Hoe staat het met de ‘vierde macht’?
COLUMN - van Prof.Mr. Roel Bekker
In 1969 trok Crince le Roy veel aandacht met zijn inaugurele rede als lector waarin hij de ambtelijke dienst beschreef als ‘de vierde macht’, naast de gebruikelijke drie machten van Montesquieu. Het betoog sloot aan op de al bestaande kritiek op ambtenaren. De ambtelijke dienst was bureaucratisch, wat niet meer de positieve klank had van Weber maar stond voor langzaam en inefficiënt werken, met veronachtzaming van de burger. De ambtelijke dienst was ook conservatief, eigengereid en op zichzelf gericht, waardoor politici het gevoel hadden voortdurend tegengewerkt te worden in hun ambitieuze plannen. Ambtenaren waren een bedreiging voor het politieke primaat.
De lijst van bezwaren tegen de vierde macht was nog veel langer en ging er zeker bij de politiek in als koek. De reactie was duidelijk: de politici vonden dat de ambtelijke macht moest worden verminderd en dat die meer bij hen moest liggen. Dat werd daarna steeds meer de lijn, vanaf de jaren 90 onderstreept met maatregelen als de Oekaze-Kok [1] waarbij ambtenaren nog eens werd ingeprent dat niet zij maar politici het gezicht van de overheid waren. Of de Balkenendenorm [2], inhoudende dat de minister in het publieke domein het hoogste salaris moest hebben. Met als onvermijdelijk gevolg dat voor toptalent geen marktconforme salarissen meer konden worden geboden. In wervingsadvertenties werd meer en meer gezocht naar ambtenaren met politieke gevoeligheid. Alsof dat niet vooral een eigenschap is die politici zélf moeten hebben. Topambtenaren werden bovendien in hun functie op termijn gezet. Maximaal zeven jaar en liefst korter, dan konden ze de zaken niet meer naar hun hand zetten, zo was het idee. De politiek ging op haar beurt zichzelf gaandeweg versterken. Er kwamen meer bewindslieden en die kregen bovendien een groeiende ‘bontkraag’ [3], met door henzelf benoemde politieke assistenten voor ondersteuning van hun steeds meer actiegerichte politieke werk. [4]