De Polder | Het gewicht van klei

Sargasso duikt deze zomer de polder in. Per aflevering van de zomerserie vertelt een lezer over zijn of haar favoriete polder. In 2008 studeerde Tessa de Swart af op een verzameling teksten over haar geboortegrond in de polder bij het Noord-Brabantse Zevenbergen.

Ik houd van mijn geboortegrond. Als ik over de dijken door de polder fiets, voel ik de rust van het thuiskomen. Tegelijkertijd raak ik in vervoering wanneer ik mijn blik op de vergezichten richt. De uitgestrekte akkers om mij heen. De polder leeft in mij. Ik heb vele landschappen gezien, maar het landschap van mijn geboortegrond raakt mij het diepst. Ook de tuin en het huis waar ik geboren ben zijn één met mij. Wie in mijn ziel wil kijken moet een bezoek aan mijn geboortehuis brengen. Dan zal je zien dat dit overeen komt met wie ik ben.

De populierenboom die wel drie keer zo hoog als het huis is. De stam is zo dik dat als je met twee personen je armen helemaal uitstrekt en de boom omhelst, je de handen van de ander nog niet kunt      raken. Met harde stormen lig ik altijd angstig af te wachten in bed op het zolderkamertje tot de populier ons huis zal verpletteren.

Die angst is niet eens ongegrond. Want vroeger heb ik tijdens een storm zo’n zelfde boom om zien waaien. Dit heeft grote indruk op mij gemaakt. Mijn vader stond buiten te kijken naar de rondvliegende dakpannen. Mijn zusje en ik stonden op de grote tafel voor het raam. Het was  een machtig en angstaanjagend gezicht toen  de boom het spel met de wind verloor en zich ter aarde stortte. Mijn vader stond nog altijd naar zijn dakpannen te turen en had niet door wat voor een spektakel er achter hem plaatsvond. Ik hielp mijn zusje haar jas aan te doen en samen vlogen we tussen de rondvliegende pannen door naar mijn vader toe.

Vruchtbare klei

Op de dijk zeg je tegen iedereen gedag. De oude mannen met hun kaplaarzen en schop op weg naar de volkstuintjes aan het begin van de dijk. Achter op de fiets hebben ze vaak een houten kistje met geoogste groente of bloemen voor hun vrouw. Een groot deel van je leven ben je oud. De mannen op de dijk waren al oud toen ik als baby in een draagzak bij mijn vader op de fiets zat. Soms valt het me op dat ik zo’n oude man al een tijdje niet meer gezien heb. Dan weet je dat hij er niet meer is. De vissers uit België op de visstoepen aan de vaart. Als ik er voorbij fiets denk ik altijd aan vissoep. De knappe hardloper, het meisje met het paard, de keuvelende vrouwen uit het dorp. En de gesluierde vrouwen die aardappels van het land af komen halen. Iedereen  gaat door dezelfde polder. Langs de akkers die er in de winter stil en somber bij liggen. En waarvan de donkere klei zo zwaar oogt dat ik me niet kan voorstellen dat ook maar enig schepsel in leeft. Maar je hoeft maar een keer met een riek in de grond te porren en er komt een grote verscheidenheid aan wormen in allerlei kleuren naar boven. De klei is enorm vruchtbaar.

Kinderen fietsen over de dijk in de Zevenbergse polder

Mysterieus gebeuren

In de polder staat vreemd genoeg een fabriek. Tot op de dag van vandaag weet ik niet wat ze daar nu precies doen. En dat wil ik zo houden. Als kind vond ik het een zeer mysterieus gebeuren. Op het fabrieksterrein staan grote vaten van wel twintig meter hoog met trappen er aan. Af en toe zie je een man in een blauw/grijzige overall en een gele helm als een schim over het terrein waden. Er staan voor de poorten waarschuwingsborden met doodshoofden en geheimzinnige nummers erop. Ook rijden er dagelijks vrachtwagens uit heel Europa af en aan. De fabriek draait dag en nacht. En vooral als ik er s’ nachts langs fiets, slaan mijn fantasieën over wat daar allemaal wel niet gaande is, op hol.

Nu zitten de burgemeesters te vergaderen over wat er moet gebeuren met die fabriek. Een kilometer of tien hier vandaan bevindt zich een industrieterrein. Het liefst zouden die lui de hele handel daar naar toe verhuizen. Dan kunnen ze op de plaats waar nu de fabriek staat van die nieuwbouwtroep neerkwakken. Zij zien het geld al binnen stromen.

Maar mijn hart krimpt in bij de gedachten aan zo’n wijk. Ik heb liever een fabriek waar ze misschien wel met van allerlei giftige stoffen werken dan van die graf woningen waar de dood al in leeft nog voor er ook maar een kind gebaard is.

Dodelijke experimenten

Mijn vriendin en ik hadden vroeger een experimentenclubje. We bespioneerde mijn zusjes en schreven in geheimtaal brieven naar elkaar maar het liefst maakten we de meest afschuwelijke brouwsels. Als mijn moeder op woensdagmiddag om boodschappen ging, grepen we onze kans. We halen alles uit de kasten. Gooide van chocoladepasta tot schoensmeer bij elkaar en brachten het aan de kook. Vaak kregen we van de lucht van die brouwsels alleen al buikpijn. Op een keer hadden we een mierzoet goedje “ontdekt”. We zetten het bakje waar ons experiment in zat buiten en gingen wat anders doen. Toen we na een paar uur buiten gingen kijken hoe het er voor stond, zagen we tot onze schrik dat we een massamoord hadden veroorzaakt. Bij toeval hadden we met de gassen die van het brouwsel af kwamen een hele volksstam aan bijen uitgemoord. De bijen waren af gekomen op de mierzoete maar verraderlijke lucht. Want wat ze op het eerste moment voor een heerlijke nectar aanzagen, bleek een verschrikkelijk gif.

Stiekem maakte mijn hart vreugdesprongetjes: eindelijk een experiment met resultaat! Wij waren niet zomaar onderzoekers! Maar in werkelijkheid betekende dit in mijn ogen geslaagde experiment het einde van de club. Mijn vriendin is weken lang niet meer op komen dagen. En zij vertelde mij pas jaren later op een avond in het café, ik was het voorval allang vergeten, dat ze nachtenlang wakker had gelegen met het beeld voor ogen van de honderden omgekomen bijen.