Het onervaren Kamerlid, over de dalende zittingsduur van parlementsleden

De Tweede Kamer (Foto : Flickr/Jackie Kever)

Politici zijn eigenlijk maar amateurs. Er is geen opleiding tot Tweede Kamerlid of minister. Niemand heeft een diploma nodig om verkozen te worden: de kiezers beslissen uiteindelijk of ze iemand een geschikte vertegenwoordiger vinden. Natuurlijk, partijen kijken naar de kwaliteiten van hun kandidaat-politici. Maar actief zijn in het bedrijfsleven, maatschappelijke organisatie, als ambtenaar of zelfs als politicus op lokaal niveau is geen garantie dat je ook zult slagen als Tweede Kamerlid. Hoewel er veel wordt gesproken over de professionalisering van de politiek, zijn onze volksvertegenwoordiger meestal relatief onervaren.

Het Kamerlidmaatschap wordt steeds meer een carrièrestap in plaats van een roeping. Het is een opstapje naar een ministerschap, staatssecretariaat, lokaal bestuurder of een andere functie binnen of buiten de overheid. Nu is het niet zo slecht dat Tweede Kamerleden geen enorme plucheklevers zijn, maar enige balans tussen doorstroom en ervaring is wel belangrijk. De Kamer vormt immers de tegenmacht tegen regering en ambtenarij; om die controlerende taak uit de voeren is ervaring belangrijk.

In de huidige Tweede Kamer zitten 65 nieuw verkozen leden. Nog eens 47 personen zitten maximaal vier jaar in de Kamer (die zijn dus voor het eerst verkozen in of na 2006). Slechts 14 Kamerleden hebben meer dan tien jaar ervaring. Sharon Dijksma (PvdA) en André Rouvoet (ChristenUnie) zijn het meest ervaren: zij kwamen in 1994 voor het eerst in de Tweede Kamer. Tot de lichting uit 1998 behoorden onder andere GroenLinks-fractievoorzitter Femke Halsema en PVV-fractievoorzitter Geert Wilders. Gemiddeld genomen is de parlementaire ervaring nu iets minder dan 4 jaar. Voor de verkiezingen was dit nog zes jaar. Ter vergelijking: in Engeland was de gemiddelde zittingsduur kort voor de verkiezingen in mei bijna vijftien jaar. Ministers zijn daar ook parlementslid, wat de cijfers iets vertekent, maar zelfs dan: een groot verschil.

Zittingsduur Kamerleden Oktober 2010

Tussen de Tweede Kamerfracties zitten enkele opvallende verschillen. De christelijke partijen hebben gemiddeld genomen de meeste ervaring. In de ChristenUnie-fractie zitten zowel Rouvoet (lichting 1994) als Slob (lichting 2002) en de SGP heeft een ervaren fractievoorzitter in Kees van der Staaij (lichting 1998). Het CDA verloor sterk bij de verkiezingen, waardoor er maar één nieuw Kamerlid in de fractie kwam. Verkiezingswinnaars PVV, VVD, D66 en GroenLinks herbergen momenteel de minste parlementaire ervaring. Immers: veel nieuwe fractieleden betekent minder ervaring. Wat betreft GroenLinks is dat overigens opmerkelijk: voor de verkiezing had deze fractie op de SGP na nog de meeste parlementaire ervaring.

Zittingsduur Kamerleden per fractie

Sommige oud-politici klagen wel eens dat de parlementaire ervaring sterk is afgenomen. Er is inderdaad sprake van een afname van de gemiddelde zittingsduur. De grafiek hieronder laat de gemiddelde zittingsduur van Tweede Kamerleden in de periode van 1950 tot 2010 zien. Bij elke verkiezing komen er weer veel nieuwe Kamerleden zonder ervaring binnen; vandaar zien we sterke schommelingen door de tijd heen.

Zittingsduur Kamerleden 1950-2010

De ervaring van Kamerleden is door de tijd heen afgenomen. Kort voor de verkiezingen van 1956 was de gemiddelde ervaring bijna tien jaar, kort voor de verkiezingen van 2006 was die ervaring nog geen zes jaar. Opvallend is dat in de periode 1956-1980 al eerder sprake was van een afname van de gemiddelde ervaring (als je kijkt naar de ervaring net voor de verkiezingen, de pieken). In de jaren 1980 nam de gemiddelde ervaring juist weer toe: in die tijd bezetten de grote drie partijen nog het leeuwendeel van het aantal zetels en kiezersverschuivingen waren nog niet heel groot. De verkiezingen van 1994 vormden weer een breekpunt. Niet alleen verloren CDA en PvdA toen sterk en wonnen D66 en de VVD aanzienlijk, ook de verliezende partijen hadden veel nieuwe kandidaten op hun lijsten. Dit zorgde voor de grootste afname van parlementaire ervaring in de naoorlogse periode. Sindsdien is er elke parlementaire periode een afname: de pieken (net voor de verkiezingen) en dalen (net na de verkiezingen) zijn lager.

