De allerlaatste dagen der mensheid (16)

    Proloog, scène 45
    Een vergadering van een werkgroep van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, Cluster Noord-Brabant, in Den Bosch.
    Voorzitter Rick: De vorige keer hebben we gekeken naar het begrip ‘schrijnendheid’ en hoe wij daar als case managers mee om dienen te gaan…
    Ineke: Mag ik daar even op inhaken…
    Voorzitter Rick: De rondvraag komt straks. Ik wou eerst even een korte samengeving geven van de vorige keer en bekijken wat de intercollegiale consultatie met andere collega’s van andere locaties heeft opgeleverd…
    Ineke: Ja, maar…
    Voorzitter Rick: …Dienaangaande hadden wij een aantal vragen voor de intervisie opgesteld.
    Ineke: Daar gaat het nou net om!
    Arthur: Gaan we weer. Laat die man nou even uitpraten.
    Joke: Jij mag straks je zegje doen.
    Cleo: Ik weet al wat dat gaat worden. Oeverloos, voornamelijk.
    Ineke: Ik hou mijn mond wel.
    Voorzitter Rick: ‘Schrijnendheid’ was voor veel medewerkers een erg ruim en vaag begrip. Zoals het gehanteerd werd, gaf het te weinig houvast, terwijl het nu juist bij velen die betrokken zijn bij asielzoekers en ook in de media een hot item was geworden. Daardoor werd je als case manager geconfronteerd met allerlei opvattingen hierover. Opvattingen van collega’s, ketenpartners, vrijwilligers, advocaten, vrienden, kerkgangers. Je werd daarop aangesproken en dan moest je de COA-visie, het COA-antwoord daarop kunnen verwoorden, ook als je niet naar Jensen had gekeken. (hilariteit, alleen Ineke kan er niet om lachen.) De vorige vergadering van deze werkgroep en het daaruit voortvloeiende conceptverslag waren bedoeld om het begrip te concretiseren naar de praktijk.
    Ineke: Ja, je had zelfs het woordenboek erbij gepakt.
    Voorzitter Rick: Precies, daar begonnen de moeilijkheden al. Anders dan je zou verwachten bij een woordenboek als de dikke van Dale, was ook daar de definitie niet eenduidig: ‘schrijnendheid is wat het gemoed met schurende/brandende pijn aandoet’. Wiens gemoed? Het gemoed van de omstanders? Van diegenen die er iets over te zeggen hebben? De minister? De goegemeente? De cliënt? Eén ding was zeker, en dat geldt nog steeds: we dienen voorzichtigheid te betrachten om iets als schrijnendheid te labelen aangezien dit het gevolg bepaalt in de procedure. Zaken kunnen immers tot een mogelijke verblijfsvergunning leiden. De eerste vraag waarop we een antwoord dienden te vinden luidde dus: hoe kijken we eigenlijk tegen schrijnendheid aan? Het gaat om een persoonlijke, subjectieve waarneming die start vanuit je gevoel. Er ontstaat een betrokkenheid, stelden we vast. En ook: als je niets met dat gevoel doet en dit niet verder onderzoekt, kan het zijn dat je last met je geweten gaat krijgen. Belangrijk voor je geweten is het idee dat je alles gedaan hebt wat je hebt kunnen doen. En toen kwamen we op de intervisievragen: hoe hard ben ik? hoe gevoelig ben ik eigenlijk? is er een formele routing vast te leggen? We waren het erover eens dat je schrijnendheid vaak toetst aan je meest schrijnende situatie. Dat is op ervaring en/of op mogelijke onbewuste projectie gebaseerd. Er kan onbewust verharding optreden, een secundaire traumatisering of beroepsdeformatie plaatsvinden…
    Ineke: En toen kwam jij met dat achterlijke voorbeeld van stickers op de rug van je collega plakken…
Voorzitter Rick: Ja, gut, ik had zogauw niks anders…
     (changement.)

    Proloog, scène 46
    De Oudezijdsvoorburgwal. Aan de leestafel van café Scheltema.
    De oudste abonnee: Wat lees ik hier? De terreurdreiging is alweer hoger geworden! ‘Al Qaeda grijpt de feestdagen aan om terreuracties te plegen’. En ik heb er al zo’n hekel aan!
    De een na oudste abonnee: Geen paniek. Moet je deze ferme jongedame zien met blauwe baret en machinegeweer in de aanslag. Zij waakt over onze veiligheid op Schiphol. ‘Als het erop aankomt. Koninklijke Marechaussee.’
    De oudste abonnee: Ik heb er een hard hoofd in. Wat kan zij doen ‘als het erop aankomt’? Op exploderende vliegtuigen schieten? Als ze wist dat ze ooit met dat ding zou moeten schieten zou ze heel wat minder stoer kijken, ben ik bang.
    De een na oudste abonnee: Het gaat toch om het gevóel van veiligheid! En dat neemt toe als er op elke pier gewapende jongedochters des vaderlands staan.
    De oudste abonnee: Om je in te peperen dat de terreurdreiging toeneemt. Ik word er gewoon bang van.
    De een na oudste abonnee: Kniesoor! Flauwerik! Kan niet tegen een beetje spanning. Waar is die VOC-mentaliteit van je gebleven?
    De oudste abonnee: Die heb ik verkocht aan de Amerikanen.
    (changement.)

