Jorn

216 Artikelen
1 Reacties
Achtergrond: Jay Huang (cc)
Foto: Eric Heupel (cc)

Wat ik me afvraag…

Vraagteken Ruim een jaar geleden kregen de vier grootste brouwerijen op de Nederlandse markt; Heineken, Grolsch, Bavaria en Inbev door de Europese Commissie onder leiding van kartel-waakhond Neelie Kroes een boete opgelegd van bijna 274 miljoen euro wegens prijsafspraken. Afnemers hadden jarenlang teveel betaald en uiteraard werden deze hoge kosten doorberekend aan de consument zodat ook wij veel te veel betaalden voor ons biertje in de kroeg en in de supermarkt. Maar, er was goed nieuws; dankzij de boete zouden de prijzen dalen en zou de consument uiteindelijk profiteren van een prijsverlaging. Ik heb er niks van gemerkt; op dit moment klaagt de horeca over de gederfde inkomsten door de invoering van het rookverbod dus die prijzen zullen alleen maar stijgen. Of het is de slechte zomer. Vanuit mijn werk heb ik veel te maken met één van die grootste brouwerijen en jaarlijks krijg ik netjes een bericht dat de prijzen helaas weer omhoog zijn gegaan. Er lijkt dus niets te zijn veranderd.

En zo zag ik enkele weken geleden op het journaal dat we ook jaarlijks zo’n € 130,- te veel voor onze energiekosten betalen. Ook hier hebben we te maken met prijsafspraken, maar ik voorzie nu al dat de stijgende olieprijs of de mondiale financiële crisis als mooi excuus kan worden gebruikt om de hoge prijs te handhaven. En zo worden we telkens weer een loer gedraaid. En dan vraag ik me dus af hoe dat maar door kan blijven gaan.

Foto: Eric Heupel (cc)

Kleine getuigenissen van de veranderende Afrikaanse samenleving

Boubacar Touré Mandémory De Afrikaanse fotografie is in het westen nogal onderbelicht geweest. Jarenlang kreeg alleen de commerciële portretfotografie aandacht in de westerse musea of werden de beelden gebracht door westerse fotografen terwijl de Afrikaanse fotografie in de afgelopen eeuw dezelfde ontwikkeling heeft doorgemaakt als de westerse. Met de grote veranderingen die nu plaatsvinden in de verschillende Afrikaanse landen op cultureel, economisch en sociaal gebied lijkt nu ook de aandacht voor die andere kant van de Afrikaanse fotografie voor het voetlicht te komen. Het werk van de ‘nestor’ van de Afrikaanse fotografie David Goldblatt (Zuid-Afrika, 1930) is al regelmatig te zien geweest maar nu heeft het Stedelijk Museum zo’m 180 werken van 35 fotografen uit het hele continent bijeengebracht. De tentoonstelling Snap judgements: nieuwe standpunten in de hedendaagse Afrikaanse fotografie in het Stedelijk Museum toont een rijke verzameling beelden over uiteenlopende onderwerpen die in twee hoofdthema’s zijn onderverdeeld. Snap Judgments is samengesteld door de in Nigeria geboren Okwui Enwezor, thans curator bij het International Center of Photography in New York, waar de tentoonstelling in 2006 te zien was.

Maatschappij

De maatschappij draagt de sporen uit het verleden die vaak zijn achtergebleven uit het kolonialisme. Ooit imposante gebouwen die de macht van de kolonisator moesten uitdrukken, liggen er nu verlaten en vervallen bij. Fatou Kandé Senghor (Dakar, 1971) maakte bijvoorbeeld een studie van het ooit statige Palais de Justice waarvan niet meer dan een ruïne is overgebleven. Daarnaast is de stedelijke omgeving de afgelopen decennia aanzienlijk veranderd door (al of niet gedwongen) migratie. Randa Shaath (Philadelphia, 1963) keerde terug naar de geboortestad van haar moeder en legde het leven op de daken in Caïro vast. De kleine huisjes die op de daken waren gebouwd, werden ooit bewoond door de schoonmakers en huishoudhulpen maar na de val van de monarchie en de nationalisatie van privaat bezit in de jaren zestig werden deze ingenomen door de migranten uit de dorpen en ontsond er een geheel nieuwe leefcultuur op de daken.

