serie

Volentekriebels

Johnny Volente over het leven, en alle shit daaromheen.


Volentekriebels | Fan van Carlo Strijk

COLUMN - Een online zoektocht naar een vergeten jeugdheld.

Wie meent dat er tegenwoordig enkel rotzooi op televisie is en vroeger niet, zou eens naar dit filmpje moeten kijken. Het is een compilatie van tv-optredens van Carlo Strijk, door hemzelf achter elkaar gezet en geüpload op zijn eigen YouTube-kanaal.

Het filmpje begint met Strijks tv-debuut bij Showmasters. Dat was een soort Idols voor tv-presentatoren, waar iedereen gezellig en enthousiast deed, hoewel het niveau van de kandidaten daar geen enkele aanleiding toe gaf.

Na het jurycommentaar van Jan Rietman (‘Je ziet er een beetje uit als Carl Lewis, dus het zou me niet verbazen als je nog vreselijk hard kan lopen ook, gheghe’) zien we Carlo Strijk struikelend langs een meer rennen in AVRO Sterrenslag. Zowel hijzelf als de voice-over laten er geen twijfel over bestaan: hij is gekomen om te winnen. Verder zien we de 5 Uur Show, Call TV en Karaoke op 4 met Gerard Joling, toen die er de kracht nog voor had.

Dat ik op dit filmpje stuitte was geen toeval. Ik voelde namelijk plots een alles overheersende drang om te weten waar Carlo Strijk was gebleven. Dat gebeurt wel vaker, dat er iemand uit het verleden, zonder duidelijke aanleiding, ineens door je hoofd schiet. Het mooie van internet is dat je bijna iedereen kan vinden.

Volentekriebels | Terug naar de Bijlmer #2

COLUMN - Na vorige week in gedachten terug te zijn gekeerd naar de Bijlmer, ging ik nu in het echt.

De foto op mijn rijbewijs is gemaakt in 2006. Het is als een beslagen zwart-witspiegel. Er zat iets meer krul in mijn haar en het lijkt alsof ik geen wallen onder mijn ogen heb, maar dat komt door de afdrukkwaliteit. Opvallend hoe weinig een mens kan veranderen in zeven jaar. Alleen de details verschillen. De grote lijnen zijn hetzelfde.

Zo zou het in de Bijlmer waarschijnlijk ook zijn. Misschien is het fietspad naar mijn flat eindelijk gereed gekomen. Of hebben ze die picknicktafel weggehaald, waar toch nooit iemand zat omdat hij in een tochtgat stond zodat je zelfs bij windkracht 2 weggeblazen werd.

Maar ik lette er niet op, want ik werd gegrepen door de totale leegte van het uitzicht. Het winkelcentrum was veranderd in een grote berg puin. Ik dacht aan al die rare winkeltjes waar nooit klanten kwamen, maar die altijd bleven bestaan. Aan de niet eens zo slechte Chinees, waarvoor je om moest lopen en dan door een donker trappenhuis kwam waar in films altijd lijken van bijrolspelers worden gevonden. Aan de rommelige Albert Heijn, waar ik met mijn krop ijsbergsla tussen de lijvige schooljongetjes stond die energydrink en chips kochten. Het rook er altijd naar gas, maar iedereen negeerde het, dus dat deed ik ook maar, zoals ik buitensporige turbulentie negeer als iedereen rustig verder bladert in zijn in-flight magazine. Geestelijk gerustgesteld door de kudde, maar diep van binnen doodsbenauwd.

Volentekriebels | Terug naar de Bijlmer

COLUMN - In navolging van Jan Wolkers (ik lees momenteel Terug naar Oegstgeest) keerde ik in gedachten terug naar het stadsdeel waar ik, gedwongen door omstandigheden, ruim een jaar gewoond heb.

