Joost

2.828 Artikelen
2.840 Waanlinks
25.696 Reacties
Achtergrond: Kordite (cc)
Technisch opperhoofd en voorzitter van Sargasso, wat in de praktijk betekent dat hij nog geen zak te zeggen heeft :).

Developt (?) zich in het dagelijks leven het ongans en heeft veel te veel ideeën om uit te voeren. Daarom helpt Chat (zie boven) hem tegenwoordig vaak een handje zodat er toch nog af en toe een stukje verschijnt.
Foto: Count Binface - plaatje gemaakt met AI

De verkiezingsstunt van Nigel Farage en de vuilnisbak die hem kan stoppen

De inwoners van het Britse kiesdistrict Clacton mogen op 6 augustus opnieuw naar de stembus. Niet omdat hun parlementslid is overleden of ziek is geworden. Nee, Nigel Farage, frontman van de rechts-extremistische Reform UK-partij, heeft zelf ontslag genomen als parlementslid, uitsluitend om zich onmiddellijk opnieuw verkiesbaar te stellen.

Farage presenteert de tussentijdse verkiezing als een oordeel van het volk over zijn integriteit. De kiezers van Clacton zouden mogen bepalen of hij iets verkeerd heeft gedaan. Dat is niets meer dan een afleidingsmanoeuvre. Een lokaal electoraat kan immers beslissen wie het naar Westminster stuurt, maar niet of een parlementslid de regels rond giften, belangenverstrengeling en financiële openheid heeft overtreden.

Daarvoor bestaat een parlementaire onderzoeksprocedure. En die procedure vormt de aanleiding voor Farages stunt.

Vijf miljoen pond

Hij ligt namelijk onder vuur vanwege een gift van vijf miljoen pond van Christopher Harborne, een miljardair die zijn vermogen onder meer met cryptovaluta verdiende en al jarenlang een belangrijke financier van Reform UK is. Farage zegt dat het om een persoonlijke gift ging die niets met zijn politieke activiteiten te maken had en daarom niet hoefde te worden aangegeven.

Die uitleg is natuurlijk totale onzin. Farage was in de betreffende periode directeur van de onderneming achter Reform UK en keerde kort na de gift terug naar de voorgrond van de Britse politiek. Daarnaast wordt onderzocht of hij in het parlement onderwerpen heeft aangekaart waarvan zijn weldoener kon profiteren. Er zijn bovendien vragen over ondersteuning door George Cottrell, een vermogende medewerker en vertrouweling van Farage die eerder in de Verenigde Staten werd veroordeeld voor fraude.

Foto: Towfiqu barbhuiya on Unsplash

Armoede in de aanbieding

Nederland heeft van boodschappen doen een soort laagbetaalde deeltijdbaan gemaakt. Niet aan de kassa, niet in het distributiecentrum, maar thuis aan de keukentafel, met folders, apps, bonuskaarten, hamsterweken, weekdeals, persoonlijke aanbiedingen en de vraag of het wc-papier deze week bij Albert Heijn, Jumbo of Dirk strategisch verantwoord is.

Dat wordt verkocht als voordeel voor de consument. Wie oplet, wint. Wie slim koopt, bespaart. Wie aanbiedingen volgt, houdt geld over. Het probleem is dat zo’n systeem vooral vriendelijk lijkt vanuit het perspectief van iemand die genoeg geld, tijd, opslagruimte en mentale bandbreedte heeft. Voor wie weinig geld heeft, wordt die zogenaamde keuzevrijheid al snel een extra verplichting.

De actie als rookgordijn

Het meest gunstige verhaal over aanbiedingen is simpel: supermarkten concurreren, consumenten profiteren. Dat verhaal klopt voor losse producten, op losse momenten, voor consumenten die precies kopen wat toevallig scherp geprijsd is. Op systeemniveau wordt het minder overtuigend. Korting wordt gepresenteerd als cadeau, terwijl het eigenlijk vooral een prijsmechanisme is dat eerst ruimte moet maken om daarna royaal te kunnen ogen.

Een supermarkt die structureel korting geeft, moet die korting ergens terugverdienen. Via andere producten. Via hogere reguliere prijzen. Via fabrikanten die betalen voor schapruimte, promoties of zichtbaarheid. Via klanten die geen tijd hebben om de folder uit te pluizen. Via mensen die de bonuskaart vergeten, de app niet gebruiken of het geld missen om groot in te slaan wanneer de aanbieding langskomt.