Foto: Eric Heupel (cc)

Raconteurs speelt nabij perfectie

Raconteurs Soms vraag je je wel eens af of de Nederlandse podia hun programmering met elkaar afstemmen. Afgelopen dinsdag was dit zeker niet het geval. In het Amsterdamse Westerpark stond Radiohead, in Paradiso was Live, in Tivoli Vampire Weekend en in de Melkweg stonden The Raconteurs. Het is natuurlijk ook festivaltijd (a.s. weekend vindt alweer de 21e editie van Werchter plaats) waardoor veel bands in de buurt zijn en makkelijk kunnen worden geboekt. De ware muziekliefhebber stond gisteren echter voor een lastige keuze, of beter gezegd een paar maanden geleden, omdat de concerten bij de start van de voorverkoop binnen een mum van tijd waren uitverkocht.

Als ware sterren lieten The Raconteurs even op zich wachten in een uitverkochte Melkweg. Het publiek werd onrustig, misschien wel door de eerste rookvrije horeca-dag maar zeker ook door de slome blues die als achtergrondmuziek de handelingen van de overijverige roadies inlijstte. Bij opkomst van de band waarvan men verwachtte dat het een eenmalig nevenproject van zanger/gitarist Jack White zou zijn, leek het er ook op of de leden onenigheid hadden gehad want de opkomst was kil en er kon geen lachje van af. Plichtmatig werden de eerste nummers afgewerkt.

Het is misschien ook niet makkelijk om Jack White binnen de gelederen te hebben. De muzikant is de sterrenstatus al lang ontstegen en alleen al zijn naam op het affiche zorgt voor een toeloop van een schare fans. Zelf bleef hij er bescheiden onder tijdens het concert; haast verlegen nam hij plaats naast het andere muzikale brein, Brendan Benson en maakte hij zich volledig ondergeschikt aan het geheel. White staat erom bekend dat hij alle oude blueslegendes goed heeft bestudeerd en waarschijnlijk kan hij met de Raconteurs met meer instrumenten zijn ei beter kwijt dan bij het minimalistischere White Stripes. En dat zal dan ook de reden zijn dat deze band een langer leven beschoren is dan aanvankelijk verwacht.

Foto: Eric Heupel (cc)

Mike Patton omhelst het Italiaanse B-film lied

Mike Patton Het is weer eens wat anders; Mike Patton die in het Italiaans zingt. De voormalige voorman van Faith no More en momenteel van onder andere Mr Bungle, Peeping Tom en Fantômas ontdekte het Italiaanse B-filmlied dankzij de jonge filmcomponist Daniele Luppi en besloot er samen met hem een project van te maken onder de titel Mondo Cane (i.e. ‘hondse wereld’), vernoemd naar de gelijknamige documentaire van Gualtiero Jacopetti en Franco Posperi uit 1962. Het project was oorspronkelijk gemaakt voor het Angelica festival in Bologna en werd daar in 2007 uitgevoerd. Maar afgelopen donderdag stond Patton met Mondo Cane ook geprogrammeerd in een uitverkocht Paradiso, in het kader van het Holland Festival. Met zijn haren strak achterover gekamd, een zwart pak van Italiaanse snit en een sardonische glimlach bracht hij de werken van onder andere Gino Paoli, Luigi Tenco en Adriano Celentano ten gehore.

Qua mimiek leek hij zo nu en dan op onze eigen Hans Teeuwen die eerder dit jaar al de liederen van Sinatra zong. En Patton kwam niet alleen; voor de orkestrale begeleiding had hij het Metropole orkest uitgenodigd dat onder leiding stond van dirigent Aldo Sisillo. En vele Italianen met wie hij de uitvoering in Bologna had gedaan, waren er nu weer bij. De trompetist Roy Paci was de blikvanger dankzij zijn meesterlijke spel, Enri bespeelde verschillende toetsen waaronder hammond en moog, de markante Vincenzo Vasi zorgde voor de electronica en de theremin en het koor was ook Italiaans. Daarnaast waren er drums, bas en gitaar aan toegevoegd. Het hele gezelschap bij elkaar bezette de halve zaal van Paradiso waarbij Patton vanaf een soort kansel de hoofdzang voor zijn rekening nam. En dat deed hij vrijwel accentloos.

