De kolonieman

RECENSIE - © UItgeverij Balans, boekomslag De kolonieman van Angelie SensIndië heeft de staat gered,’ zo schreef Johannes van den Bosch in de herfst van 1836 aan zijn zoon Jan. En dat was niet ver bezijden de waarheid.

Als vertrouweling van koning Willem I was Van den Bosch goed op de hoogte van de staat van ’s lands financiën sinds de rampzalige Belgische oorlog van 1830. Als hoogste bestuurder van Indië (eerst als gouverneur-generaal, daarna commisaris-generaal, met grotere volmachten) wist Johannes van de Bosch exact wat ‘zijn’ kolonie elk jaar weer bijdroeg aan de Rijksbegroting. Die bijdrage was substantieel én groeiende. Dat was voor een belangrijk deel zijn verdienste.

Niet dat hij zich daarvoor op de borst ramde; dat was niet zijn stijl. In een verslag uit 1834, mede bestemd voor Willem I, wijst hij op ‘eenen zamenloop van gelukkige omstandigheden’ en uiteraard was daar ook ‘de zegen van Hem, die alle dingen regelt en bestuurt.’ Maar in Indië was het toch écht Van den Bosch die regelde en bestuurde. Het is niet onterecht te stellen dat zónder Van den Bosch en Indië de kansen op een succesvolle ‘doorstart’ van het koninkrijk Nederland na de breuk met België veel en veel ongunstiger waren geweest.

Van den Bosch, zoon van een huisarts in Herwijnen, zag als kleine jongen vanaf de dijk hoe de Franse revolutionaire legers in 1795 de bevroren Waal overtrokken, om daarna in snel tempo de oude Republiek onder de voet te lopen. ‘De Waal,’ schrijft Angelie Sens, ‘was zijn dagelijks inspiratiebron in de eerste vijftien jaar van zijn leven.’ Zijn ouderlijk huis lag pal achter de dijk. Van den Bosch zal persoonlijk gezien (en vaak gehoord) hebben over welke immense kracht rivieren beschikte. Hij was intelligent, had een hoofd voor cijfers, maar misschien had het Franse leger net zo veel indruk op hem gemaakt want hij koos niet voor Waterstaat, maar voor een opleiding als genieofficier. Zijn talenten werden al tijdens zijn studiejaren erkend, en in zijn eerste jaren in Indië maakte hij snel promotie. Van den Bosch was een innemende, immer actieve persoonlijkheid. Een visionair die ook oog had voor de harde realiteit. Die in staat was om gedurfde plannen zorgvuldig na te rekenen, en om te zetten in praktische stappen. Kortom, een zeldzaam bekwaam bestuurder.

Van den Bosch diende in Indië en daarna op het ministerie van Oorlog, maar zijn naam is vooral verbonden aan zijn eerste grote ‘experiment’, de stichting van een serie koloniën in het oosten en zuiden van het land (toen nog verenigd met België) voor de heropvoeding van het stedelijk proletariaat. Modeldorpen als Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen en (in België) Merksplas. Werkloze, straatarme burgers werden daar naartoe gezonden om een vak te leren en/of nuttig werk te verrichten. De steden werden ontlast; woeste gronden werden in gebruik genomen; zedelijk verval gestuit. Van den Bosch bedacht het, verzamelde sponsors, coördineerde de bouw en inrichting, en verdedigde zijn geesteskind tegen alle laaghartige criticasters. In de eerste jaren was er alom lof voor dit project, uit binnen en buitenland. Beroemde utopisten kwamen langs om te kijken hoe Van den Bosch de ideale leefgemeenschap had ingericht.

Zo’n man kon Willem goed gebruiken. De koning had immers de taak op zijn schouders genomen om van het gloednieuwe, in Wenen geschapen koninkrijk een levensvatbare eenheid te maken. Visie, doortastendheid en onverschrokken ingrepen waren daarbij onvermijdelijk. Willem deed een beroep op de kolonieman en deze kon uiteraard niet weigeren. Van den Bosch werd gouverneur van Suriname en de Antillen. En twee jaar later ging hij terug naar Indië, nu als hoogste bestuurder.

Eigenlijk had hij maar één taak: zorg ervoor dat de koloniën geen geld meer kosten maar juist geld opleveren. Het was natuurlijk van de gekke dat zulke enorme gebieden, met zulke onmeetbaar grote arealen vruchtbare grond, niet genoeg geld opleveren om louter de militaire en bestuurlijke uitgaven te dragen. En liefst moesten ze de staat geld opleveren. Het was een uiterst lastige opgave. Zoiets vereiste ten eerste economische en fiscale controle – en daar zaten de plantagehouders, de lokale ambtenaren, de vorsten en de boeren niet op te wachten. Daar kwam bij dat iedereen begreep dat het tijdperk van de slavernij op zijn einde liep. De Engelsen hadden de slavenhandel al afgeschaft en verboden, en controleerden schepen op alle wereldzeeën. De aanvoer van slaven stokte, waardoor de aantallen slaven terugliepen. En de lokale bevolking werkte op zijn eigen stukje land, vrijwel uitsluitend voor eigen gebruik. Van den Bosch was een tegenstander van de slavernij en zou haar het liefst gelijk afschaffen maar hij begreep dat een dergelijke abrupte maatregel onbetaalbaar was (slavenhouders hadden dan recht op een vergoeding), terwijl de koloniale economie daardoor een zware klap zou krijgen. Het doel was duidelijk, maar het moest geleidelijk worden bereikt. Hetzelfde gold voor het aansluiten van de koloniale economie op de wereldeconomie. Liberale voormannen mochten dan beweren dat vrijhandel goed was voor iedereen; Van den Bosch realiseerde zich dat een abrupt opheffen van alle wettelijke beperkingen en ‘opengooien’ van de archipel enorme schade kon veroorzaken voor de staat maar óók voor de lokale bevolking. Ook hier moest een ‘tussenstadium’ worden gevonden.