Foto: engin akyurt on Unsplash

Rusland is weer welkom in de olympische familie

Het IOC heeft de deur voor Rusland weer verder opengezet. Het Russische olympisch comité is voorlopig gerehabiliteerd, waardoor Russische sporters en ploegen weer richting internationale competities en uiteindelijk Los Angeles 2028 kunnen bewegen. Of dat straks ook weer met vlag, volkslied en nationale kleuren mag, moet nog worden beslist. Voorlopig heet het dus nog voorzichtigheid, maar laten we het voor het gemak ‘gewenning’ noemen.

Aan de oorlog is intussen niets wezenlijks veranderd. Rusland voert nog altijd een bloedige aanvalsoorlog tegen Oekraïne. De reden waarom Russische sporters en teams ooit werden geweerd, bestaat dus nog steeds. Alleen de bestuurlijke rek is eruit. De morele verontwaardiging heeft zijn houdbaarheidsdatum blijkbaar bereikt.

Het IOC zal wijzen op neutraliteit. Sport mag niet worden gegijzeld door politiek, heet het dan. Maar die neutraliteit werkt opvallend vaak één kant op. Oekraïense sporters trainen in een land waarvan sportfaciliteiten zijn verwoest, waar ploeggenoten en familieleden aan het front zitten of zijn omgekomen, en waar een gewone voorbereiding al een privilege is geworden. World Athletics gebruikte precies dat argument vorige week nog om de uitsluiting van Rusland en Belarus te handhaven: er is geen tastbare beweging richting vrede en de positie van Oekraïense atleten is ernstig beschadigd.

Foto: Aleksandr Popov on Unsplash

Alle Duitsers behalve Helmut en alle Marokkanen behalve Mo

Toen ik het artikel van gisteren las over polarisatie en de conclusie dat de meeste mensen in het eigen leven dat weinig ervaren, moest ik onwillekeurig denken aan mijn eigen jeugd. Als kleinkind van een Nederlandse veteraan die bij de Prinses Irenebrigade had gevochten, maakte ik op zijn verjaardag een huis vol met oude strijdmakkers mee. Nederlandse mannen die via de omweg van oorlog en ballingschap weer bij de bevrijding van hun eigen land betrokken raakten. Ze kenden elkaar van uniformen, kazernes, modder, angst,  kameraadschap en trauma. En ze hadden allemaal een hekel aan Duitsers.

Alle Duitsers waren klootzakken. Dat was ongeveer de regel.

Alleen gold die regel zelden voor de Duitsers die ze daadwerkelijk kenden. De Duitse kennis viel mee. De Duitse collega was een aardige vent. De Duitse vrouw op vakantie was hartelijk. De uitzondering zat altijd dichtbij. Het stereotype bleef intact, de individuele mens werd ervan vrijgesteld.

Achteraf was dat misschien mijn eerste les in de elasticiteit van vooroordelen. Een mens kan een groep wantrouwen en tegelijk prima omgaan met de leden van die groep, zodra die een naam, gezicht, stem en adres hebben. Helaas sneuvelt het vooroordeel dan meestal niet, het wordt verplaatst. Weg van de concrete persoon, terug naar de abstracte massa.

Foto: Pablo García Saldaña on Unsplash

De rechtse vrijstelling voor extremisme

In de politiek geldt voor links en rechts een verschillende boekhouding. Extreemrechts kan jarenlang de toon zetten, de thema’s leveren, de taal verharden en de grens van het betamelijke verplaatsen, zonder dat rechts als geheel daar automatisch voor wordt afgerekend. Extreemlinks hoeft maar in de buurt van een debat te verschijnen en heel links mag uitleggen dat betaalbare huren geen opmaat zijn naar de goelag.

Onderzoek naar verkiezingen laat zien dat extreme kandidaten wel degelijk stemmen kosten. In Amerikaanse verkiezingen verliezen extreme kandidaten van beide partijen aantoonbaar electorale steun. Wie zelf als extremist op het stembiljet staat, betaalt vaak een prijs.

Alleen werkt extreemrechts meestal subtieler. Het hoeft niet altijd te winnen om effectief te zijn. Het hoeft vooral de agenda te bepalen. Onderzoek naar Duitsland laat zien dat radicaal-rechtse partijen steeds meer invloed kregen op de communicatie van gevestigde partijen, vooral rond migratie, islam en integratie. Ander Europees onderzoek laat zien dat het overnemen van anti-immigratiestandpunten radicaal-rechts zelden verzwakt. Het origineel blijft aantrekkelijker dan de imitatie.

Voor rechts is extreemrechts daardoor tegelijk concurrent en leverancier. Het levert thema’s, woorden en vijandbeelden. Mainstream-rechts vertaalt die vervolgens naar “zorgen serieus nemen”, “grenzen bewaken” en “realistisch beleid”. De smerige formulering verdwijnt, het frame blijft staan.

Foto: Jametlene Reskp on Unsplash

De aaibaarheidsindex voor migranten

Kiest u migrant A of B?” was de onderzoeksvraag. Een manier om bloot te leggen welke migranten burgers eerder accepteren. Opleiding, leeftijd, taalvaardigheid, religie, gezinssituatie, vluchtreden: alles kan worden gevarieerd, gemeten en netjes in grafieken gezet. En inderdaad, zulke studies kunnen iets belangrijks laten zien. Niet wat rechtvaardig is, maar wat mensen aantrekkelijk vinden.

Maar als je weet welke migrant het best verkoopt, ontstaat de verleiding om migratiebeleid daarop af te stemmen. De jonge, werkende, goed opgeleide migrant. De migrant die onze taal al spreekt. De migrant die cultureel niet te veel schuurt. De vluchteling met het begrijpelijke verhaal, het fotogenieke kind, de herkenbare wanhoop. De migrant die geen beroep doet op solidariteit, maar op sympathie.

Wie draagvlak wil behouden, moet weten waar dat draagvlak zit. Maar draagvlak is geen moreel kompas. Het kan net zo goed registreren waar onze vooroordelen, angsten en hiërarchieën zitten. Bovendien is draagvlak geen natuurverschijnsel. Het wordt gevormd door politieke keuzes, framing, media-aandacht, beleidstaal en jarenlange campagnes waarin migratie vooral als probleem, last of dreiging is gepresenteerd. Politiek hoort dus niet simpelweg achter de publieke opinie aan te hobbelen, omdat dat een cirkeltje creëert. Het is ook de taak van politiek om draagvlak te creëren voor wat juridisch noodzakelijk en moreel verdedigbaar is.

Foto: Wendy (cc)

Toenemend racisme: gelijkwaardigheid als staatsgreep

De standaard lezing van het toenemende aantal stemmen op radicaal- en extreemrechts is dat het zou gaan om angst voor achterstand, om buurten die onder druk staan, om mensen die hun land zien veranderen. Dat het dus geen ‘echt’ racisme is. Daar is natuurlijk een hoop op af te dingen, en die lezing mist iets wezenlijks. Racisme laait namelijk niet alleen op wanneer minderheden worden gezien als last, maar ook wanneer zij zichtbaarder, succesvoller en invloedrijker worden.

Dat is geen vreemde gedachte. In onderzoek naar intergroup threat en status threat komt steeds dezelfde dynamiek terug: vooroordelen nemen toe wanneer een dominante groep een andere groep ervaart als bedreiging voor macht, status, identiteit of de vertrouwde orde. Het gaat dus niet alleen om banen of woningen, maar ook om de vraag wie zichtbaar is, wie spreekt, wie beoordeelt en wie bepaalt.

Zolang migranten en hun kinderen passen in het oude schema, is er weinig aan de hand. Ze mogen schoonmaken, koken, bezorgen, bouwen, zorgen en dankbaar zijn. De spanning ontstaat zodra ze succesvoller worden en de ruimte innemen die vroeger vanzelfsprekend aan anderen werd toegekend.

Dat zie je overal. Mensen van kleur en kinderen van immigranten zijn steeds vaker niet meer het onderwerp waarover wordt gesproken, maar degenen die spreken, presenteren, besturen en duiden. Ze zitten aan talkshowtafels, in gemeenteraden, op redacties, in rechtbanken, universiteiten, raden van bestuur en politieke panels. Ze zijn geen lijdend voorwerp meer in het nationale verhaal, maar mede-auteurs ervan. Voor wie gewend was dat “de ander” hoogstens figureerde in reportages over achterstand, integratie of overlast, is dat een forse statuscorrectie.

Foto: Claudio Schwarz on Unsplash

De spagaat van links: als zelfs tegenspreken niet helpt

Een van de meest frustrerende inzichten uit het onderzoek naar desinformatie, framing en radicalisering is dat er geen eenvoudige tegenstrategie bestaat. Ideeën verdwijnen namelijk niet vanzelf doordat ze worden weerlegd. Sterker nog, het voortdurend herhalen van een frame, zelfs om het tegen te spreken, kan bijdragen aan de zichtbaarheid en bekendheid ervan. Juist daarom verschuift een deel van het onderzoek de aandacht van achteraf corrigeren naar het vooraf weerbaar maken van mensen tegen misleidende boodschappen.

Neem het voortdurend reageren op extreemrechtse standpunten. Intuïtief voelt dat logisch. Als een politicus beweert dat migranten verantwoordelijk zijn voor woningnood, criminaliteit of maatschappelijke achteruitgang, dan wil je dat weerspreken. Je wilt feiten tegenover fictie zetten. Je wilt duidelijk maken dat racisme racisme is.

Alleen zit daar een probleem. Door een standpunt voortdurend te herhalen, zelfs om het te ontkrachten, help je het onderwerp centraal te stellen in het publieke debat. Onderzoek naar normalisering laat zien dat aandacht op zichzelf al kan bijdragen aan het verschuiven van grenzen van wat als acceptabel wordt gezien. Hoe vaker een idee terugkomt, hoe minder uitzonderlijk het voelt.

Dat brengt links in een vrijwel onmogelijke positie.

Zwijgen is geen optie. Niet omdat stilte extreemrechtse ideeën laat verdwijnen, maar omdat anderen gewoon doorgaan met het verspreiden ervan. Als linkse partijen besluiten een frame te negeren, houdt rechts zelden dezelfde discipline aan. Het resultaat is dan geen debat zonder extreemrechtse standpunten, maar een debat waarin die standpunten vrijwel ongehinderd rondzingen. Tegelijk verwacht de eigen linkse achterban dat aanvallen op minderheden, democratische instituties of fundamentele rechten worden weersproken. Wie zwijgt, laat het speelveld aan de tegenstander én vervreemdt de mensen die juist op een weerwoord rekenen. Dat maakt de spagaat compleet: reageren helpt de normalisering, zwijgen versnelt haar mogelijk nog verder.

Dierenwelzijn: de rotte appels krijgen na 13 jaar inflatiecorrectie

De verhoging van boetes voor bedrijven die dieren mishandelen wordt gebracht als harder optreden tegen “rotte appels”. Alleen vertelt het verhaal daarachter eigenlijk meer: de boetes zijn sinds 2013 niet verhoogd en worden nu met 40 procent aangepast, volgens de overheid zelf op basis van de inflatie.

Dat is een nogal schrale definitie van daadkracht. Wie dierenwelzijn serieus neemt, laat sancties niet dertien jaar langzaam verdampen terwijl bedrijven intussen gewoon door kunnen rekenen. Dan is deze verhoging geen principiële aanscherping, maar achterstallig onderhoud aan een boetestelsel dat kennelijk jarenlang weinig politieke urgentie had.

Foto: "The Strait of Hormuz" by NASA Johnson is licensed under CC BY-NC-ND 2.0

Iran: van sancties naar servicepakket

Voor de oorlog was de status quo helder. Iran zat onder sancties, had beperkte toegang tot internationale markten en werd door Washington en Tel Aviv behandeld als een probleem dat met maximale druk vanzelf kleiner zou worden. De VS hadden de militaire overmacht in de regio, Israël had de politieke rugdekking, en het nucleaire dossier leverde de permanente rechtvaardiging voor dreiging, bombardementen en stoere taal van mannen die oorlog vooral zien als een communicatiestrategie met explosieven.

Na de oorlog ligt er een (uitgelekt) voorlopig akkoord waarin Iran opvallend weinig, of eigenlijk zelfs niet, kleiner is geworden. Mocht het waar zijn, dan stopt de strijd op alle fronten. Ook bondgenoten moeten zich eraan houden, waardoor de tekst impliciet ook de strijd tussen Israël en Hezbollah raakt. Dat alleen al is een interessante uitkomst: Iran wordt niet geïsoleerd, maar erkend als partij die invloed heeft op de regionale brandhaarden. Voor een land dat zogenaamd op zijn plek moest worden gezet, is dat een vrij ruime plek geworden.

Nog aardiger wordt het bij de wederzijdse belofte om zich niet meer met elkaars binnenlandse aangelegenheden te bemoeien. Trump had na de eerste aanvallen nog gefantaseerd over regimeverandering in Iran. Nu belooft Washington datzelfde regime met rust te laten. Blijkbaar is de dictatuur na een paar maanden oorlog weer voldoende legitiem om er ordentelijk afspraken mee te maken. Principes zijn mooi, zolang ze niet in de weg staan van olieprijzen.

Foto: IoSonoUnaFotoCamera (cc)

Israël: het kind dat weet dat papa toch wel over de brug komt

Israël heeft een merkwaardige verhouding met de Verenigde Staten ontwikkeld. Officieel is Washington de grote bondgenoot, de beschermheer, de strategische rugdekking zonder wie Israël militair en diplomatiek aanzienlijk minder, of zelfs geen, bewegingsruimte zou hebben. In de praktijk gedraagt de Israëlische regering zich steeds vaker alsof die bondgenoot vooral een hinderlijke ouder is: nuttig voor de bescherming, irritant zodra er grenzen worden gesteld.

Die houding is onder Trump scherper zichtbaar geworden. Trump presenteert zich graag als de man die deals sluit, oorlogen beëindigt en bondgenoten aan de lijn houdt. Alleen botst dat in het Midden-Oosten op een bondgenoot die allang geleerd heeft dat Amerikaanse woede zelden hetzelfde is als Amerikaanse consequenties. Netanyahu kan Trump irriteren, frustreren en publiekelijk vernederen, zonder werkelijk te hoeven vrezen dat de Amerikaanse veiligheidsparaplu wordt dichtgeklapt.

Dat is de kern van Israëls weerbarstige houding richting de VS. Washington kan aandringen op terughoudendheid, onderhandelingen, humanitaire toegang of een staakt-het-vuren. Israël kan vervolgens knikken, traineren, herformuleren of doorgaan. En ergens in Jeruzalem weet men waarschijnlijk precies waarom dat kan: uiteindelijk laten de Verenigde Staten Israël toch niet vallen.

Wie zo’n vangnet heeft, leert iets over zwaartekracht. Namelijk dat die vooral voor anderen geldt. Neem de recente spanning rond Amerikaanse pogingen om verdere escalatie in de regio te voorkomen (hoewel het daar zelf ook niet consequent in is). Trump zou volgens recente berichtgeving woedend zijn geweest op Netanyahu omdat Israëlische aanvallen op Beiroet een naderend akkoord met Iran zouden hebben vertraagd. Trump verweet Netanyahu een gebrek aan beoordelingsvermogen (lol), terwijl hij tegelijk volhield dat een deal met Iran nog steeds mogelijk was.

Foto: Michal Soukup on Unsplash

Luisteren naar de buurt, buigen voor intolerantie

De gemeente Lansingerland had voor een nieuwbouwwijk in Bleiswijk zes Arabische straatnamen bedacht. Wadi Musa, Wadi Rum, Wadi Shab, dat werk. En logisch, want in de wijk komen ook wadi’s: groene greppels waarin regenwater wordt opgevangen. Het woord wadi is Arabisch. Niet zoveel aan de hand, zou je denken.

Of nou ja, het is Nederland in 2026. Dus omwonenden maakten bezwaar. De namen pasten niet bij het gebied, vonden ze. Ze misten de relatie met Bleiswijk. Dus krijgen de straten nu namen als Kolenschuitpad, Westlanderstraat en Tuindersvlet. Alsof de Nederlandse identiteit alleen nog veilig is wanneer je bij het bezorgen van een pakketje het gevoel krijgt dat je door het Openluchtmuseum loopt.

Dit is geen groot geweld. Er staan geen fakkels voor een gemeentehuis. Er wordt geen zwaar vuurwerk gegooid bij een informatieavond over een AZC. Er worden geen raadsleden bedreigd omdat ergens mensen moeten worden opgevangen die hun land zijn ontvlucht. Dat is de harde variant: intolerantie als intimidatie, als straatterreur, als politiek drukmiddel. Daar zien we in Nederland inmiddels óók genoeg voorbeelden van.

Bleiswijk is kleiner. Nette intolerantie. Procedurele intolerantie. Het bezwaarformulier als hooivork. Geen Arabische woorden in de straat, want dat voelt niet eigen. Niet omdat iemand er écht last van heeft. Niet omdat een straatnaam schade veroorzaakt. Alleen omdat een stukje taal uit een ander deel van de wereld kennelijk al genoeg is om de plaatselijke cultuurpaniek aan te zetten.

Vorige Volgende