Foto: Eric Heupel (cc)

Verrassend debuut van Bonne Aparte

Bonne Aparte Het werd weer eens tijd voor een goede bak herrie. En dat viel mooi samen met de eerste albumrelease van Subbacultcha, Taste my snow van het Fries/Groningse Bonne Aparte. De ondergrondse concertorganistor die al jarenlang garant staat voor gevarieerde avonden in de iets kleinere zaaltjes in Amsterdam, Haarlem en Utrecht, heeft namelijk haar vleugels uitgeslagen en in mei haar eigen label opgericht. En dan niet een in de traditionele zin des woords maar puur om het beste uit de alternatieve muziekscene in Nederland naar voren te halen. Want het hart van Subbacultcha ligt bij de muziek en niet bij de commercie. Daarnaast verschijnt er nu een gratis maandelijks mini-magazine met aandacht voor alternatieve muziek, kunst, design, lifestyle en fotografie. En werd er ook nog eens een verzamel-cd uitgebracht met nummers van Health, Pfaff, Intelligence en Scram C Baby. Maar dat deed Subbacultcha al vaker.

En dan nu dus de eerste albumrelease van Bonne Aparte dat is uitgebracht door een samenwerking tussen Subbacultcha, Wham!Wham! records, Rocknroll Highschool en Konkurrent. De eerste twee zorgen voor de promotie, de tweede voor de optredens en de laatste voor de distributie. En dat legt Bonne Aparte geen windeieren gezien de uitgebreide tourlijst van de band. In Nederland wordt zo’n beetje op elk podium gespeeld en in september volgt nog een tour door Polen en Rusland.

Foto: Eric Heupel (cc)

Weinig vernieuwend maar wel lekker

Ringel-S Neem wat Front 242, Kraftwerk, TC Matic, Modern Talking en een vleugje Air, gooi dat in een blender en dan krijg je de elekroclash van Ringel-S, een drietal uit het Belgische Sint-Niklaas. Afgelopen zaterdag stonden de heren in het Sittardse Fenix waar ze hun show ten beste gaven voor een kleine vijftig man. Hans Liberti (vocals, synths) Ewald Frohlich (vocals, bass) en Bootsmann (simmons drums) kon deze lage opkomst niet zo veel schelen, Ringel-S moet niet al te serieus worden genomen en is vooral opgericht om lol aan te beleven.

In 2005 besloten Liberti (Jan D’Hooghe, Implant, ex-Vive la Fête) en Frohlich (Geert Bogaerts, Missmoses) hun gitaren aan de wilgen te hangen om met de elektro aan de haal te gaan. Beide heren kenden elkaar al uit het Belgische rockcircuit waar ze in de jaren negentig in verschillende bands hadden gespeeld, maar daar waren ze op een gegeven moment wel klaar mee. Het roer ging om, er werd een Moog aangeschaft, Frohlich richtte zich op de basgitaar en in drums werden ze ondersteund door beatbox Saubermensch. En in die hoedanigheid deden ze mee aan de Humo’s Rockrally 2006 (zonder resultaat) en de voorronde voor het Belgische songfestival met het nummer Stephanie (evenmin). En dat terwijl het merendeel van hun nummers Duitstalig is.

Foto: Eric Heupel (cc)

Dromerig engagement bij Roommate

Roommate Een bevriende lezer wees mij op het nieuwe album van Roommate, We were enchanted dat op 15 april uitkwam. Ik kende Roommate nog niet en was benieuwd naar de muzikant die zich naar eigen zeggen middels zijn muziek als een huisgenoot neervleit in je eigen woonkamer. Roommate is het pseudoniem van Kent Lambert die naast muzikant een verdienstelijk videomaker is en regelmatig zijn werk vertoont op internationale festivals.

De manier van werken van Roommate begon eigenlijk hetzelfde als die van Spinvis. Thuis knutselde hij achter de computer de composities in elkaar om ze vervolgens live ten gehore te brengen. In eerste instantie deed hij dat solo (vanaf 2000), maar vanaf 2004 heeft hij een band van wisselende samenstelling om zich heen geformeerd waarbij hij analoge synthesizer, viool, banjo en wanneer beschikbaar, muzikale zaag, theremin, melodica en fagot gebruikt om zijn nummers live meer kracht bij te zetten. De muzikanten die regelmatig met hem samen spelen, hebben tegenwoordig ook invloed op de composities die hij maakt. En dat resulteerde al in een aantal Ep’s en een eerste full length album Songs the animals thaught us in 2006.

Op het eerste gehoor heeft We were enchanted wel iets weg van Radiohead ten tijde van Kid A of Amnesiac waarbij het lijkt alsof er met minimale middelen wordt gewerkt maar wie beter luistert, ontdekt de diepere gelaagdheid in de muziek. Luchtig is het allemaal niet, Lambert is een sterk sociaal geëngageerd persoon en zijn teksten gaan over gewelddadige visoenen, de wereld die vergaat en de technologische vooruitgang die geen mens meer bij kan benen. Het is dus een album waar je even voor moet gaan zitten voordat je de schoonheid erin kan ontdekken en ook één dat niet voor alle dagen bestemd is. Maar wanneer aan deze randvoorwaarden is voldaan, raak je als luisteraar snel verkocht aan de dromerige muziek van Roommate die stiekem een harde realiteit vertegenwoordigt.

