Goed volk | Legenden van het Alhambra (2)

LONGREAD - Het ‘Rode Paleis’ op een heuvelachtig plateau aan de zuidoostelijke grens van de stad Granada, in het Arabisch ‘qasr alhamra’ genoemd en algemeen bekend onder de naam ‘Alhambra’, is een van origine Moors fort c.q. paleis met de enorme oppervlakte van 140.000 vierkante meter. De Arabische naam zou in Latijnse letters eigenlijk als ‘al-Ḥamrāʼ moeten worden geschreven, maar inmiddels is de internationale spelling Alhambra gangbaar.

De laatste Moorse koning die hier resideerde was de in deel 1 besproken Mohammed XII Abu Abdallah, door de christenen genaamd ‘Boabdil’. De door Couperus beschreven scène, waarin Abu Abdallah op de plek die later bekend zou staan als ‘De laatste zucht van de Moor’, voor de laatste keer omkijkt naar het Alhambra en waarbij hij, tot ergernis van zijn moeder, in tranen uitbarst, komt ook in het boek van Washington Irving voor, maar over dit boek straks.

Het Alhambra is in feite een kleine stad die langzaam gegroeid is een waarvan het oudste gedeelte dateert uit 889 en is gebouwd op Romeinse fundamenten, de voorgangers op het Iberisch schiereiland van de Visigoten.

Volgens Irving stamden enkele torens van het complex nog geheel of gedeeltelijk uit de Romeinse tijd. Nadat het fort in de 13e eeuw ruïneus was geworden, werd het vervolgens gerestaureerd en uitgebreid. Het was uiteindelijk Yusuf I, Sultan van Granada, die in 1333 het complex zijn uiteindelijke Moorse aanzien en grootte gaf.

Na de overgave van Granada door de Moren in 1492 maakten koning Ferdinand II van Aragon en zijn gemalin Isabella I van Castilië het fort/paleis hun koninklijk werkpaleis, waarbij helaas bepaalde gedeelten werden afgebroken en vervangen door Renaissancistische gebouwen, zeker door toedoen van hun kleinzoon Karel V die in 1526 binnen de muren een compleet paleis liet bouwen.
Later werd er in de tuinen van het Alhambra zelfs een compleet klooster gebouwd, het huidige Parador. Het is te danken aan Isabella dat er nog het nodige van de oorspronkelijke Moorse gebouwen met hun bijzonder verfijnde Arabische architectuur is blijven staan.
cc commons.wikimedia.org La Alhambra by David Roberts.

David Roberts, gravure ‘La Alhambra vista desde el Albaycin’, 1835.

In de volgende eeuwen zette het verval weer in en het complex werd meer en meer ingenomen door leden van de plaatselijke bevolking die wie nu ‘krakers’ zouden noemen. Het Alhambra werd tenslotte in 1812 zwaar beschadigd in een vergeldingsoffensief door een bevelhebber van Napoleon, graaf Sebastiani, en in 1821 door een aardbeving. Inmiddels was het complex herontdekt door met name reislustige exponenten van het tijdperk der Romantiek alsmede Britse intellectuelen, waarvan de Amerikaan Washington Irving in zekere zin ook deel uitmaakte. Het Alhambra uit de tijd van Irving moet een totaal andere aanblik hebben opgeleverd dan het huidige, zwaar gerestaureerde complex.

Uiteraard valt er bijzonder veel over het Alhambra te vertellen, maar voor wie het een en ander wil nalezen en niet de beschikking heeft over een Lonely Planet Spain of een Rough Guide Spain kan e.g. terecht bij dit uitgebreide artikel op de Engelstalige Wikipedia. Om een idee te geven van het landschap dat Irving en zijn reisgezel David Wilkie in 1829 aantroffen en de sfeer die dit met zich meebracht, een citaat uit vertaling van De Leeuw (1995):

“Het aloude koninkrijk Granada, dat wij nu ongeveer binnentrekken, is één van de meest bergachtige streken van Spanje. In de woeste passen van deze bergen voert het aanschouwen van de ommuurde steden en dorpen, als adelaarsnesten tegen de klippen gebouwd en omringd door Moorse bolwerken en wachttorens op verheven pieken neergestreken, de geest terug naar de riddertijden van christen- en moslimstrijd en naar de heroïeke gevechten bij de verovering van Granada.”

Washington Irving

Zijn naam is al een paar keer gevallen. Washington Irving (1783–1859) werd geboren op 3 april in Manhattan, New York. Zijn vader, de zakenman William Irving, was afkomstig van de Orkney-eilanden (Schotland) en zijn moeder Sarah Sa(u)nders was uiteindelijk afkomstig uit Nederland. Washington sprak naast Engels ook vloeiend Nederlands, Duits en Spaans. Hij was oorspronkelijk bestemd voor de advocatuur, maar dat werd geen succes bij gebrek aan interesse.
cc commons.wikimedia.org Washington Irving Courtesy of the University of Texas Libraries, The University of Texas at Austin

Een carrière in het familiebedrijf mislukte eveneens waarna de jonge Irving zich ging toeleggen op schrijven, literatuur en reizen. Vanaf 1830 verkende hij het Westen van Amerika en legde zijn reiservaringen in vele verhalen vast. Maar naast het schrijven van korte verhalen en werken van geschiedkundige aard bleek Irving ook diplomatieke kwaliteiten te hebben. In Engeland werd hij secretaris aan de Amerikaanse ambassade en vervolgens werd hij Amerikaans ambassadeur in Spanje van 1842 tot 1846.

