaar. Gelukkig bestaan er formulieren.

’t Is goed in de eigen stad te kijken. Ook wij willen weldoen. Wij willen
onze illegalen tellen, namen geven en ingeburgerd wegsteken in een cel,
een hol met hek. Maar zèg dat dan gewoon. Spreek helder Vlaams en zeg:
duik in vogelvrije vlucht omlaag, omlaag naar het licht van de Schelde.

(c) stadsgedicht Antwerpen 2006

  1. 1

    Ik weet niet welke gedichten hier nog komen gaan, maar vanwege het begrijpelijke poëtische gehalte lijkt het me nu al dat de GC-reaguurders heer Ramsey alvast kunnen pushen.

  2. 3

    Sinds wanneer is begrijpelijkheid een criterium. Maar Nasrs betrokkenheid en – inderdaad – lyrische stijl maakt ‘m een mooi dichter. Voor mij een beter dichter dan Bruinja. Van Leeuwen ben ik nog niet over uit.

    In ieder geval hulde voor de aandacht

  3. 4

    @3: Ik heb geen idee sinds wanneer het een criterium is.
    Ik krijg wel het idee dat het voor de dichter des vaderlands moet gelden.
    Bij Ramsey Nasr is het niet alleen begrijpelijk, maar heb ik ook groot begrip voor de zaken die hij aanroert.

    Voor alle duidelijkheid,
    ja, laat ik even helder zijn:
    alle poëzie gaat ergens over
    de Nasreense poëzie gaat Ergens over,
    in alle liederlijkheid,
    dat vind ik heerlijk, helder fijn.

  4. 9

    Dat de meester aller poezie, u bekend onder het pseudoniem Patrick Kouwes, hier stelselmatig wordt genegeerd kan ik alleen maar zien als wederom een poging van de linksche kerk om weldenkend Nederland de mond te snoeren. Ik denk dat jullie binnenkort wel wat kamervragen kunnen verwachten.