In memoriam: de sociaaldemocratie
COLUMN - Toen Gerrit Komrij in 1991 de teloorgang van de sociaaldemocratie beschreef, in De Rooie Uitvaartdienst, schetste hij een partij die stuurloos was geworden nu het te verheffen volk zich al verheven had en er van armoede geen sprake meer was. Het waren de jaren van Wim Kok, de jaren vlak na de val van het communisme, en niemand voorzag in die jaren wat er zou volgen: de alleenheerschappij van het kapitalisme.
Had de partij zich bij zijn grondbeginsel gehouden – opkomen voor de zwakkeren in de samenleving – dan had de PvdA nu kunnen staan waar Tsipras staat in Griekenland. Maar de internationaal meest bekende PvdA-politicus, Jeroen Dijsselbloem, staat tegenover de man die amechtig probeert om de akkoorden tussen de corrupte oude macht in zijn land en de trojka open te breken. Als laatste hoop voor de zwakkeren in de samenleving; als laatste barrière tussen het wanhopige en schandalig verarmde volk en de fascisten van de Gouden Dageraad.
Wat een trieste afgang. De nazaten van Drees als slippendragers van het grootkapitaal. Ik weet wel dat ‘grootkapitaal’ een ouderwetse socialistenterm is, regelrecht uit het arsenaal van oude vakbondsmannen als Jaap van de Scheur, maar juist nu is het weer hoogst actueel. De globalisering heeft enorm grote en machtige bedrijven opgeleverd en die hebben de Verelendung – ook al zo’n antiek socialistisch woord – opnieuw in gang gezet. En de welvaartsstaat is het eerste wat kapot moet.
Niet omdat de welvaartsstaat onbetaalbaar is, maar omdat ze deze niet willen betalen. Liever verhuizen ze hun fabriekjes naar die communistische landen waar ze altijd zo’n hekel aan zeiden te hebben – China, Vietnam – of naar vage, betwiste gebieden als Transnistrië waar complete wetteloosheid heerst. De natte droom van elke “deregulering!” kraaiende VVD’er. Ze zijn, kortom, altijd op zoek naar landen waar je de mensen nog ongestraft kunt uitbuiten.