    Proloog, scène 47
    Een stoomboot in de Amstel. Twee zwarte Pieten in gesprek.
    Piet 1: Weer-zin-wekkend!
    Piet 2: Heb je het over het wangedrag van Nederlandse defensiemedewerkers in Irak?
    Piet 1: Ja, dat gedoe met die martelingen, weer-zin-wekkend!
    Piet 2: Tja, het mág gewoon ook niet… Het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt…
    Piet 1: Ja, ja, blabla…
    Piet 2: Je brengt me van m’n apropos… …Van degene die beschuldigd wordt.
    Piet 1: Staat dat er echt?
    Piet 2: Okee, moet volgens mij zijn: van degene die beschuldigt, maar goed. Het blijft…
    Piet 1: Weer-zin-wekkend!
    Piet 2: En helemaal als het gebeurt om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht, of hem of een derde vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden, dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie uit welke grond dan ook, van overheidswege gepleegd.
    Piet 1: Die zin loopt ook al niet zo lekker. Ben je nou al dronken?
    Piet 2: Waar het om gaat is…
    Piet 1: Okee, ze moesten een ski-bril op, ze moesten naar de laatste single van Jantje Smit luisteren, keihard weliswaar, maar goed, en ze kregen water over zich heen. So what? Het is echt niet zo dat de hogedrukspuit erop werd gezet, of zelfs maar een tuinslang. Ze zijn met nog geen waterpistooltje gekrenkt! Kom daar maar eens om bij Al Qaeda! En onafhankelijk onderzoek van de marechaussee heeft uitgewezen dat er geen strafbare feiten zijn gepleegd.
    Piet 2: Ja, maar daar gaat het niet om, waar het om gaat…
    Piet 1: Daar gaat het natuurlijk wel om, at the end of the day. Nee, in het zicht van de verkiezingen is met dat nieuws gemanipuleerd. Electoraal gewin, meneertje. En wie speelt er weer voor Sinterklaas? Ik heb er maar één woord voor…
    Piet 2: Weer-zin-wekkend!
    Stoomboot: Toeoeoeoeoeoeoeoeoet!
    Piet 1: Oh, we moeten op. Ik zie de Berlagebrug al.
    Piet 2: Zwaaien!
     (changement.)