Tegenwind. Altijd was er die verdomde tegenwind, zowel op de heen- als op de terugweg. Ik dacht lange tijd dat ik het me verbeeldde, dat zoiets niet bestond, maar Wikipedia gaf me gelijk en dus is het waar. In de ochtend staat de wind vaak noordwest, in de middag zuidwest. En omdat ik ’s ochtends naar Amsterdam fietste en ’s middags weer terug naar de Bijlmer, had ik twee keer pech.

Verder herinner ik me van die dertien maanden Zuidoost vooral de stilte. Als de zon onderging en de straatverlichting ontstoken werd, vluchtte iedereen zijn huis in. Ik had gehoopt op Caribische en Afrikaanse vrolijkheid. Uitgebreide barbecues, waarbij de kippen op straat geslacht werden. Dansende vrouwen in kleurrijke klederdracht. Rappende hangjongeren toch op zijn minst. Maar ik hoorde alleen de wegschietende konijntjes in het hoge gras, doodsbang voor het geruis van mijn wielen over het rode asfalt dat daar speciaal voor mij leek te zijn neergelegd.

Het was 2010 en de media hadden een dingetje gemaakt van de 22 schietpartijen die er het jaar ervoor plaats hadden gevonden. Dat moet je niet bagatelliseren, maar in andere jaren waren het er ongeveer net zoveel en toen hoorde je er niemand over. Nu was er een vergrootglas en daaronder werd elke kogel een enorme granaat en dus landelijk nieuws.

Het echte verhaal van de wolf uit Luttelgeest

COLUMN - Er was eens, heel lang geleden, een wolf. Nou ja, heel lang… een paar weken slechts, maar in wolvenjaren is dat een eeuwigheid. Het was in Duitsland en de wolf, John geheten, wilde graag beroemd worden. Omdat hij een aardig balletje kon trappen, maar duidelijk tekort kwam voor de plaatselijke Vfl, besloot hij zijn geluk te beproeven in Nederland.

Hij had opgevangen dat daar een havenstad lag waar ze 165 miljoen euro wilden uittrekken voor een nieuw stadion. Er zou, zo redeneerde de wolf, weinig geld overblijven voor goede spelers, en dus maakte hij vast wel een kans.

Via Google Images vond de wolf een plaatje van de hoofdtrainer. ‘Da’s ook sterk,’ mompelde hij in het Duits. ‘Mijn overgrootvader heeft zijn zusje nog gekend. Die was ook rood van boven en ze had precies zulke gezellige appelwangetjes.’ Verheugd belde de wolf de trainer en zowaar, hij mocht een keertje mee komen trainen. Zijn vader Biermann begon uit protest te zingen, waarop moeder Betje haar ongenoegen bespiegelde. Biermann drukte zijn snor en John ging op weg.

Zijn eerste stop was Braunschweig. In de Lonely Planet had hij gelezen dat dit stadje ‘a slightly meandering but pleasant historic old town with a lot of juicy rabbits’ had. Daar was geen woord van gelogen. Hij ving er twee en at ze met smaak en een beetje peterselie.

Volentekriebels | Het geluk van John Leddy

COLUMN - Een tijdje geleden zag ik John Leddy op televisie bij Omroep Max. Hij leek zowaar gelukkig, maar dat is hij natuurlijk niet. Goed, hij is inmiddels 82 en bleef tot nu toe gevrijwaard van suiker en ka en bovendien kwijlt hij niet als hij zevert, maar hij is nou ook weer niet bepaald die jongen die tijdens Yahtzee altijd alleen maar zessen gooit.

Zijn leven lang stond John in de schaduw van zijn tv-personage Koos Dobbelsteen, die op zijn beurt weer in de schaduw stond van zijn vrouw Mien. Met zoveel schaduw kom je nooit volledig tot bloei. Anderzijds, als je altijd in de schaduw staat word je ontzettend cool. En dat was John. Zonder overdrijven kan je hem de Bartho Braat van de jaren tachtig noemen.