Het goede nieuws is dat de negatieve tendens zich lijkt te stabiliseren: net voor de verkiezingen in 2006 was de gemiddelde ervaring minder dan zes jaar, bij de laatste verkiezingen was deze net iets hoger (terwijl de zittingsperiode iets korter was). Ook het dal na de verkiezingen was een klein beetje hoger (ongeveer twee weken) dan in 2006. Daarnaast gingen er dit keer minder ervaren Kamerleden naar het kabinet – er zijn immers ook minder bewindslieden die bovendien voor een groot deel van buiten de Kamer komen – waardoor de ervaring in het parlement wat meer op peil blijft.

De instroom van nieuwe Kamerleden is met name de laatste twintig jaar sterk toegenomen. Kwamen er in het verkiezingsjaar 1989 nog slechts 32 nieuwe mensen in de Kamer, in 2002 werden 78 nieuwe leden begroet. De instroom is in de periode sinds 1994 steeds meer dan zestig (uitgezonderd 2003); vóór 1990 gebeurde dat maar één keer eerder. Hier is wel sprake van een stabilisering: het aantal nieuwe Kamerleden is dit jaar 65 en dat is al inclusief de doorstroom naar het kabinet (bij Balkenende-IV kwam die pas in het kalenderjaar 2007). In niet-verkiezingsjaren is het verloop overigens niet zo groot: er komen dan telkens minder dan tien nieuwe Kamerleden. Er wordt wel eens geklaagd dat politici hun periode niet afmaken: ze worden halverwege burgemeester of wethouder. Maar dat aantal is niet heel groot, en zeker niet groter dan voorheen.

Instroom nieuwe Kamerleden 1952-2010

De Tweede Kamer als geheel is dus minder ervaren dan twintig jaar geleden. De instroom van nieuwe leden is tijdens verkiezingen hoger dan voorheen. Dit beeld is sinds de verkiezingen van 1994 waar te nemen. Dit hangt niet alleen af van politici en partijen. Ook de grote kiezersverschuivingen zorgen er voor dat bij sommige partijen veel ervaring verloren gaat, terwijl bij andere partijen veel nieuwe Kamerleden moeten worden ingewerkt. Wie klaagt over de ervaring van parlementsleden kan daar dus zelf ook wat aan doen, bij de verkiezingen.

Dit artikel is een bijgewerkte versie van een eerdere analyse. Voor deze analyse is dankbaar gebruik gemaakt van het bibliografisch archief van het Parlementair Documentatie Centrum.

  1. 1

    Vinden de kiezers ervaring wel zo belangrijk? Dat vraag ik me soms wel af. Bij het samenstellen van kandidatenlijsten lijkt het steeds minder belangrijk te worden. Het lijkt mij een gevaarlijke ontwikkeling. Daarom is het goed deze cijfers op een rijtje te hebben. De controle-functie van het parlement zal minder goed uit de verf komen als er steeds meer nieuwelingen aantreden, goed gebekt misschien voor het media-optreden, maar geen partij voor het machtige ambtenarenapparaat. Twee andere conclusies nog. De reductie van het parlement tot 100 leden met gezien deze ontwikkeling met kracht bestreden worden. En de ambtelijke ondersteuning moet aanzienlijk uitgebreid en verbeterd worden, inclusief de nodige onderzoeksfaciliteiten.

  2. 2

    Ervaring moet er in de fractie in ieder geval voldoende zijn. Er is m.i. nu een gebrek aan collectief geheugen. Het heeft mij bijvoorbeeld verbaasd dat bij het debat over de regeringsverklaring niemand meer refereerde aan de (milde en genuanceerde) uitlatingen van Stef Blok als voorzitter van de enquetecommissie integratiebeleid. Dat kan een gevolg zijn geweest van het feit dat nog maar weinigen dat hebben meegemaakt.

