CU: Als missie is voltooid, moet calvinist terug naar reservebank

CU: Als missie is voltooid, moet calvinist terug naar reservebank

pinch hitterDecennialang vertolkten calvinistische politici, vroeger GPV, nu ChristenUnie, met hun standpunten de stem van roependen in de woestijn – geen hond die ernaar wilde luisteren. Nu wel. Op tal van gebieden zijn andere politieke partijen langzaam maar zeker opgeschoven naar het calvinistische standpunt. Maar als het zendingswerk is voltooid, mogen ze weer plaatsnemen op de reservebank, schrijft socioloog Herman Vuijsje.

Het belangrijkste verwijt dat calvinistische politici wordt gemaakt, is dat ze betuttelend en bemoeizuchtig zouden zijn. Volgens dit verwijt leggen ze onterechte en overbodige beperkingen op aan de vrijheidsdrang van Nederlanders. Calvinistische politici houden zich niet aan de opdracht van de Postbank-tophit uit 1996: Vijftien miljoen mensen/op dat hele kleine stukje aarde/die schrijf je niet de wetten voor/die laat je in hun waarde.
Maar klopt dat wel? Is het beteugelen van onze vrijheidsdrang inderdaad het ergste dat calvinistische politici wordt kwalijk genomen? Of morrelen ze, behalve aan onze vrijheid, misschien ook aan onze blijheid?

Natuurlijk kent idereeen het stereotype van de sombere zwarte-kousen-calvinist die tot geen enkele vreugde in staat is. Marten Toonder heeft hem onnavolgbaar geportretteerd in de figuur van de Zwarte Zwadderneel, een in pikzwart gekleed mannetje dat altijd een paraplu heeft opgestoken, ook binnenshuis, omdat hij steevast wordt vergezeld door een wolkje boven zijn hoofd waaruit een regenbui neerdaalt.
Maar dat stereotype bedoel ik niet. Ik heb het niet over het veronderstelde gebrek aan blijheid bij de calvinisten – ik heb het over het enorme surplus aan blijheid bij de rest van Nederland. Alles moet altijd leuk zijn bij ons – in de eerste plaats natuurlijk op de televisie, maar ook in het echte leven. Pret hebben, daar gaat het om. Nederland is een pretfabriek geworden, waar iedereen recht heeft op een pretpakket en liefst ‘prettig gestoord’ is.

Calvinisten komen ons eraan herinneren dat er ook nog een paar mensen op de wereld zijn voor wie het leven géén pretje is. En erger nog: zij vinden dat daaruit voor de overheid – dus voor ons allemaal – een verplichting voortkomt: de overheid moet ‘een schild zijn voor de zwakken’. Calvinisten zijn brengers van het slechte nieuws, pretverstoorders, en dat wordt ze misschien wel het meest kwalijk genomen van al.

Op het ogenblik valt die calvinistische aandacht voor de niet-prettige kanten van het leven nogal op, doordat calvinistische politici nu aan het bewind zijn. Maar ook de afgelopen decennia vroegen ze er al aandacht voor.
Toen heel Nederland in de ban raakte van leuke dingen als deregulering, terugtredende overheid en convenanten, bleef de ChristenUnie, toen nog GPV, hameren op Romeinen 13: de overheid draagt het zwaard niet tevergeefs. Geen convenanten en herenakkoorden zonder wettelijke verankering en zonder controle van overheidswege. Puur pretbederf!
Toen heel Nederland de uitkeringen wilde verlagen om ze betaalbaar te houden, pleitte het GPV in plaats daarvan voor het terugdringen van de instroom, door scherpere keuring en controle. Tandenborstels tellen, heette dat toen. Pretbederf!
Toen in de etalage van iedere Nederlandse seksshop films te koop lagen waarin vrouwen worden gefolterd, en onder de toonbank video’s met gruwelijke kinderporno konden worden gekocht, schreven de calvinisten in hun verkiezingsprogramma dat ‘de gave van de seksualiteit vaak wordt misbruikt als voorwerp van exploitatie’ en dat het tot de ‘taak van de overheid behoort om deze publieke exploitatie tegen te gaan.’ Weg met de pret!
Toen in Nederland niemand durfde aan te dringen op aanpassing door immigranten, uit angst om voor racist te worden versleten, pleitten de calvinisten voor een terughoudend immigratiebeleid en een verstandig integratiebeleid. Van burgers van buitenlandse afkomst mocht worden verwacht dat ze zich ‘positief opstellen tegenover de Nederlandse cultuur, rechtsgewoonten en publieke instellingen.’ En er moest op worden gelet dat de Leerplichtwet ook door allochtone kinderen wordt nageleefd.
Decennia lang vertolkten calvinistische politici met deze standpunten de stem eens roependen in de woestijn – geen hond die ernaar wilde luisteren. Nu wel. Op al deze gebieden zijn andere politieke partijen langzaam maar zeker opgeschoven naar het calvinistische standpunt.

