Voordat Zomergasten met Peter Buwalda begon, dacht ik eigenlijk niet genoeg van hem te hebben gelezen om te zeggen of ik het een goed schrijver vind. Bonita Avenue staat ongelezen (althans, door mij) in mijn kast. En ik heb hooguit twee van zijn Volkskrant-columns tot mij genomen. Meer heb ik niet van ‘m gelezen.
Tenminste, dat dacht ik. Maar toen kwam het eerste fragment, waarin Elvis met zijn allereerste tv-optreden twee generaties uit elkaar rukt en zo het begin van de populaire cultuur inluidt. En ineens herinner ik mij weer dat ik in 2006 in de allereerste editie van muziektijdschrift WAHWAH een verhaal las over een jongen die voor het eerst bij de ouders van zijn vriendinnetje op bezoek is en, tot groot ongenoegen van zijn schoonvader, per se een fragment wil zien waarin Sonny Boy Williamson met zijn mondharmonica een Vlaamse presentator van zijn sokken blaast. Het was een van de meeste hilarische verhalen die ik ooit had gelezen. In een latere editie van WAHWAH stal Buwalda mijn hart door op zeer overtuigende wijze uit te leggen waarom Paul McCartney beter is dan John Lennon. Die jongen moet ik in de gaten houden, dacht ik toen. Maar toen Bonita Avenue uitkwam, heb ik dat verzuimd.