In memoriam: Exit Spaink – mijn allerlaatste stukje

Karin Spaink is niet meer. 475 476 stukjes schreef ze voor Sargasso, en talloze meer elders. Medeoprichter van Bits of Freedom, feminist, actief in de gehandicaptenbeweging en bondgenoot van homoseksuelen, biseksuelen en transgenders, niet altijd vrij van controverse, zoals het hoort. We gaan je missen. Hieronder integraal het stuk dat ze op haar eigen site plaatste. Deze tekst schreef ik in februari en maart van dit jaar; inmiddels is het begin mei. Als alles volgens plan is verlopen, ben ik vanochtend overleden – een dood waarvoor ik zelf heb gekozen, en die ik maandenlang heb besproken en voorbereid. [fragment rouwkaart; foto: bert Nienhuis, 1993] Mijn denken over mijn leven en dood is sterk gekleurd door mijn eigen haperende gezondheid. Tussen mijn 19e en mijn 25e kampte ik met anorexia/boulemie; in 1986 begonnen de eerste verschijnselen van multiple sclerose; in 1994 werd een voorstadium van baarmoederhalskanker ontdekt; in 1995 kreeg ik een hersenbloeding. En in 2006 bleek ik borstkanker te hebben. Eind juli 2012 hoorde mijn hartsvriendin, Christiane Hardy, dat ze alvleesklierkanker had. We trouwden kort daarna. Nog geen zes maanden later stierf ze. (Meer daarover lees je hier). Daarna belandde ik in een diepe depressie, die pas in 2017 begon te wijken. Haar dood sloeg een gat in mijn leven; ik ben daar bijna aan onderdoor gegaan. [Ons huwelijk werd voltrokken door Riny Meijer] Telkens heb ik mezelf uiteindelijk herpakt, vaak met hulp van mijn vrienden. In 2018 ging ik bij Follow the Money werken; ik werd daar al snel chef eindredactie. Dat was buitengewoon inspirerend en zinvol werk: ik floreerde, en kon er een ijzersterk team opbouwen. ‘De strengste eindredactie van Nederland,’ pochte ik. Dat werk had ik graag nog jarenlang willen doen. Maar in mei 2023 haalde mijn lichaam me voor de zoveelste keer in, nu met een heftige ms-aanval – en ditmaal kwam het niet goed. Eerst trad ik af als chef eindredactie, later moest ik minder gaan werken. Desondanks bleef ik achteruitgaan. Uiteindelijk moest ik in april 2025 mijn werk neerleggen. Ook dat hielp niet. Erger: voor het eerst kon ik me ook thuis niet goed meer redden. Dat veranderde alles. Zo werden mijn planten me bijvoorbeeld te veel. Bij navraag bleek dat de Amsterdamse Hortus mijn collectie hoya’s en hertshoorns graag wilde overnemen. Toen ik begin dit jaar moest erkennen dat ik hun verzorging niet langer aankon, zijn mijn hoya’s naar de Hortus verhuisd. De hertshoorns kon ik nog net bijbenen; die volgen straks. [Mijn hertshoorns, maart 2026] Voor de dood ben ik niet bang, dat heb ik altijd geweten. Mijn ervaring tijdens die hersenbloeding in 1995, waarbij ik dacht te sterven toen ik volledig out ging, bevestigde me daarin: ik gleed weg in een dwingend zwartfluwelen gat, waarin geen ‘ik’ bestond. Het was niet eng: mijn ‘zelf’ verdween in al dat zwart – bijna achteloos. (Wel was ik licht verontwaardigd dat mijn plannen abrupt werden doorkruist: die avond zou ik immers met mijn lief naar de bioscoop gaan. ‘Ga nu film leven zien,’ schoot het door me heen, en pal daarna, ietwat bozig: ‘Zou naar gewone film.’ Merk op: daar kwamen geen persoonlijk voornaamwoorden meer aan te pas: geen ik, geen mijn. Mijn ‘zelf’ was al vertrokken.) Wat ik wél altijd vreesde, is afhankelijkheid. Mijn moeder haalde graag aan dat ik al als kleuter steevast – en overmoedig – beweerde: ‘Kan ik zelluf wel…!’ Die drang om op eigen benen te staan, handicap of niet, is een onvervreemdbaar deel van wie ik ben en hoe ik wil zijn. Juist daar liep het nu spaak: ik kon steeds minder en moest steeds meer opgeven – en al dat inleveren hielp niet eens. Want ondanks twee jaar intensieve fysiotherapie – drie keer per week krachttraining en stabiliteitsoefeningen – en nadat Ik was gestopt met werken, bleef ik achteruit gaan, de afgelopen maanden zelfs harder dan tevoren. Steeds vaker kwamen er dagen dat ik door mijn huis strompelde en me overal aan moest vastklampen, omdat mijn benen me niet goed hielden. [Nelis, mijn laatste kat, lift mee op mijn rollator] De hoop dat dit alles nog zou bijtrekken, voelde na ruim tweeëneenhalf jaar van marchanderen tevergeefs. Wanneer ik afhankelijk word, ben ik niet te harden: ook dat heb ik altijd geweten. Dan kan ik mezelf niet uitstaan, en word ik uiteindelijk zelfs tegen mijn liefste vrienden kattig. Het botst simpelweg met mijn karakter om vaak om hulp te moeten vragen. In plaats van af te wachten wat ik nog meer moest inleveren, verkoos ik daarom de dood. Te vroeg sterven vind ik oprecht minder erg dan het vooruitzicht mijn zelfstandigheid te gaan verliezen. Ook die radicaliteit zit in mijn karakter. Ik ga liever out with a bang: bij mijn volle besef, in staat om alles zelf te regelen – maar wel na daar uitgebreid met mijn intimi over te hebben gepraat. Wat die gesprekken lastig maakte, was dat ik uiterlijk volkomen oké leek. Zolang ik zat, merkte je niks aan me. Pas wanneer ik ging staan of wilde lopen, zag je wat er allemaal mis was: ik wankelde, mijn benen bibberden en werden spastisch, ik sloeg om de haverklap dubbel. Zelfs door een bemoedigende schouderklop lag ik soms al op de grond. Ik kon mezelf simpelweg niet meer overeind houden. [Spaink als kleuter] Voor mijn eigen vrede met mijn dood was essentieel dat ik mijn intimi daar op voorhand deelgenoot van zou maken. Als je vertrekt met open vragen van de mensen die je innig aangaan, zonder hun ongemak, onbegrip of verdriet erover te adresseren, wringt dat, vind ik. Dan laat je hen daar botweg mee achter, alsof het je niet aangaat – terwijl je dat alles heus zelf hebt veroorzaakt. Het ging me niet om hun toestemming. Wel wilde ik de mensen van wie ik houd ruimte geven voor hun vragen en hun verdriet, en vooral: daarover met hen praten. Ik wilde ze inzicht bieden in mijn eigen – au fond zelfzuchtige – beslissing; ze eraan laten wennen door ze er in te kennen, in plaats van hen voor een fait accompli te stellen. Zulke gesprekken voeren was tevens een uitvloeisel van een fundamenteel inzicht dat het feminisme me eerder had gegeven: ook het hoogstpersoonlijke is soms politiek. Uitzoeken op welke gronden je voor je eigen dood kiest en met anderen bespreken hoe zij daarover denken, rekening houden met hun pijn, en checken of je er zelf wellicht ergens een kromme redenering op nahoudt, is daar wellicht een ongewone versie van. Maar uiteindelijk is ook dat deels een sociale, publieke kwestie – en iets waar we zelden openlijk over spreken. [foto: Gon Buurman, 1991] Al vroeg in 2025 ging ik daar met mijn intimi over praten. Een jaar later – vanaf januari 2026, toen