  3. 4

    Jazeker, hulde!
    Nu gaat het, begrijp ik, om de parlementaire ervaring. Zeker belangrijk om de zeden en gewoonten van het Binnenhof op je duimpje te kennen. Vakkeniis en ervaring voor deonderwerpen die in de portefeuilles van de kamerleden zitten, lijkt me belangrijker. Of dat ook van duurzame aard moet zijn, is dan weer een andere kwestie.

    Het valt me op dat er ook aardig wat kamerleden en bewindslieden zijn, wiens ervaring met hun onderwerpen vooral opgebouwd is in hun studietijd en navolgende politiek carrière. Daarmee ontwikkelen ze vooral bestuurlijke ervaring en wat is een land regeren meer dan besturen? Dat vraag ik me af.

    Zo kan terecht de vraag gesteld worden of een politicus die als burgemeester moest opstappen, wel een goede minister is. De bestuurljke c.v. van die persoon vertoont toch een vlekje.
    Aan de andere kant: kan een politicus die vooral vakkennis en ervaring heeft wel goed besturen en controleren? Zowel heel praktische als louter bestuurlijke ervaring kan evengoed tot beperkende tunnelvisies leiden. Een duurzame verblijf in de politiek garandeert ook niet vanzelfsprekend goede reslutaten.

    Misschien moet er van politici zowel bestuurlijke als vakmatige ervaring worden gervaagd, gekoppeld aan regelmatig te volgen ‘maatschappelijke stages’?

  4. 5

    @4: Die maatschappelijke stages zijn voor kamerleden tijdens de recessen niet ongebruikelijk. Maar toelatingseisen stellen aan politici lijkt me niet bijzonder demokratisch.

  5. 6

    Er is ook een grote wisseling van de wacht geweest dit jaar. En de meest conservatieve partijen daarin de SGP en het CDA hebben of de leider verwisseld of zijn gehalveerd. Of dat goed is is een andere vraag. We leven in een tijd waarin veel zaken veranderen en niet meer met de oude aanpak kan.

  6. 7

    @1 Zeer mee eens, een teruggang naar 100 Kamerleden zou voor de democratische controle een slechte zaak zijn. (zie http://goo.gl/Zuv7)

    @4 Je overweging snap ik: Kamerleden moeten niet alleen politieke, maar ook maatschappelijke inhoudelijke ervaring hebben. Er moet dus een middenweg gevonden worden tussen carrièrepolitici en mensen die het vier jaar doen en daarna weer weg zijn. Velen zijn nu óf het een (bijv. Sharon Dijksma) of het ander (bijv. Paul Jungbluth).

  7. 8

    @5 Toelatingseisen stellen is ondemocratisch. Iedereen moet zich verkiesbaar kunnen stellen. De problemen die dit stelsel met zich meebrengen zijn bekend. Als ik heel ervaren ben in communicatie en marketing, maak ik een grotere kans gekozen te worden, dan iemand die puur op zijn vakmatige feitjes zit te hameren. Wie heb je liever in het parlement?
    In een andere discussie over ons stelsel heb ik voorgesteld een soort burgerplicht in het leven te roepen. Naast de gekozen politici, zitten een bepaald aantal burgers in de Kamer. Dat aantal moet een afspiegeling zijn van de bevolking.

    @7 Misschien de parlementaire periode langer maken? (bijvoorbeeld 7 jaar) Terzijde: ik moet er niet aan denken dat daarmee Rutte I zeven jaar zit.

  8. 10

    @8:”Wie heb je liever in het parlement?”
    Ik denk dat we die vraag hetzelfde beantwoorden. Het stelsel zoals het is maakt dat partijen de mensen op de lijsten zetten die er nu op staan. Als je dus geen toelatingseisen wilt, maar je wilt toch meer inhoud in de politici, dan zul je een stelselwijziging moeten verzinnen die dat voor elkaar krijgt.

    Dat hoeft niet heel wereldschokkend. We hebben nu al dat minderheidskabinet, je zou kunnen denken aan zakenkabinetten met vakministers die allemaal afzonderlijk door de Kamer worden benoemd. Dat zou partijen dwingen ook hun frakties inhoudelijk zwaarder te maken.
    Dan moet je natuurlijk nog wel een manier vinden om die zakenministers een samenhangende regering te laten vormen.

    On-topic: Ik denk dat ’t bij een grote fraktie maar voor enkele personen interessant kan zijn langer in de Kamer te zitten. Door fraktiediscipline is een backbencher in de praktijk toch een soort tweederangs-kamerlid geworden.