Hoe is het te verklaren dat calvinisten in zoveel opzichten hun tijd vooruit waren? Het antwoord is simpel. Als het om dit soort gevoelige onderwerpen gaat, kijken de meeste Nederlanders eerst angstvallig om zich heen wat de anderen ervan vinden. Op eigen houtje een afwijkend standpunt vertolken, dat durven ze niet. Calvinisten wel! Die wachten niet tot ‘de tijd rijp is’, want ze oriënteren zich niet op het standpunt van de goegemeente, maar op dat van God en op hun eigen geweten.
Het Nederlandse calvinisme wortelt in het recht om je te verzetten tegen een onrechtvaardige overheid. De tyrannie verdrijven is een goddelijke opdracht – en de afgelopen decennia hebben de calvinisten laten zien dat dat wat hun betreft ook geldt voor de tyrannie van de zwijgende meerderheid.
Die goddelijke opdracht komt niet voort uit een soort kadaverdiscipline. Ze is ook inhoudelijk verankerd, en wel in dat uitgangspunt dat de overheid een schild moet zijn voor de zwakken. Uit de hand gelopen vrijheidsdrang en beduchtheid voor toezicht en controle heeft de afgelopen decennia vooral maatschappelijk zwakke mensen getroffen. Kinderen die gebruikt worden voor het maken van kinderporno. Bona fide uitkeringstrekkers wier uitkeringen werden verlaagd. Jonge allochtonen die op grote schaal spijbelden zonder dat iemand er iets van dorst te zeggen – om alleen de eerder genoemde voorbeelden aan te halen.

Maar eigenlijk zijn wij ook allemaal het slachtoffer van ons eigen pret-denken. Allemaal plukken we de zure vruchten van de pretcultuur die jarenlang toonaangevend was in de financiële sector, doordat we het niet leuk vonden om toezicht en controle te organiseren.
‘Strenge wetgeving is nodig om bankiers in toom te houden, want het vlees is zwak,’ zei Onno Ruding gisteren in de Volkskrant. Een beetje laat – maar goed, Ruding is dan ook niet van de ChristenUnie maar van het CDA.
Echte calvinisten wisten altijd al dat de mens niet altijd leuk is, maar ook tot het kwade geneigd. De geestelijke stromingen die een belangrijke plaats inruimen voor het slechte in de mens – het calvinisme en het communisme – leverden in de oorlog de grootste bijdrage aan het verzet. Tijdens de oorlog hebben gereformeerden – acht procent van de bevolking toen – een kwart van alle in Nederland ondergedoken joden gehuisvest.
Ook toen gold dat calvinisten niet blindelings gehoorzaamden, maar op eigen moreel kompas voeren. Zij konden daarbij verwijzen naar het Wilhelmus, in feite een gebed waarin Willem van Oranje uitlegt dat God, ‘de hoogste Majesteit’, hem heeft geboden in opstand te komen tegen een onrechtvaardig soeverein. Het geweten moest gaan boven het blindelings volgen van het overheidsgezag. ‘Obediëren in der geregtigheid’, zo wordt dat genoemd in het laatste couplet van ons volkslied.
Na de oorlog maakte die gedachte dat gehoorzaamheid een kwestie is van eigen geweten school onder een nieuwe generatie – dezelfde generatie die vanaf de jaren zestig de touwtjes in handen kreeg. In reactie op het grootscheepse falen van hun ouders tijdens de bezetting zette ze de plicht tot gehoorzaamheid overboord. Vooral daardoor werd Nederland het land waar je, om nog een keer die Postbankcommercial te citeren, ‘de mensen niet de wetten voorschrijft’.
Datzelfde begrip ‘Obediëren in der geregtigheid’ was de titel van de rede waarmee prof. Schermers in 2002 afscheid nam als hoogleraar internationaal recht in Leiden. Schermers vroeg zich daarbij af of we niet te ver waren gegaan. Is wat bij Willem van Oranje nog een noodsituatie was, niet teveel algemene praktijk geworden? Wetten hebben hun ‘sacrosancte’ karakter verloren, stelde Schermers, het lijkt er nu soms op dat iedereen elke wet voor zichzelf nog eens op aanvaardbaarheid toetst.
Schermers duidde daarmee eigenlijk iets heel opmerkelijks aan. Namelijk dat de uit de hand gelopen vrijheidsdrang van Nederland in het laatste deel van de afgelopen eeuw in zekere zin een vorm is van doorgeslagen calvinisme.