mijn besluit zich had geconsolideerd – heb ik langzaamaan ook andere vrienden en relaties ingelicht en gezorgd dat ik hen ‘nog een laatste (paar) keer’ kon zien en spreken. Dat was een mooi, lavend, soms heftig, en vooral intensief proces. Het was ook doodvermoeiend: inmiddels had ik bar weinig energie, en lag ik vaak halve dagen op bed. De wekelijkse borrels bij Brouwerij ’t IJ, waarvoor ik gaandeweg meer mensen uitnodigde, waren een uitkomst. (Het werden er uiteindelijk veertien.) Het openbare karakter daarvan hield de toon licht en het hart warm, en maakte – zo hoopte ik althans – dat rouw, verdriet en afscheid geen individuele ervaring hoefden te zijn, maar iets dat we konden delen. (Bovendien hadden we er dan tenminste goede bitterballen bij.) [IJ-borrel 29 april 2026, foto: Mirna van Dijk] Ik was immens blij met ieders aanwezigheid daar, al helemaal omdat veel mensen trouwe bezoekers werden. De borrels waren de afgelopen maanden oprecht het hoogtepunt van mijn week. Al kon ik niet met iedereen uitgebreid spreken: ik genoot intens van ieders aanwezigheid. Het was bijzonder te zien hoe mensen uit verschillende tijdvakken en domeinen van mijn leven plots onderling in gesprek raakten, of dat nu luchtige zaken of grote kwesties betrof. De gesprekken varieerden van de behoudendheid van ‘safe spaces’ en de perfide invloed van Big Tech, van Dora’s miniboks en verhalen van mijn exen die daar opdaagden, tot de ongekende impact van aids op ons leven. Het ging over rouw, omgaan met verlies, over zingen, verbeelding, het belang van taal, kunst en degelijk (journalistiek) onderzoek en over verzet. En al die tijd mocht ik ieders hand vasthouden, vrienden omhelzen, tegen ze aanleunen, zeggen dat ik van ze hield, zoenen uitdelen en krijgen, pardoes hoogstpersoonlijke gesprekken voeren. Ik zag hoe lief mijn vrienden voor me waren. Ze lieten zien hoe rijk mijn leven is geweest, en bewezen dat ik een imposante en trouwe schare vrienden had gevonden. Dat was ongelooflijk troostend.  Het voelde als sterven in schoonheid. [6 mei 2026: met mijn getrouwen op de laatste borrel. Foto: Heleen Emanuel] Het was ook onverwacht zwaar. Mijn besluit dat ik zo niet langer door wilde, was vooral rationeel ingegeven: iets waar ik eigenlijk amper verdriet over had gevoeld. Ik koos immers tussen twee kwaden, en dat ik die keuze überhaupt kon maken, vond ik een groot goed. Daarnaast wilde ik mijn aanstaande dood voor mijn vrienden graag ‘behapbaar’ maken – al wist ik dat ik hun verdriet daarmee niet kon wegnemen. Maar al die mensen plotseling zo intensief zien, pakte uit als een emotionele boemerang. Ik genoot van hun gezelschap, maar ervoer tegelijkertijd acuut hoe bijzonder al die mensen waren van wie ik afscheid aan het nemen was. Daardoor kwam iets raars bovendrijven. Geregeld dacht ik: ‘O lieverds toch, ik ga jullie straks zo ontzettend missen…!’ Dat was een sentiment uit het ongerijmde: want ‘straks’ was ik immers dood, en dan voelde ik niks. Maar nu voelde ik zelf ineens rouw en verdriet. Bovendien kampte ik onverwacht met iets dat naar schuldgevoel zweemde. Ik ging jullie allemaal in de steek laten. Dat voelde als verraad. Wekenlang was ik verlamd. Ik ging met plezier naar de wekelijkse borrels, maar deed niets om andere dingen fatsoenlijk af te ronden. En er moest veel gebeuren: mijn testament aanpassen, financiën op orde brengen, papierwerk afhandelen, afspraken met het Expertisecentrum Euthanasie bezegelen, bedenken wie welke spullen zou krijgen, mijn nabestaanden uitleggen waar dat dan allemaal lag of stond, adreslijsten voor de rouwkaart maken. Ik moest zelfs nadenken over een grafsteen. Ergens half maart snapte ik eindelijk dat ik mezelf had klemgezet. Ik besefte dat ik het leed van mijn vrienden niet kon voorkomen, maar dat van mezelf wel, en dat ik echt niet verder wilde. Dat hielp. Er kwam klaarheid. Daarna werd het makkelijker om door te pakken – ook omdat ik inmiddels alweer achteruit was gegaan. De tijd begon te dringen. [Nelis vindt alles best – zolang hij eten en liefde krijgt] Dit was mijn allerlaatste project: mijn eigen dood organiseren, zorgen dat ik zo goed mogelijk afscheid zou nemen van iedereen die me aanging, en ruimte voor gemeenschappelijke rouw en gedeeld verdriet kon scheppen. Wat ik mijn getrouwen en vrienden nogmaals op het hart wil drukken: terwijl ik er – gezien mijn brakke gezondheid – nooit op had gerekend ouder dan vijftig te worden, heb ik godbetere de 68 gehaald. Dat zijn liefst achttien bonusjaren. Weet dat ik een extreem rijk en vol leven heb gehad, mede dankzij jullie vriendschap, aanvuring, steun en eerlijkheid. Jullie snapten dat ik meer had aan frivoliteit, nuchterheid, confrontatie, valse grappen of een liefdevolle schrobbering dan aan medelijden, omzichtigheid, wegkijken of dingen inslikken. Weet vooral dat ik zonder spijt of berouw ben gestorven. Ik heb veel kunnen doen, ondanks die ms, aanzienlijk meer dan ik eerder vreesde; maar ik wilde simpelweg niet dat die ziekte alsnog het laatste woord zou krijgen. Ik wilde zelf mijn uiterste grens bepalen. Dat heb ik nu gedaan. Vandaag, op 8 mei 2026, ben ik in aanwezigheid van mijn zes getrouwen overleden: Tanja, Caroline, Ruud, Peter, Eric en Luuk. Dat zij erbij konden zijn, was een groot goed. Zonder hulp bij zelfdoding was ik zelf met pillen gaan fröbelen – die lagen al jarenlang klaar – maar dan had ik eenzaam moeten doodgaan, ongewis over de afloop, en zonder zo’n warm afscheid. Nu stierf ik in liefde. [Uitzicht vanaf mijn bed, voordat de hoya’s naar de Hortus gingen] Mijn hersenen en ruggenmerg heb ik aan de Hersenbank gedoneerd. Die doet onderzoek naar multiple sclerose, en naar PIRA (progression independent of relapse activity, ook bekend als the smouldering disease) – vermoedelijk het stadium waarin ik me sinds mei 2023 bevond. (Ze hebben daar serieus behoefte aan de hersenen van gezonde mensen, als controlegroep. Meld je vooral aan.) Mijn website blijft nog tien jaar in de lucht. Het auteursrecht van al mijn gepubliceerde columns, artikelen, lezingen, essays, vertalingen en boeken heb ik aan het publieke domein vermaakt. Doe daar vooral je eigen ding mee. Moge het jullie goed gaan. Ik hoop dat mijn vrienden nog een tijdje bij Brouwerij ’t IJ blijven borrelen – niet voor mij, maar voor elkaar. Ik wens jullie vooral veel liefde, moed, wijsheid en zinnig verzet toe in de barre tijden die in aantocht zijn, zowel politiek en ecologisch als qua nepnieuws, surveillance en AI. Besef daarbij dat je nooit meer hoeft in te leveren (of te verdragen) dan je zelf wilt of aankunt. Je mag altijd je eigen grenzen stellen, en daarnaar leven – of ervoor sterven.

