COLUMN - Gisteren had ik een tartette framboise meegenomen van de bakker om te vieren dat we in vrijheid leefden. Leek me een mooie manier om mijn zoon te laten weten dat dit niet zomaar een dag was. Maar om aan een vierjarige uit te leggen wat Bevrijdingsdag is, is nog niet zo gemakkelijk. Want leg eerst maar eens uit wat vrijheid precies betekent aan iemand die niet weet wat oorlog is. En leg maar eens uit wat oorlog precies is aan iemand die nog maar amper kan bevatten wat dood zijn betekent.
Toen ik ‘m uitlegde dat in een oorlog landen tegen elkaar vochten, zei hij dat landen niet kunnen vechten. Waarop ik ‘m vertelde dat de bazen van de landen hun mensen tegen elkaar laten vechten. Dat leek hij te begrijpen. Maar later die dag zei hij dat de ouders van een klasgenootje hadden verteld dat landen geen baas kunnen hebben. Dan zijn het waarschijnlijk anarchisten, zei ik. Toen wij tijdens Bevrijdingspop een ander klasgenootje van ‘m tegenkwamen, fluisterde mijn zoon tegen mij dat ik aan dat jongetje moest vragen of hij wist dat de oorlog voorbij was.
Het enige wat hij heeft om te begrijpen wat oorlog is en vrijheid is, zijn mijn woorden en zijn eigen verbeeldingskracht. En mijn woorden zijn beperkt. Want ik heb geen zin om ‘m van alles op de hoogte te brengen. Nu ik een zoon van vier heb, begrijp ik dan ook beter wat Roberto Benigni voor ogen had toen hij La Vita è Bella maakte. Destijds vond ik het een volkomen belachelijke film die een lachertje maakte van de gruwelijkheden van de Holocaust. Eigenlijk vind ik dat nog steeds. Want je kunt de Holocaust onmogelijk verbergen en iedere poging dat te doen, voelt bijna als een ontkenning, maar als vader van een zoon van vier, begrijp ik de wens om dat wel te doen.