Foto: Eric Heupel (cc)

Op zoek naar verfrissing bij London Calling

London Calling Voor liefhebbers van de Britpop is het London Calling festival nu al ruim vijftien jaar een uitgelezen plek om te zien welke nieuwe bands er aan staan te komen. Om maar even wat namen te noemen die na het festival groot zijn geworden; Skunk Anansie, Blur, Franz Ferdinand, Bloc Party, Kaiser Chiefs, Editors; allen hebben ze in Paradiso min of meer hun vuurdoop beleefd voor het Europese publiek en daarom komen bands ook graag hier om hun kunsten te vertonen. Programmeur Ben Kamsma heeft een neus voor nieuwe bands en het publiek laat zich graag verrassen door de keuzes die hij telkens weer maakt. Ook de 29e editie van afgelopen weekend was binnen een mum van tijd uitverkocht en dat terwijl de programmering niet eens bekend was bij de start van de voorverkoop.

In de loop van de jaren heeft Kamsma zijn horizon verbreed en spelen er niet alleen maar Engelse bands op het festival en is ook niet alles Britpop wat de klok slaat. En daardoor dekt de titel van het festival niet helemaal de lading meer, maar is het aanbod wel interessanter geworden. De leukste ‘echte’ Britpop-band van deze editie was the Metros, een vijftal uit Pecknam dat er alles aan gelegen was om een wervelende show neer te zetten. Hun muziek is een mix van gitaarpop met een vleugje funk en doet zo nu en dan denken aan Madness. Hieronder een greep uit dat andere wat London Calling afgelopen weekend te bieden had.

Foto: Eric Heupel (cc)

De dagelijkse realiteit van ‘The Ninth Floor’

The Ninth Floor Mijn gewaardeerde collega Crachàt wees ons al eerder op het werk van Jessica Dimmock en nu is in Foam de tentoonstelling The Ninth Floor te zien. Dimmock (New York, 1978) volgde hiervoor drie jaar lang de bewoners van het appartement van Joe Smith, een kunstenaar die in de jaren zeventig en tachtig furore maakte in de New Yorkse kunstscene maar die aan lager wal raakte door een heroïneverslaving. Smith begon zijn appartement op de negende verdieping in Manhattan onder te verhuren aan andere verslaafden en nadat zij de huur niet meer konden betalen, werd deze voldaan in de levering van heroïne. Alle spullen van waarde in het huis zijn ondertussen verkocht en het leven wordt bepaald door één noodzaak: scoren. Dimmock was op straat een digitale camera aan het uitproberen toen ze werd aangesproken door een cocaïnedealer die haar uitnodigde hem het onderwerp van haar foto’s te maken. Ze belandde op feesten, bij mensen thuis en uiteindelijk ook in het appartement op de negende verdieping. Na het eerste bezoek keerde ze terug met enkele afdrukken waarna ze min of meer onbeperkt toegang kreeg tot het appartement. Het resultaat is een rauw portret van een groep verslaafden, shockerend en triest, maar ook lieflijk omdat je kunt zien dat Dimmock in de loop van die drie jaar een vriendschappelijke relatie met de bewoners heeft opgebouwd.

Foto: Eric Heupel (cc)

Geen moment rust bij Foals

Foals
Een nieuwe rage bij gitaarbandjes is het toevoegen van Afrikaans aandoende deuntjes. De bekendste hierin is waarschijnlijk Vampire Weekend (het concert dat ze op 20 mei geven in de Melkweg was binnen twee dagen uitverkocht), maar ook White Rabbits uit New York lijkt haar liedjes in deze vorm te hebben gegoten. Het resultaat is hoekige punkpop, energieke loopjes en een verfrissend geluid. en dat is weer eens wat anders in de grote hoeveelheid nieuwe bandjes waarmee we bijna maandelijks worden overspoeld.

Afgelopen vrijdag stond een andere vertegenwoordiger uit deze ‘nieuwe’ lichting in de grote zaal van Paradiso; Foals uit Oxford. Op hun myspace pagina noemen ze zichzelf ‘Snotty art school dropouts hungry for the dollar’, maar daarvan was niets te merken in hun show. Zanger/gitarist Yannis Philippakise en gitarist Jack Bevan stonden zijwaarts naar het publiek gekeerd en dat was een beetje raar gezicht. Maar van enige verlegenheid was geen sprake want de twee stuiterden van begin tot eind over het podium. Een medebezoekster omschreef de band als een goede kruising tussen de leuke poppy deuntjes van Klaxons met de zang van Robert Smith. En met die typering zat ze er niet ver naast. Maar laat ik ze niet tekort doen door deze vergelijking over te nemen.