Door: Foto: "Karin Spaink" by Guido van Nispen is licensed under CC BY 2.0
Foto: NIOD BeeldbankWO2 bevrijding rijckholt september 1944 copyright ok. Gecheckt 06-11-2022

Na de bevrijding

Veel verzetslieden en oorlogsslachtoffers hebben na de oorlog hun verhalen voor zich gehouden. Of ze gaven slechts summiere informatie. Dat gold ook voor de soldaten die in Indië gevochten hebben. Sommige verhalen zijn nooit verteld. De tweede generatie bleef ook na de dood van de (groot)ouders vaak nog met vragen zitten over wat er in de oorlog precies is gebeurd in hun familie. Voor velen, inmiddels ook met pensioen, was dat een reden om archieven van instanties en de eigen familie te doorzoeken om antwoorden te vinden. Het heeft de afgelopen decennia geleid tot een hausse aan boeken en documentaires over slachtoffers zowel als daders, verzetsmensen en collaborateurs. En daarmee worden elk jaar weer stukjes geschiedenis toegevoegd, vragen beantwoord en nuances en correcties aangebracht.

Uit de stapel die dit jaar verscheen licht ik een boek met de titel ‘Na de Bevrijding’, eigenlijk dus niet over de oorlog zelf maar over de jaren direct daarna. Daarmee gaat het toch ook weer wel over de oorlog. Veel van wat direct na de bevrijding gebeurde stond immers volledig in het teken van de oorlog. Hoe sterk het verlangen ook was om de oorlogsellende snel te vergeten en vooruit te kijken, er moest een zware en voor velen tragische periode verwerkt worden. ‘Na de bevrijding’, het onlangs verschenen boek van een drietal historici verbonden aan de Radboud Universiteit laat zien hoe Nederlanders hun oorlogservaringen in de jaren veertig hebben verwerkt. De auteurs hebben daarvoor een originele aanpak gekozen. De voornaamste bronnen zijn artikelen uit de toen verschenen dagbladen die een beeld geven van de dagelijkse actualiteit en de wijze waarop gewone mensen met alle tekorten en handicaps de draad van hun leven weer proberen op te pakken. Met name regionale en lokale kranten waar er ‘nauwelijks afstand is tussen de journalist en de gewone burgers’ zijn in de ogen van de auteurs een belangrijke bron voor maatschappelijke ervaringen rond de bevrijding. Ze vormen een aanvulling op individuele getuigenissen en wat er in archieven te vinden is over deze periode.

Lezen: De BVD in de politiek, door Jos van Dijk

Tot het eind van de Koude Oorlog heeft de BVD de CPN in de gaten gehouden. Maar de dienst deed veel meer dan spioneren. Op basis van nieuw archiefmateriaal van de AIVD laat dit boek zien hoe de geheime dienst in de jaren vijftig en zestig het communisme in Nederland probeerde te ondermijnen. De BVD zette tot tweemaal toe personeel en financiële middelen in voor een concurrerende communistische partij. BVD-agenten hielpen actief mee met geld inzamelen voor de verkiezingscampagne. De regering liet deze operaties oogluikend toe. Het parlement wist van niets.

Quote du Jour | WODC rapporteurs voelen zich niet gehoord

Zowel het vorige kabinet als het huidige negeert de conclusies van een WODC rapport over demonstratievrijheid, constateren medeauteurs mr. dr. B. (Berend) Roorda, mr. N.J.L. (Noor Swart), mr. C.V.J. (Joachim) Bekkering en prof. dr. H.B. (Heinrich) Winter in een beschouwing in De Hofvijver,  de digitale krant van het Montesquieu Instituut.

Het rapport is op 19 december aan de Tweede Kamer aangeboden. Ondanks de conclusie dat ingrijpende wijzigingen van de wetgeving niet nodig zijn komen de de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de minister van Justitie en Veiligheid (J&V) van het kabinet-Schoof met een hele reeks aanpassingen.

Foto: Mario Gogh on Unsplash

Het monument schoon, het geweten ook

Het Nationaal Monument op de Dam is beklad. Met rode verf, het woord “genocide” erop gesmeerd, en de politieke reflex volgde onmiddellijk en was voorspelbaar: schande, respectloos, onacceptabel. Ondertussen staan schoonmakers al sinds de vroege ochtend te schrobben, om het ding op tijd weer toonbaar te krijgen voor vanavond.