De naam van Van den Bosch zal altijd verbonden blijven met het Cultuurstelsel. Het systeem waarbij de inlandse bevolking gedwongen werd om een bepaald percentage van de grond te bebouwen met gewassen voor de internationale handel, zoals koffie en indigo. Hij wordt vaak aangewezen als de ‘bedenker’ van het systeem, maar Sens wijst erop dat dat onjuist is. Hij perfectioneerde een bestaande praktijk, waarbij hij nauw samenwerkte met lokale vorsten. De internationale handel (en een flink deel van de winst) wees hij grotendeels toe aan koning Willems geesteskind, de Nederlandse Handelmaatschappij. Van den Bosch had daarbij steeds voor ogen dat het cultuurstelsel een tijdelijke oplossing was, bedoeld als overgang naar meer of volledige vrijhandel. Er moest worden geleerd, geprobeerd, en de Javaan moest leren om niet alleen voor zijn eigen onderhoud te werken. Hij moest een modern arbeidsethos krijgen. Pas daarna konden de grenzen worden opengegooid.

De koning was zeer tevreden. Het cultuurstelsel zorgde voor stabiele inkomsten in politiek zeer zware tijden. Maar de kritiek zwol aan. De Javaan werd ‘geknecht’ en uitgezogen door ambtenaren en vorsten. Van den Bosch erkende dat, maar kon daar weinig tegen beginnen. Hij wist maar al te goed hoe wankel het Nederlandse bestuur was. Hij moest zelf ook regelmatig hard optreden tegen opstanden her en der. Hij ging dat vuile werk niet uit de weg; alles voor het koninkrijk. Maar hij moet het hebben gehaat. Hij was een man van de vooruitgang, van goede verhoudingen met de inlandse vorsten, van een eerlijk loon voor een eerlijke dag werk, van maatschappelijke rust – en dat betekende dat hij misstanden door de vingers moest zien. De opgedane kennis en de stijgende opbrengsten kwamen op de eerste plaats. De kritiek raakte hem zeer, maar als het ging om kennis van de Indische archipel, van de grondsoorten, bemesting, de opbrengsten, de politieke verhoudingen, was er niemand die aan hem kon tippen. Om nog maar te zwijgen van zijn werklust en financiële inzicht. Hij was in wezen onaantastbaar.

Maar Indië ruïneerde zijn gezondheid. Hij vroeg de koning om vervangen te mogen worden, en dat verzoek werd na enige tijd gehonoreerd. Als minister van Koloniën kon hij voortaan vanuit Den Haag de gang van zaken in de Oost in de gaten houden. De strijd om het Cultuurstelsel ging ondertussen onverdroten voort. Wat de vaderlandse parlementariërs vooral stak was niet zozeer het lot van de Javaan als wel het feit dat ze niets te vertellen hadden. Ze hadden nauwelijks inzichten in de Indische financiën. Dat was een zaak van de koning en zijn minister; het Parlement werd maar mondjesmaat geïnformeerd. De zaak werd in 1839 op de spits gedreven. Van den Bosch, beducht voor ondoordachte ingrepen vanuit Den Haag, weigerde mee te werken aan een meer invloed van de Kamer. Hij waarschuwde dat hij op zou stappen als de Kamer bij zijn eisen bleef. Dat gebeurde toch, en wat niemand had voorzien, gebeurde: Van den Bosch stapte écht op.

Daarna was het een va et vien in huize Boschlust, zijn schitterende huis aan de rand van de stad (waar nu Nieuw Babylon staat). Of hij zich niet wilde bedenken… want zonder zijn kennis… er moest toch… Het was allemaal tevergeefs. Van den Bosch was altijd een man van zijn woord geweest.

Van den Bosch komt de laatste jaren een beetje uit de schaduw van de geschiedenis. Dat is vooral te danken aan de bestseller Het Pauperparadijs van Suzanna Jansen, over zijn ‘experimenten’ in Oost-Nederland. Van den Bosch was ‘onze’ Robert Owen, zogezegd. Een tikje te groot voor ons land. Maar hij was ook méér dan de utopist die achter zijn schrijftafel zat te dromen. Hij heeft ook wérkelijk aan de toekomst gebouwd. Hij werd tijdens en na zijn leven vaak verkeerd begrepen maar alle kritiek heeft hem nooit tegengehouden. Laat mij maar dromen, schreef hij eens, dan ben ik pas gelukkig. De dromer was ook een doener. En hij is deze fraaie biografie dubbel en dwars waard.


Angelie Sens, De kolonieman. Uitgeverij Balans, 477 blz.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

| Registreren