    Proloog, scène 48
    Twee zwaar gedecoreerde oudstrijders, dhr. Wiskerke (86) en dhr. Brekveld (89), in gesprek in de gemeenschappelijke ruimte van het Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen te Bronbeek. Dhr. Wiskerke zapt de tv uit met de afstandsbediening.
    De oude Wiskerke: Toch doet het je wel wat.
    De oude Brekveld: Volgens mij zijn die gasten hartstikke gek.
    De oude Wiskerke: Ja, maar toch doet het je wel wat. Dat hele idee dat je op een gegeven moment besluit dat het het spannendste kampeeruitje wordt dat je ooit zal meemaken, dat herken ik wel.
    De oude Brekveld: Zeg dat wel. De Tweede Wereldoorlog – het spannendste kampeeruitje dat verkeerd afliep.
    De oude Wiskerke: Ja, goed, het was de documentairemaker zelf die het zei. Al had hij wel helemaal de militaire spirit, hè. ‘Na zes dagen stofhappen on the road is het wel lekker om een koude douche te pakken in Kamp Holland’. Dat had er een van ons kunnen zijn.
    De oude Brekveld: Over Kamp gesproken, hebbie ’m zien lopen in z’n khaki?
    De oude Wiskerke: Breek me de bek niet open. Lekker populair lopen doen, effe moed inspreken, en dan wegwezen, zo ken ik ze weer, onze fauteuilkrijgers. In één van die kampen schijnt hij zelfs nog nooit z’n gezicht te hebben laten zien.
    De oude Brekveld: Dan hóeft het ook niet meer, op een gegeven moment.
    De oude Wiskerke: Ze houden even goed zelf de moed er wel in. Af en toe een verzetje. Zoals toen ze al vantevoren wisten dat er een hinderlaag gelegd was. Het was eindelijk afgelopen met brandweertje spelen, werd er terecht opgemerkt.
    De oude Brekveld: Terecht.
    De oude Wiskerke: Hoe zei operator Jos het ook weer? ‘De grote aanval begint. Ik voel het aan m’n water.’ Ik kon dat zo goed met ’m meevoelen dat…
    De oude Brekveld: Bespaar me de details.
    De oude Wiskerke: Mooi was ook hoe die medics zich bekommerden om die Afghaan. Lag te creperen van de pijn en maar om Allah, Allah roepen, maar ja, hij ging toch de pijp uit, ondanks alle goeie zorgen. ‘Allah heeft deze meneer niet kunnen redden,’ merkte de commentaarstem droogkomisch op.
    De oude Brekveld: Humor houdt je op de been in dat soort omstandigheden.
    De oude Wiskerke: En dat jochie, hebbie dat joch nog gezien? Was je toen nog wakker? Nog geen 15 kan ie geweest zijn, maar toch mooi spotter voor de Talibaan. Een kop as een boei, maar hij mocht nog van geluk spreken…
De oude Brekveld: Hij werd niet doodgeschoten, maar opgepakt… Ja, dat werd er dan toch even fijntjes bij vermeld, want dat zie je dan niet terug in zo’n documentaire, maar dat gebeurt natuurlijk óók, dat ze er een voor z’n toges knallen. Kon jij ze altijd uit elkaar houwe? De goeie en de slechte? Al trokken ze nog zo’n onschuldig koppie, hoe jong ze ook waren… Je kan ook niet alles laten zien, dat snap ik ook wel. In een oorlog is rust aan het front belangrijk, aan het thuisfront wel te verstaan.
    De oude Wiskerke: Een hoop kritiek ook op de thuisblijvers, op De Haag, dat herken ik ook wel. De voorzichtigheid waarmee ze te werk moeten gaan, dat werkt ook alleen maar in hun nadeel. Ze krijgen opdrachten van mensen die er de ballen van weten. Commandant Beer had helemaal gelijk.
    De oude Brekveld: Nou, wat zei die dan?
    De oude Wiskerke: Dat ze daar militair gezien ook al aan het polderen waren.
    De oude Brekveld: Heel sharp gezien, van deze commandant. Maar toen ze die typische commando-operatie gingen uitvoeren, werd het toch echt gevaarlijk, toen werd het even heel spannend.
    De oude Wiskerke: Iedereen had er zin in. Het leek wel een recensie van een oorlogsfilm. ‘Een hele intense ervaring die ervoor zorgt dat mijn leven weer kleur krijgt,’ zei operator Bas, als ik het me nog goed herinner. ‘Ik heb ervan genoten,’ zei inlichtingenofficier Kees. ‘Ik vond het wel puik,’ zei operator Sytse. ‘Ik vond het nog leuk ook, een van de hoogtepunten in mijn carrière, daar doe je het allemaal voor,’ aldus zijn maatje, operator Bill. ‘En dan denk je wel even: nou, sjongejonge…,’ zei weet ik niet meer wie dat zei. Hoe dan ook, zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.
    De oude Brekveld: Tot ze je poten onder je kont vandaan schieten, natuurlijk. Of tot ze je poot tot boven je knie moeten amputeren omdat er een granaatscherf in zit. Dan piep je wel anders.
    De oude Wiskerke: Goed, maar dat is het risico van het vak. Daar word je voor opgeleid. Je hoopt natuurlijk niet dat het gebeurt, maar…
    De oude Brekveld: Ik vond die Afghaanse tolk aan het einde wel goed. Had zich helemaal die teamspirit eigen gemaakt. Goed ingeburgerd ook: ‘Met die jongens kan ik tegen de hele wereld aan. Ik ga ervoor,’ zei die.
    De oude Wiskerke: Dat moet je ook doen ook, gaan voor goud. Aandoenlijk even zo goed, als je er even bij stilstaat. Die stoere kerels met hun baarden…
    De oude Brekveld: Ja, ze hadden bijna allemaal een baard. Is dat een kwestie van in Rome do as the Romans do of meer een kwestie van camouflage?
    De oude Wiskerke: Geen idee. Ze werden ook nog eens onherkenbaar in beeld gebracht, met een soort wazig balkje voor hun ogen. Waar dat nou weer goed voor was…
    De oude Brekveld: Die Afghanen zaten daar niet mee, die kwamen gewoon pontificaal in beeld. Krijgshaftig volk, die Afghanen, geen doetjes. Die laten zich niet piepelen.
    De oude Wiskerke: Nou, wat je zegt, daar heb ik respect voor. Petje af!
    (changement.)

::: Meer over de serie De allerlaatste dagen der Mensheid, de schrijvers Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes en illustrator Aart Clerkx :::

  1. 1

    Wat een ambtenarentaal zeg. Als ik niet beter wist zou ik denken dat een om een satirisch stukje van Van Kooten & De Bie ging! Het diep trieste is natuurlijk dat asielzoekers er de dupe van worden. Want het is weer vaagheid alom. Net zo als met die nieuwe regeling voor het voorkomen van te ‘zwarte’ of te ‘witte’ scholen in Amsterdam. Je kind wordt te allen tijde op de school van je voorkeur geplaatst als je het samen met een ander kind aanmeld in een gemengd ‘zwart/wit’ duo. Helaas wil men ook na hevig aandringen van een journalist van Het Parool niet zeggen wat nou precies ‘wit’ en wat nou precies ‘zwart’ is. Tsja,….