En dat laatste zegt eigenlijk alles.

Want hoe groot de morele verontwaardiging ook wordt opgetuigd, niemand twijfelt serieus aan de afloop: vanavond ligt het monument er weer keurig bij. De kransen worden gelegd, de koning kijkt er plechtig bij, twee minuten stilte, nationale eenheid. De kras op het collectieve geweten net zo efficiënt weggepoetst als de verf op het steen.

Dat maakt de hele ophef ongemakkelijk dubbel. Bekladding wordt veroordeeld als aantasting van herdenking, terwijl diezelfde herdenking zorgvuldig is afgebakend tot een veilig, historisch kader. Het verleden krijgt alle ruimte, het heden wordt liefst buiten beeld gehouden. Zodra iemand die twee aan elkaar probeert te knopen, ontstaat er paniek, omdat het het ritueel verstoort.

De hypocrisie zit daar: herdenken mag er zijn, zolang het niets kost. Zolang het geen vragen oproept over wat er nú gebeurt, of over de rol die Nederland daarin speelt. Dan wordt herdenken een vorm van morele zelfbevestiging, geen moment van nodige reflectie.

Foto: "The Strait of Hormuz" by NASA Johnson is licensed under CC BY-NC-ND 2.0

De illusie van controle in de Straat van Hormuz

De machtsverhoudingen in de Straat van Hormuz lijken op het eerste gezicht duidelijk. De Verenigde Staten als wereldmacht, Iran als niet meer dan een onmachtige stoorzender. En in theorie klopt dat, maar de praktijk blijkt weerbarstiger. Want de uitkomst van dit spel wordt allang niet meer bepaald door wie de meeste vuurkracht heeft.

De werkelijkheid is pijnlijker. Voor de VS dan, want Iran hoeft nauwelijks iets te doen om te winnen. De Verenigde Staten hoeven alleen maar geen volledige veiligheid te kunnen garanderen. Veiligheid in de Straat van Hormuz is namelijk binair. Of het is helemaal veilig, of totaal niet. Er bestaat geen comfortabele middenweg waarin 97 procent zekerheid volstaat. Voor verzekeraars, rederijen en markten is alles onder de honderd procent simpelweg onzekerheid. En onzekerheid vertaalt zich direct in hogere kosten, omleidingen en stilvallend verkeer.

Dat maakt de drempel voor Iran opvallend laag. Het hoeft geen grootschalige aanvallen uit te voeren, geen tankers systematisch uit te schakelen. Een paar incidenten, een dreigement, een drone op de verkeerde plek, en het systeem begint te haperen. Schepen draaien om nog voordat er iets gebeurt. De markt reageert op wat zou kunnen gebeuren, niet op wat daadwerkelijk plaatsvindt.

De Verenigde Staten zitten gevangen in het spiegelbeeld daarvan. Het kan escortes organiseren, mariniers inzetten, druk uitoefenen en blokkades afdwingen. Wat het niet kan, is garanderen dat er niets gebeurt. En zolang die garantie ontbreekt, blijft de status quo bestaan. En deze kwetsbaarheid wordt uitgemolken door Iran. Zelfs als het totaal geen marine meer heeft.

Foto: European People's Party (cc)

In Hongarije wint Magyar misschien, maar het systeem blijft staan

De verleiding is groot om de opkomst van Péter Magyar te zien als een klassieke regimewissel. Zestien jaar Viktor Orbán en Fidesz zouden eindigen, de illiberale staat wordt ingeruild voor iets wat weer meer op een democratie lijkt, en Brussel kan opgelucht ademhalen. De realiteit oogt aanzienlijk weerbarstiger.

De cijfers voeden de illusie van een breuk. Peilingen suggereren dat Magyar met zijn Tisza-partij zelfs een tweederdemeerderheid kan halen, voldoende om grondwet en instituties te hervormen. Tegelijk erkennen vrijwel alle analisten dat het systeem dat Orbán heeft opgebouwd diep verankerd is in media, rechtspraak en economie. Dat systeem verdwijnt niet automatisch bij een verkiezingsverlies.