In de jaren negentig zond de VPRO kortstondig de jeugdserie Het Spijkertje Van De Mona Lisa uit. De geniale titel zegt genoeg. Als niemand dat spijkertje in de muur had geslagen, dan was dat schilderij genadeloos op de plavuizen van het Louvre kapot gekletterd. In dit geval zou dat mij vrij weinig kunnen schelen. Ik zie in die chick altijd de latere Jerney Kaagman en neem het Da Vinci zeer kwalijk dat hij het portret niet twintig jaar eerder heeft geschilderd.

Volentekriebels | Een dag in de natuur

COLUMN - Een dagje terug naar het dorp waar ik opgroeide.

Ik ben opgegroeid in Drenthe in een gezellig brinkdorp met een besmeurde naam. Dat kwam door de oorlog. Er was nooit veel te doen, dus hingen we rond. Dan zaten we bij de bushalte en dronken we yogidrink en aten we chips. Soms stapten er toeristen uit de bus die vroegen waar het kamp was. We zeiden: elf kilometer verderop. Dan baalden ze, maar ze vloekten nooit. In het dorp met deze naam is elke tegenslag relatief.

Soms ging ik met mijn ouders naar het bos of naar de hei. Dat herinner ik me nauwelijks. Ik had weinig oog voor de natuur. Een goudvink zou ik niet herkennen.

Samen met mijn moeder haal ik de achterstand af en toe een beetje in. Dit keer gingen we adders zoeken. Ik vond het best eng, maar dat hoefde niet. Adders zijn luie dieren. Ze liggen en wachten en pas als een prooi heel dichtbij komt, slaan ze toe. Dat doen ze zeven keer per jaar. Mensen bijten ze niet, tenzij je op ze gaat staan. Meestal ga je dan niet dood.

Het was bewolkt en niet zo warm en daarom waren de adders er niet. Wel zagen we Schotse hooglanders en twee reeën en heel veel vogels waarvan ik de namen niet meer weet. Die krijsten heel hard om hun nesten te beschermen. Die nesten waren niet op de plek waarboven ze vlogen. Dat was om ons te misleiden, maar dan kenden ze mijn moeder niet. Gelukkig hadden we geen kwaad in de zin.

Volentekriebels | Een euro of niet?

COLUMN - Wat te doen met een zwerver die om een eurootje vraagt?

Toen ik studeerde waren er dagen dat ik meerdere keren al mijn broekzakken navoelde, op zoek naar een euro voor een half brood of een litertje melk. Uiteindelijk at ik dan meestal bij vrienden die hun uitgaven iets beter over de maand gesmeerd hadden. Dat was nooit een probleem. Ze wisten dat het een maand later precies andersom kon zijn.

Ik heb in die tijd veel mensen teleurgesteld. Daklozen met name. Als ze me vroegen om een bijdrage voor het slaaphuis of uit schaamte een of andere rotsmoes verzonnen, dan kon ik ze in alle eerlijkheid mededelen dat ik ze graag zou helpen, maar dat het er helaas niet inzat.

Tegenwoordig is dat anders. Niet dat ik bulk van het geld, maar een eurootje kan er meestal wel vanaf. Bovendien, zo’n zwerver heeft er, mag ik hopen, niet zelf voor gekozen. Iedere dakloze heeft zijn geschiedenis en die zal er zelden uit bestaan dat ze op een goede dag besloten hun werk op te zeggen om eens fijn te gaan zwerven.

En dus geef ik ze af en toe wat geld. Stiekem hoop ik dat ze daarmee inderdaad naar het slaaphuis gaan. Dat ze op die manier onder de mensen komen. Dat ze hulpverleners spreken. Langzaam maar zeker in gaan zien dat de situatie niet hopeloos verloren is. Dat het leven meer te bieden heeft dan harde bankjes en opgeraapte sigarettenpeuken. Dat ze afkicken van drank en drugs, een eerste baantje vinden, een dak boven het hoofd, collega’s, vrienden, een relatie, kinderen misschien. Geluk. En dat allemaal dankzij mijn euro.

