Duopolie | Grootte van de financiële sector

COLUMN - Is de financiële sector uit zijn voegen gegroeid? De financiële sector groeit sneller dan de rest van de economie en neemt daardoor een steeds groter deel van het bbp in. De vraag is of een grote financiële sector betekent dat de financiële sector veel waarde toevoegt, of zich alleen maar veel waarde toe-eigent, als een soort parasiet op de reële economie.

In principe maakt de financiële sector niets, maar faciliteert slechts de rest van de economie. Banken trekken korte termijn spaargeld aan en herinvesteren dit in langere termijn projecten waar ze toezicht op houden. Hierdoor maken banken investeringsprojecten mogelijk die er anders niet geweest zouden zijn. In zekere zin geeft het aandeel van de financiële sector in het bbp de kosten van de financiële sector weer, terwijl de opbrengsten blijken uit de groei van andere sectoren.

En een goed ontwikkelde financiële sector lijkt ook echt voor economische groei te zorgen. In veelgeciteerd onderzoek laten Rajan en Zingales zien dat sectoren die van externe financiering afhankelijk zijn, sterker groeien in landen met een grotere financiële sector. Een grotere financiële sector kan dus goed zijn voor de reële economie, zolang de reële economie meegroeit wanneer de financiële sector groeit.

Dit betekent niet dat er geen reden is om je zorgen te maken over de grootte van de financiële sector. Arcand, Berkes en Panizza laten zien dat er ook een omslagpunt is: boven een bepaald percentage van het bbp is er een negatief verband tussen de grootte van de financiële sector en economische groei. Een grotere financiële sector brengt risico’s met zich mee die een economie niet altijd goed kan dragen, denk bijvoorbeeld aan de recente incidenten in Ierland en IJsland. En een grote financiële sector kan samengaan met hoge beloningen en daarmee talent aantrekken dat misschien ergens anders productiever was geweest

Ook kan een grote financiële sector een indicatie zijn van een verhoogd risico doordat de meetmethode van bancaire productie niet corrigeert voor risico. Bankproductie wordt ruwweg gemeten door de gemiddelde rente van een bank te vergelijken met een referentierente en dit verschil te vermenigvuldigen met de uitstaande leningen. Idee hierbij is dat een bank die meer kwaliteit levert, een hogere rente op zijn leningen kan vragen. Maar een hogere rente kan ook het gevolg zijn van een hoger risico. Doordat de methode niet corrigeert voor risico, zorgt een hoger gemiddeld risico automatisch voor een hogere gemeten productie.

Op zich zegt de absolute grootte van de financiële sector dus nog niets over de waarde die de sector toevoegt aan de reële economie. Belangrijker dan de absolute grootte van de financiële sector is de manier waarop deze is ingericht. Zo geven Boot, Beck en Degryse aan dat de financiële sector vanuit regulering moet worden benaderd als ondersteunende sector en niet gestimuleerd moet worden als zelfstandige bedrijfstak. Bij regelgeving die groei van de financiële sector stimuleert moet dus steeds gevraagd worden of de groei ook een doel dient buiten groei van de financiële sector alleen. Daarnaast is het belangrijk om excessieve risico’s te voorkomen die voortkomen uit impliciete overheidssubsidies. Beleidsopties hiervoor lopen uiteen en bestaan onder meer uit kapitaaleisen, converteerbare obligaties, narrow banking, en banken opsplitsen, waarbij de voorkeur van Duopolie uitgaat naar kapitaaleisen. Als de financiële sector de reële economie ondersteunt zonder excessieve risico’s te nemen, is de absolute grootte van de sector irrelevant.

  1. 2

    Er zal een bepaald optimum zijn in grootte ten opzichte van de reële economie. Te groot en het is -in macro opzicht- een verspilling van resources, net zo als het een verspilling zou zijn als we op ieder kruispunt vijf verkeersregelaars zouden hebben staan in plaats van één. Talentvolle wiskundigen die we nodig hebben voor het oplossen van echte problemen in de wereld worden nu de financiële sector binnen gehaald om daar onzinproducten te verzinnen. Door de unieke machtspositie van de sector is het parasitaire effect extra groot.

    Wat nog ontbreekt in het artikel is het onderscheid tussen krediet voor de reële economie (echte investeringen) en krediet voor de financiele sector (investeringen in bestaande bezittingen). Dirk Bezemer legt het hier heel goed uit:
    http://ineteconomics.org/conference/berlin/dirk-bezemer-creating-socially-useful-financial-system-35
    Het creëren van krediet voor een ‘echte’ investering, zeg om een nieuwe fabriek of weg te bouwen of een bedrijfje op te starten, is (meestal) economisch/maatschappelijk nuttig. Enkele faillissementen daargelaten verhoogt dit onze welvaart.
    Het creëren van krediet voor de ‘financiele sector’ echter is grotendeels nutteloos. Er worden dan alleen maar prijzen van bestaande producten opgestuwd of gemanipuleerd. Aandelen of prijzen van bijv vastgoed gaan op en neer, wat een kleine groep mensen in staat stelt hier financieel beter van te worden ten koste van een andere grotere groep. Ondertussen is er niets aan echte welvaart geproduceerd.

  2. 3

    Het zal al helpen als de overheid niet meteen te hulp schiet met belastinggeld als er marktcorrecties optreden.

    Al die beleidsopties en dat maakbaarheidsdenken zorgt juist voor de wurggreep tussen publiek en privaat.. Maar dat past wel bij de uva hoewel márk dijkstra een positieve uitzondering lijkt,