En daar zit het eerste probleem. Hongarije functioneert al jaren als wat politicologen een verkiezingsautocratie noemen: verkiezingen bestaan, terwijl het speelveld structureel scheef en anti-democratisch is. Onder Orbán is de rechterlijke macht uitgehold, media geconcentreerd in handen van de staat en bevriende oligarchen, en het kiesstelsel aangepast ten gunste van de zittende macht. Dat zijn geen beleidskeuzes die je met één verkiezing terugdraait; het zijn infrastructuren van macht.

Het tweede probleem is persoonlijker: Magyar zelf. Hij presenteert zich als breuk met het systeem, terwijl hij er rechtstreeks uit voortkomt. Hij was jarenlang insider binnen Fidesz en kent de mechanismen van binnenuit. Dat maakt hem electoraal aantrekkelijk, omdat hij geloofwaardig kan spreken over corruptie. Het roept tegelijk een andere vraag op: waarom zou iemand die in dat systeem functioneerde het fundamenteel ontmantelen, in plaats van het zelf te gaan gebruiken?

Foto: Djoeke Ardon Foto door Amber Witsenburg

Participatielezing manosphere: ‘Jongens niet als gevaarlijk wegzetten’

ACHTERGROND, OPROEP - door Tea Keijl

Djoeke Ardon werkt als onderzoeker bij Movisie al jaren aan het tegengaan van genderongelijkheid. Haar Participatielezing over de manosphere bouwt ze op aan de hand van onderzoeken uit met name de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, maar ook door vele gesprekken met professionals, docenten en ouders in Nederland. Bovendien struint ze zelf rond op sociale media van influencers die propageren dat jongens en mannen gespierd moeten zijn en dat ze vrouwen kunnen domineren. En die vaak ook verkondigen hoe je snel geld kunt verdienen.

‘Er zijn Nederlandse influencers met dit soort boodschappen die een half miljoen volgers hebben’

Ardon: ‘Er zijn Nederlandse influencers met dit soort boodschappen die een half miljoen volgers hebben. En video’s die viraal gaan, bereiken een veelvoud hiervan.’ Uit Brits onderzoek blijkt dat 80 procent van de jongeren daar de Brits-Amerikaanse influencer Andrew Tate kent.

De krochten van het internet

In de Participatielezing duikt Ardon in de ontstaansgeschiedenis van de manoshpere. Rond de eeuwwisseling gebeurden er in de krochten van het internet al dingen die nu aan te wijzen zijn als de wortels van het gedachtegoed. Ze stuit op extreme verhalen: ‘Die gaan over getraumatiseerde jongens die het gevoel hadden dat ze er niet bij hoorden. Online vonden ze elkaar en zo ontstonden hechte gemeenschappen.’

Closing Time | Suspicious Minds

Koningsdag in een land vol wantrouwen. Ik hoef hopelijk niet uit te tekenen waarom dit liedje van The King (of Rock & Roll) toepasselijk is, toch?

Het videoclipje is nog leuk gedaan ook.

Closing Time | Black Hole Sun (akoestisch)

Jennah Bell maakt indruk met deze ingetogen versie van Soundgardens ‘Black Hole Sun’. Haar eerste EP dateert alweer van 2017. Vijf lieve luisterliedjes, beetje soulful.

Geen idee of ze het nog probeert te maken als professioneel artiest nu. Niemand is graag permanent blut. Ze kan in elk geval zeggen dat het serieus heeft geprobeerd.

Closing Time | Human Nature

Er is een nieuwe biopic uit over het leven van Michael Jackson, en de recensies zijn… nogal lauw. Alleen de Telegraaf is onverdeeld positief.

Hoe het ook zij: wie wel eens een liedje van Toto heeft gehoord, hoort in bovenstaand nummer de invloed van toetsenist/componist Steve Porcaro. Ook diens broer Jeff (drums), David Paich (synthesizer) en Steve Lukather (gitaar) speelden mee.

Volgende