Niet dat de echte calvinisten daarmee iets van doen hebben, overigens. Integendeel: nu we het er eindelijk over eens zijn dat de bakens moeten worden verzet, hebben we een VU-kabinet in het zadel gehesen om dat klusje voor ons te klaren. Begeleid door gemopper over betutteling en pretbederf – maar ondertussen. We weten dat het nodig is, zelf kunnen we het niet, dus worden de mannenbroeders opgetrommeld uit de Alblasserwaard naar Den Haag.
Ze zitten er nog een beetje onwennig, er valt nog heel wat zendingswerk te verrichten. Zo behoren calvinisten tot de meest vrijgevige Nederlanders als het gaat om ondersteuning van de zwakken. Het streng gereformeerde Urk is al jaren het vrijgevigste dorp van Nederland. In 2003 leverden collectes voor goede doelen daar gemiddeld 48,70 euro per huishouden op. En in welk dorp houdt men het meest de hand op de knip? Juist: Den Haag. Daar kwam het gemiddelde op 63 eurocent per huishouden.
Zullen de calvinisten erin slagen Den Haag ook op dit gebied om te turnen? Ik vrees dat de tijd daarvoor ze niet zal worden gegund. In het honkbal bestaat de figuur van de pinch hitter. Een pinch hitter is een slagman die het veld in wordt gestuurd als de ploeg op een bijna onoverbrugbare achterstand staat. Hij kan harde en verre ballen slaan – niet erg subtiel, maar effectief. Als hij een paar homeruns heeft geslagen wordt hij weer naar de reservebank verwezen.
Dit ‘VU-kabinet’, en vooral de ChristenUnie, fungeert als de pinch hitter van de Nederlandse politiek. Maar pinch hitters zijn geen blijvertjes. Te vrezen valt dat het na een of twee kabinetten afgelopen zal zijn met de regeringsdeelname van de calvinisten. Het proces dat de laatste jaren al duidelijk zichtbaar was – dat andere partijen calvinistische beleidsideeën overnemen – zal waarschijnlijk verder gaan. Dan zal de populariteit van de ChristenUnie weer afnemen – net als het met de Lijst Pim Fortuyn is gegaan.

De laatste jaren is het electoraat van de ChristenUnie uitgedijd tot boven zijn ‘natuurlijke’ omvang. Ook niet-calvinistische kiezers stemden erop. Dat deden ze niet omdat ze bevlogen waren door het calvinistisch gedachtegoed, maar op advies van stemwijzer.nl. Gewoon turven en kijken wiens standpunten het meest op de jouwe lijken.
Zelf ben ik ook zo’n calvinistische fellowtraveler. Ik stem regelmatig ChristenUnie, maar het gaat me daarbij niet om het bidden, maar om de muziek. Tegen de tijd dat het politieke zendingswerk van de calvinisten met succes bekroond is, wip ik misschien weer over naar een andere partij.
Voor het soort zwevende kiezers zoals ik, is het debat over de wel of niet verdienste of geoorloofdheid van ‘christelijke politiek’ niet interessant. Zolang een partij de beginselen van parlement en rechtsstaat in ere houdt, zal het mij een zorg zijn waarop ze haar standpunten baseert.

Maar toch vind ik het een geruststellend idee dat er een partij als de ChristenUnie bestaat. Een partij die niet gauw zal gaan zwabberen, meegesleept door de waan van de dag, en die altijd bereid is om uit de reservebank te voorschijn te komen en de wedstrijd te redden. Waar de calvinisten die kracht en begeestering precies vandaan halen, is voer voor sociologen en politicologen. Voor de kiezers is het vooral prettig dat de Nederlandse ploeg over een paar van zulke betrouwbare pinch hitters beschikt.

Drs. Herman Vuijsje is socioloog en publicist. Dit is de tekst van de toespraak die hij eerder deze week hield in het kader van de ‘Calvijnweek’, georganiseerd door de Vrije Universiteit. Deze toespraak is ook gepubliceerd als artikel in het Nederlands Dagblad.