ACHTERGROND - Als ik in het Gemeentemuseum in Den Haag kom, begin (of eindig) ik mijn bezoek meestal in de hal op de eerste verdieping. Overigens weet ik pas sinds kort dat dat de ‘Erezaal’ wordt genoemd. Ik ga dan een minuut of tien, vijftien op één van de donkergebeitste banken zitten en kijk uit over de vide met de trappen. Daar word ik heel erg rustig van. Musea zijn voor mij nooit alleen maar het tentoongestelde, maar ook het gebouw en wat dat uitstraalt. Dat Haagse museum bezit zo’n uitstraling in overvloed.
Dat begint al als ik op een mooie zonnige dag met de tram over de Stadhouderslaan aan kom rijden… Nu ik dit schrijf, realiseer ik me dat ik het Gemeentemuseum zo goed als altijd in de zomer heb bezocht. Gek, eigenlijk… Er zijn ook musea waar ik graag in de late herfst kom, als de meeste bladeren van de bomen zijn. Het Catharijneconvent in Utrecht bijvoorbeeld. Of in de winter: Boymans in Rotterdam. Bij andere doet dat er dan weer helemaal niet toe.

Gele bakstenen
Maar ik zat dus in de tram. Die gele bakstenen in die lage rechthoeken, weerspiegeld in de vijvers, stralen een soort rustige vrolijkheid uit, waar ik helemaal blij van word. En dan stap ik uit, steek de laan over en loop door die magnifieke glazen gang naar het donkere gat van de entree. Als Museumpashouder ben ik dikwijls zó langs de kassa, ook als het druk is, en dan geef je je jas en tas nog ouderwets af bij de garderobe. Waar je dan plastic plaatjes met een nummer erop krijgt van die echte Haagse types. Jong of oud, auto- of allochtoon, ze hebben altijd een soort vriendelijke eigenheid. En dat geldt, tenminste als ik er loop, ook voor de suppoosten. Ik heb er altijd wel een apart praatje mee. En dat is al erg lang zo.