Volentekriebels | Het hypothetische einde van de wereld

COLUMN - Wat zou je doen als je hoorde dat de wereld over een uur zou vergaan?

Een poosje geleden zat ik na een avond stappen met een samengeraapt groepje goede en vage bekenden bij iemand thuis. Er waren mannetjes en vrouwtjes in een perfecte fifty-fifty-verhouding. We zaten onschuldig te keuvelen. Biertje erbij, een beetje chips, niets aan de hand.

Plotseling leek het alsof ik in de openingsscène van een Amerikaanse tienerpornofilm terecht was gekomen. Hoe we er precies op kwamen weet ik niet meer, maar er was ineens een centrale vraagstelling. Die luidde: wat zou je doen als je nu hoorde dat de wereld over een uur zou vergaan? Het antwoord was unaniem: neuken. En omdat er geen tijd te verliezen was, zouden we dat met elkaar doen.

Een erg originele gedachte is dat niet. Ik las ooit ergens dat toen de Serven optrokken naar Bosnisch gebied, de Bosniërs zich in een bos verschuilden verscholen en daar enorme orgies hielden. Of misschien waren het Kroaten. Voor het verhaal maakt dat niet uit, al vond ik de link bos-Bosniër ergens wel geestig.

Nog één keer paren, vlak voordat je gaat. Het is een oerdrift, een ingebouwd mechanisme om op de valreep je genen voort te zetten op aarde, zelfs al weet je dat het kind er nooit gaat komen omdat de moeder er ook aan gaat.

Volentekriebels | Een etmaal miljonair

COLUMN - De Staatsloterij winnen kan nooit kwaad, maar voor de troostprijzen hoef je het niet te doen.

Om een brief aan te laten tekenen ging ik naar het postkantoor, dat wil zeggen een tijdschriftenwinkel waar vooral krasloten en sigaretten verkocht worden. De vorige keer was het best druk en draaiden ze De waarheid van Marco Borsato, wat de wachttijd gevoelsmatig niet verkortte. Dit keer had ik meer geluk. Er was muziek noch rij. Terwijl het appetijtelijke meisje de bestelling klaarmaakte, pakte ik een flyer van de toonbank, want die dingen liggen er niet voor niets. Hij was van de Staatsloterij. Er stond: ‘Beleef jij 24 uur als miljonair? Koop nu een lot en maak kans’.

Een etmaal miljonair? Krijg je dan een miljoen op je bankrekening gestort dat je een dag later weer terug moet geven?

Nadere bestudering leert dat het gaat om het woordje ‘beleef’. Als je wint, mag je 24 uur lang meemaken hoe het is om miljonair te zijn. Met een modern woord heet dat experience.

Nou ken ik toevallig een paar miljonairs. Vergeleken met mijn modale kennissen zijn hun huizen iets groter, hun auto’s iets duurder, hun vakanties iets verder en hun banen veel stressvoller. Een dag uit hun leven bestaat voornamelijk uit werken, poepen, eten en slapen. Een experience van lik-me-vestje.

Volentekriebels | De meest nutteloze verjaardagscadeaus

COLUMN - Sommige mensen hebben nooit genoeg, maar wat geef je een jarige die niets meer verlangt?

Een maand geleden kocht ik bij de Action een koffiezetapparaat dat ontworpen was door Jan des Bouvrie. Het kostte € 19,95. Tot nu toe is het mijn duurste aankoop van dit kalenderjaar.

Dat heeft niet zozeer met mijn financiële situatie te maken, als wel met mijn liefde voor spullen. Die is vrijwel onbestaand. Als je op een zaterdagmiddag door een willekeurig winkelcentrum loopt (wat ik je overigens afraad), dan zal je zien dat veel andere mensen wel van spullen houden. Ze kopen plasmastelevisies, handtasjes, zonnebrillen en parfums alsof het eerste levensbehoeften zijn. Daar worden ze al dan niet kortstondig gelukkig van.

