De allerlaatste dagen der mensheid (14)

    Proloog, scène 40
    Op de werkkamer van de directeur van de IND wordt een voorgesprek met de advocaat gevoerd.
    De directeur van de IND: Wij zijn slechts een uitvoerende organisatie in dienst van de Nederlandse overheid. Ik zie geen enkele overeenkomst met de collaborrerende politie in de Tweede Wereldoorlog en hoe die omgingen met de Joden.
    Zijn advocaat: Dus ik vat het nog even beknopt en helder samen, voor mijn pleidooi: u voert slechts democratische tot stand gekomen wet- en regelgeving uit waarvoor u niet persoonlijk de verantwoordelijkheid draagt. Uw medewerkers zijn volstrekt te goeder trouw en integer en voeren hun taken zeer zorgvuldig uit. En de Nederlandse overheid is volgens u geen bezettingsmacht.
    De directeur: Precies. Bij mijn weten niet. En daarom raakt het mij, de organisatie en mijn medewerkers persoonlijk. Wij voelen ons in onze eer aangetast.
    De advocaat: Het… raakt… u… persoonlijk… Staat genoteerd. Volgens mij staan we heel sterk.
    (changement.)

    Proloog, scène 41
    In de slaapkamer van de minister van defensie, na een televisieoptreden.
    De minister van defensie (in zijn slaap): Het is in dat soort landen op straat zo’n puinhoop… In Azië, Afrika, dat soort gebieden… En dat komt allemaal naar ons toe… Daarom zitten we er ook… Om te voorkomen dat al die mensen met al hun vuil en rotzooi straks onze kant opkomen… Als je kijkt, bijvoorbeeld in Kandahar, Kaboel, wat een troep daar op straat ligt… Het is een heel andere cultuur… De puinhopen van de Russische invasie liggen er bij wijze van spreken nog… Ze laten ook alles gewoon maar vallen waar het ze uitkomt… Dat verander je niet 1-2-3, maar… (in zijn droom staan lange rijen Afghanen voor een stembureau in Almere. Hun stembiljetten deponeren ze in stembussen die verdacht veel op grote groene vuilisbakken lijken. De minister woelt in zijn bed, badend in het angstzweet.) Aargh! Nee! Dat nooit… dat nooit!
    (changement.)

    Proloog, scène 42
    De minister van defensie in gesprek met de campagneleider van de VVD.
    De minister van defensie: Nee, dat is te belangrijk. Daar moet ik gewoon bij zijn.
    De campagneleider: Hoezo? Het is wel mijn camp…
    De minister van defensie: Al is het nou honderd keer campagne! Al staat heel de Tweede Kamer in brand. Al was het oorlog! Haha! Ik hoor daar gewoon te staan.
    De campagneleider: Maar waarom dan?
    De minister van defensie: Zeg, moet ik jouw baan overnemen? Militaire eer gaat te ver, dat past niet meer in deze tijd, maar als iemand als Bennie Jolink terugkeert op Schiphol nadat hij voor onze jongens in Afghanistan heeft opgetreden, dan…
    De campagneleider: Ja, God, goed, okay, ik zie de mogelijkheden wel… Ik zal wat fotografen ritselen. Heb je je welkomstwoord al klaar?
    De minister: Nou ja, wat zie je er goed uit, we zijn ontzettend blij dat je het gedaan hebt, een beetje ontspanning was wel nodig, een hart onder de riem, een opkikkertje geven, dat soort dingen…
    De campagneleider: Dat zit wel snor. Daar heb je mij inderdaad niet voor nodig.
    De minister (bevlogen): En natuurlijk hoe moedig ik het wel niet vind, want hij is mooi wel de eerste artiest die in Afghanistan heeft opgetreden. Hij heeft zelfs in Deh Rawood gezongen en daar ben ik nog niet eens geweest!
    De campagneleider: Zullen we dat erbuiten houden?
    De minister: Ja, ja, natuurlijk. Ieder zijn vak… (zingt:)
    Ik bun moar een eenvoudige boerenlul
    En doar schaam ik mien niet veur
    Moar doar bunt zo van die dingen
    Die heb ik heel goed deur…
    (changement.)

::: Meer over de serie De allerlaatste dagen der Mensheid, de schrijvers Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes en illustrator Aart Clerkx :::