Foto: Eric Heupel (cc)

Oude boeken – Imperium

Kapuscinski Sommige schrijvers hebben op één of andere manier een neus voor op handen zijnde veranderingen in de geschiedenis. Cees Nootenboom had het bijvoorbeeld toen hij in 1989 een appartement huurde in Berlijn, ver voordat de omwenteling zich in de voormalige DDR voltrok. Hij zag de gebeurtenissen letterlijk voor zijn raam ontstaan en tekende deze op, hetgeen zijn weerslag kreeg in Berlijnse Notities (1990). De vorig jaar overleden journalist/schrijver/dichter Ryszard Kapuściński (Pinsk 1932 – Warschau 2007) had het ook meerdere malen; tijdens zijn verblijf in Afrkia vond de dekolonisatie plaats en in totaliteit zag hij maar liefst 27 revoluties en staatsgrepen aan zich voorbijtrekken.

Kapuściński hang naar het reizen werd vooral gevoed door een bovenmatige interesse in de mens. In een speciale reisbijlage van het Nrc rond kerstmis vorig jaar waarbij Kapuściński’s verhalen als leidraad waren genomen, werd dat duidelijk zichtbaar. Kapuściński had namelijk de gewoonte om aan verschillende mensen dezelfde vragen te stellen om zo zijn kennis over een onderwerp te vergroten en nieuwe invalshoeken te ontdekken. Hij verbaasde zich over de mensen die zeiden dat ze zich een onderwerp eigen hadden gemaakt waarbij vaak bleek dat ze er maar één keer over hadden gesproken. Het sierde hem dat hij het geduld kon opbrengen om door te blijven vragen.

Foto: Eric Heupel (cc)

Superhelden en sjlemielen

Maus De term graphic novel werd voor het eerst geïntroduceerd door Will Eisner (1917, New York – 2005, Fort Lauderdale), nadat deze ooit was bedacht door Jim Steranko (uit de stal van Marvel Comics). Eisner maakte in de jaren veertig furore met The Spirit, een wekelijkse acht pagina’s tellende krantenpagina waarin hij de avonturen schetste van de overleden Denny Colt die vanuit zijn eigen graf de misdaad bestreed en tegelijkertijd het prototype van een anti-held was. De strip was dermate populair dat de wekelijkse oplage opliep naar vijf miljoen en Eisner een studio kon oprichten die als broedplaats gold voor nieuw tekentalent. In 1952 hield hij het echter plotseling voor gezien met the Spirit en legde hij zich toe op het maken van voorlichtingsgidsen voor het Amerikaanse leger.

Maar Eisner wilde meer; hij wilde een schrijver zijn die in beelden schrijft, verhalen vertellen waarbij hij zijn tekeningen als ondersteuning kon gebruiken. Geïnspireerd door de nieuwe tekenstijl van Robert Crumb begon hij begin jaren zeventig aan A contract with god (1978), het verhaal over een man wiens dochter jong sterft en die zijn god min of meer ter verantwoording roept omdat hij het contract dat hij met goede mensen had afgesloten, had verbroken. De man breekt met zijn religie maar zal er weer naar terugkeren aan het eind van zijn leven omdat volgens Eisner elke stervende uiteindelijk terug zal keren naar zijn religie omdat dat de enig overgebleven strohalm is. Het was het begin van een reeks succesvolle beeldromans die verder nog zou bestaan uit the Dreamer (1986), The building (1987), To the heart of the storm (1991) en Fagin the jew (2003). Omdat Eisner een tijd uit de roulatie was geweest gebruikte hij voor zijn nieuwe creatie niet het woord comic, dat toen gangbaar was, maar graphic novel. Het verschil zit hem volgens hem in de structuur die veel meer weg heeft van een film (storyboard) of een toneelstuk en daarmee werd Eisner de wegbereider van de tekenkunst want tekenen werd daarvoor als een gewone baan gezien. Eisner wordt bijna altijd als inspiratiebron genoemd en in Nederland begint uitgeverij Podium zelfs het eerste getekende literaire tijdschrift dat zijn naam draagt. In de herfst zal het eerste blad verschijnen.

Vorige Volgende