Ik ken dat gevoel uit mijn kinderjaren. Vanwege het speelgoed dat ik kreeg, was mijn verjaardag het hoogtepunt van het jaar. Mijn tanende liefde voor spullen viel samen met de periode dat ik mijn eigen geld ging verdienen. Als ik toch iets wilde hebben, dan kocht ik het zelf. Verjaardagen zijn sindsdien volstrekt nutteloos.

Voor de verjaardagsvisite is dat lastig. Een fles wijn of een boekenbon is hun eer te na, maar omdat ze niets beters weten, krijg ik regelmatig onzinnige cadeaus.

Volentekriebels | Mijn vriendschap met Ronald Giphart

COLUMN - Hoe een verhaal dat ooit verlangens opriep, een half leven later troost biedt.

In de schoolbus zeiden jongens uit kleine Drentse dorpjes altijd ‘kameraad’ als ze ‘vriend’ bedoelden. ‘Vriend’ klonk te intiem, op het homofiele af. Misschien is de waarheid onschuldiger, had het enkel met hun dialect te maken, maar ik vond het altijd achterlijk klinken.

Tijdens mijn studie in Groningen noemden bekenden met wie ik wel eens een biertje dronk mij ‘vriend’. Dat leek me het andere uiterste. Het bleek slechts een tussenvorm. Mensen van andere continenten zeggen al friend of amigo als je twee minuten met ze staat te praten. Op Facebook heb ik zelfs ‘vrienden’ waarvan ik geen idee heb wie ze zijn.

Een van hen postte een filmpje waarin mensen van nul tot honderd jaar achter elkaar hun leeftijd zeggen. Hij noemde het prachtig. Ik vond het confronterend. In plaats van de vorderingen in het leven zag ik vooral de nadering van de dood.

Het voelt soms alsof mijn werkelijke leeftijd steeds verder afstand neemt van wat het gevoelsmatig zou moeten zijn. Vrienden (kameraden, bekenden, amigos) gaan voor huisje-boompje-beestje, terwijl ik me acht jaar na mijn afstuderen angstvallig blijf vastklampen aan mijn studentikoze leventje. Ik vrees soms dat ik me op mijn zestigste nog steeds gedraag alsof ik achttien ben. Toen ik daar zaterdagavond, nota bene op weg naar de kroeg, aan dacht, had ik weinig ontzag voor mijn toekomstige ik. Dat de regen met bakken uit de hemel viel, maakte het er niet veel beter op.

Volentekriebels | Gekken in het pretpark

COLUMN - Gehandicapten in een pretpark zijn niet voor iedereen een pretje.

Ik had ooit een collega die gek was op achtbanen. Zelf noemde ze het ‘een verslaving’, maar dat was onkunde. Een verslaving, dat is onrustig met je benen wiebelen als je niet op tijd je dosis krijgt. Trillende handen. Zweetaanvallen. Hartkloppingen. Midden in de nacht inbreken bij een oud vrouwtje, haar spaargeld onder haar matras vandaan plukken, indien ze wakker wordt zo hard mogelijk uithalen, missen, wankelen, onderuit gaan en in de houdgreep van een tachtigjarig besje wachten tot de politie komt.

Mijn collega was niet verslaafd, maar achtbanen gaven haar wel ‘een kick’. Dat komt door een fout van het menselijk lichaam. De kans dat de autorit naar De Efteling verkeerd afloopt is vele malen groter dan de kans dat de Python crasht, maar zo voelt het niet. Dat is maar goed ook, anders zou iedereen gillend en met zijn ogen dicht achter het stuur kruipen. Niemand zou De Efteling levend bereiken.

Toen ik als tienjarige in De Efteling was, had ik vooral oog voor de prullenbakken die ‘papier hier’ en ‘dank u wel’ zeiden als je er afval in gooide. Er waren meer kinderen die dat gaaf vonden. In de hele omtrek was geen zwerfvuil meer te bekennen. We plukten daarom alle struiken kaal, want met verse blaadjes werkte het ook.

Volgende