In het kader van het Heidense Valentijn maar enkele passages uit het Bijbelse Hooglied. Mensen die denken dat de Bijbel taaie droge kost is zouden eens deze scabreuze tekst moeten lezen, een tweespraak tussen Salomo en een eenvoudige herderin. De officiële interpretatie van dit boek uit het Oude Testament – dat aan Koning Salomo wordt toegeschreven maar waarschijnlijk later is ontstaan – is een allegorie op de liefde tussen God en de mens. Persoonlijk lijkt mij de tekst daar wat te erotisch voor :-) Een zeer onwillekeurige greep:
Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.
Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren. Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos. Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden. Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden. Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel. Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.
Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! Och, dat Gij mij als een Broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten. Ik zou U leiden, ik zou U brengen in mijner moeders huis, Gij zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen.