Israël enterde opnieuw schepen in internationale wateren. Ditmaal ging het om de Global Sumud Flotilla, een vloot met activisten en hulpgoederen op weg naar Gaza, waaronder ook Nederlandse opvarenden. De onderschepping gebeurde honderden kilometers van Gaza vandaan, nabij Cyprus en Kreta.
Dat laatste is juridisch relevant. Een staat mag namelijk niet willekeurig schepen op volle zee enteren. Israël beroept zich al jaren op de blokkade van Gaza. In het internationaal oorlogsrecht bestaat inderdaad een beperkte mogelijkheid om een maritieme blokkade af te dwingen buiten territoriale wateren. Alleen zit daar een cruciale voorwaarde aan: die blokkade moet zelf rechtmatig zijn.
Tot een paar jaar geleden hield dat juridische en diplomatieke verhaal ook nog soort van stand. Alleen vooral omdat Israël voor het Westen nu eenmaal een bondgenoot is. Bondgenoten krijgen traditioneel meer ruimte binnen het internationale recht, zeker wanneer hun tegenstanders gemakkelijk als terroristen of schurkenstaten kunnen worden weggezet. Zolang de humanitaire gevolgen nog enigszins abstract bleven en westerse regeringen bereid waren weg te kijken, konden veel van Israëls acties nog worden verpakt als harde maar legitieme veiligheidspolitiek.
Die rek is er inmiddels al lang uit. Een blokkade die collectieve bestraffing veroorzaakt, hongersnood faciliteert en humanitaire hulp structureel belemmert, verliest haar legitimiteit. Het Internationaal Gerechtshof, VN-organisaties, mensenrechtenorganisaties en inmiddels ook een groeiend aantal westerse regeringen spreken inmiddels openlijk over ernstige schendingen van het humanitair recht door Israël.
En als de blokkade zelf illegaal is, verdwijnt ook de grondslag om schepen in internationale wateren te onderscheppen. Dan resteert een staat die ver buiten de eigen territoriale wateren gewapenderhand burgerboten aanvalt, communicatie uitschakelt, opvarenden gevangenneemt en hen afvoert naar een Israëlische haven.
Dat valt juridisch nog net geen honderd procent onder de klassieke definitie van piraterij, omdat internationaal recht piraterij meestal definieert als geweld op zee door private actoren en voor private doeleinden. Staten vallen daar dus technisch vaak buiten. Alleen wordt dat onderscheid op een gegeven moment vooral semantisch. Want voor de bemanning van een burgerboot maakt het weinig verschil of ze op volle zee worden geënterd door ‘echte’ piraten of door militairen met een staatsvlag. Het resultaat blijft hetzelfde: gewapende mannen nemen een schip over in internationale wateren, voeren mensen af en verhinderen vrije doorgang op zee.
En ook nu zijn dus ook Nederlanders door een vreemde mogendheid van een schip gehaald en afgevoerd, terwijl de Nederlandse overheid oorverdovend stil is. Het blijft vooral ongemakkelijk geschuifel: “de situatie is nog in ontwikkeling en niet alle feiten zijn bekend”, aldus minister van Buitenlandse zaken Berendsen. Ammehoela. Dit is niet de eerste keer en zal ook niet de laatste keer zijn. Alsof het hier gaat om een vergeten vervoersbewijs in de trein. Stel je voor dat Rusland, Iran of Venezuela Nederlandse burgers in internationale wateren van een schip had gehaald en naar een buitenlandse haven had afgevoerd. Den Haag zou bol staan van spoeddebatten, ferme verklaringen en grote woorden over de internationale rechtsorde.
Ondertussen vaart een genocide plegende kernmacht de Middellandse Zee op om hulpboten te enteren die voedsel en medicijnen richting een uitgehongerde bevolking brengen. Op een gegeven moment houdt juridische acrobatiek op. Dan blijft alleen de daad zelf over. En die daad begint steeds meer op georganiseerde staats-piraterij te lijken.