COLUMN - 35 gemeenten tekenden vorige week een manifest gericht aan minister Ivo Opstelten van Justitie, waarin ze pleiten voor de landelijke invoering van een gecertificeerde en gereguleerde wietteelt. Volgens de gemeenten leidt de illegale teelt tot veel overlast, zoals een groot aantal binnenhuisbranden, geweld rond illegale bevoorrading, een verstopping van het justitiesysteem en het grootschalige aftappen van elektriciteit. Bovendien is de kwaliteit van illegaal geteelde wiet niet te reguleren en kan de gezondheid van gebruikers leiden onder resten van bestrijdingsmiddelen en te hoge percentages THC.
Opstelten’s antwoord was een krachtig “nee”, waarvoor hij twee argumenten aandraagt. Het eerste is dat veel wietproductie bestemd is voor de export, en die productie dus niet verdwijnt met een binnenlandse regulering. De gemeenten wijzen erop dat de regering het percentage van de wietteelt dat is bestemd voor export sterk overschat. Bovendien is dit argument geen reden om tenminste de binnenlandse productie niet te reguleren om de problemen rondom illegale bevoorrading en volksgezondheid te verminderen.
Opstelten’s tweede argument is dat een regulering van de wietteelt internationale verdragen schendt. Dit argument is al sinds jaar en dag de belangrijkste reden voor het schizofrene Nederlands drugsbeleid waarin gebruik en verkoop zijn toegestaan, maar de productie is verboden. Het verdrag in kwestie is het Enkelvoudig Verdrag over Narcotische Middelen dat in 1961 werd aangenomen door de Verenigde Naties. Daarin is cannabis geplaatst in categorie IV, de strengste en meest beperkende categorie, bedoeld voor drugs die ‘bijzonder vatbaar zijn voor misbruik en negatieve effecten,’ waartegenover ‘geen substantiële therapeutische voordelen staan.’