In het verlengde van de ongemakkelijke conclusie rond Israël en het World Happiness Report, dringt zich een tweede vraag op. Minder comfortabel, omdat die dichter bij huis komt. Het blijft ook voor ons namelijk verleidelijk om naar internationale ranglijsten te kijken en onszelf een schouderklopje te geven: Nederland hoog in het World Happiness Report, opnieuw.
Alleen komt dat comfort nergens uit het niets.
Welvaart heeft een geschiedenis, en die geschiedenis is zelden neutraal. De Nederlandse positie in de wereld is mede gevormd door eeuwen van handel die zelden gelijkwaardig was, door koloniale extractie waarbij grondstoffen en arbeid elders werden onttrokken en hier werden verzilverd. Dat verleden is geen afgesloten hoofdstuk, maar werkt door in hedendaagse verhoudingen.
Ook in het heden is geluk geen gesloten systeem. De mondiale economie waar Nederland in opereert, is gebaseerd op ketens waarin kosten structureel worden verschoven. Productie vindt plaats waar arbeid goedkoper is, waar milieuregels minder streng zijn, waar de prijs van grondstoffen lager kan worden gehouden. Het resultaat is een vorm van welvaart die lokaal zichtbaar is, en elders wordt gedragen.
Dat maakt de vraag naar geluk minder onschuldig dan ze lijkt. Want als geluk wordt gemeten binnen nationale grenzen, verdwijnen de externe effecten uit beeld. De uitstoot, de uitputting, de arbeidsomstandigheden elders die onze welvaart en daarmee geluk dragen: ze tellen niet mee in de tevredenheidsscore van de consument die profiteert.