In zijn ‘short stories’ was Irving niet vies van het in zijn tijd populaire ‘gothic element’, getuige één van zijn populairste verhalen: ‘The Legend of Sleepy Hollow’, waarin een nogal hoekige schoolmeester, master Ichabod, achterna wordt gezeten door een ruiter die tijdens een veldslag dankzij een kanonskogel zijn hoofd was kwijtgeraakt. Sleepy Hollow is een dorp in Westchester County in de staat New York. Irving werd begraven op het kerkhof aldaar, behorende bij de Nederlandse Hervormde Kerk uit de 17e eeuw, die nog steeds bestaat. Het bouwwerk is een van de oudste gebouwen in de staat New York, gebouwd door Nederlandse emigranten. De kerk en het kerkhof komen prominent voor in ‘The Legend of Sleepy Hollow’.

Irving mag dan de ‘first American Man of Letters’ genoemd worden die met schrijven genoeg verdiende om er een fatsoenlijke boterham aan over te houden, en zijn korte verhalen waren destijds bijzonder populair, tot het selecte gezelschap van schrijvers die later tot ‘de literatuur’ zouden worden gerekend heeft hij het nooit gebracht. In ‘Amerikaanse Letterkunde’ (1982) van T.A. Birrell komt hij dan ook niet voor. Toch mag Washington Irving in de Amerikaanse literatuurgeschiedenis niet genegeerd worden. Hij heeft invloed uitgeoefend op grootheden als Nathaniel Hawthorne, Henry Longfellow, Herman Melville en Edgar Allan Poe. Daarnaast telde hij Lord Byron, Thomas Campbell, Charles Dickens, Francis Jeffrey en niet te vergeten Walter Scott onder zijn bewonderaars.

In 1832 verscheen ‘Tales of the Alhambra’. De publicatiegeschiedenis van het boek is enigszins complex, zie hiervoor het Wikipedia-artikel. De Engelse tekst is overigens hier te downloaden en hier online te lezen. Om het boek te classificeren is nog niet zo eenvoudig, maar met de betiteling ‘reisverhaal’ zit je aan de veilige kant. Het is de verslaglegging van een reis door Spanje in het voorjaar van 1829, waarbij onder meer Toledo, Sevilla en Granada werden bezocht, doorspekt met korte verhalen en volksoverleveringen (legends). Bij wijze van voorwoord adresseert Irving zijn vriend en reisgezel, de schilder David Wilkie Esq. R.A. met de volgende woorden:

“U zult zich nog herinneren, dat wij tijdens de omzwervingen, die wij eens gezamenlijk maakten langs de oude steden van Spanje, een buitengewoon sterke vermenging van het Saraceense met het Gotische opmerkten, overgebleven uit de Moorse tijd en meer dan eens geconfronteerd werden met gebeurtenissen en straattafereeltjes, die ons deden denken aan passages uit 1001 nacht. Ook toen drong u er bij mij op aan om iets te schrijven, wat dit speciale zou doen uitkomen, iets in een ‘Haroen al Rasjid’stijl met die bijsmaak van Arabische kruiden, die alle hier in Spanje doordrenkt”.

Zoals ook de Grieken de Turkse bezetting qua cultuur nooit helemaal van zich af hebben kunnen schudden (al moet hierbij aangetekend worden dat die een klein half millennium later begon en eindigde dan de Moorse bezetting van het Iberisch schiereiland), zo is met name de volkscultuur in Spanje na pakweg 340 jaar nog steeds een mengeling van Moorse en Spaanse elementen, al kan je je hierbij afvragen in hoeverre de culturen in elkaars verlengde liggen.

Gedurende zijn reis vulde Irving zijn dag- en notitieboeken met beschrijvingen en observaties. In feite deed hij ‘veldwerk’ voor een boek dat hij wilde schrijven: ‘Chronicle of the Conquest of Granada, a history of the years 1478–1492’. In Granada vroeg hij zowel aan de aartsbisschop als de beheerder van het Alhambra om toegang tot het complex, hetgeen hem als reeds bekend schrijver gegund werd. Geholpen door een plaatselijke gids, Mateo Ximenes, werkte hij geruimte tijd in het Alhambra en tekende verhalen en legenden op. Een steen geeft de plaats aan waar hij zijn werk verrichtte. Uiteindelijk werkte hij zijn aantekeningen om tot ruim dertig historische verhalen en legenden.

Volgens Irving bezit het ‘gewone volk’ van Spanje een oosterse hartstocht voor het vertellen van verhalen en is het dol op wonderen:

“Men schoolt samen bij de deuren van hun huisjes op zomeravonden of ’s winters rondom de grote open haard van het café en luisteren met een niet te verzadigen plezier naar wonderlegenden van heiligen, gevaarlijke avonturen van reizigers en vermetele heldendaden van rovers en smokkelaars.”.

Het woeste en desolate karakter van het landschap, het gebrek aan feitelijke kennis en de zucht naar nieuws droegen ertoe bij om de liefde voor de orale traditie te koesteren en om een sterke behoefte naar het abnormale en ongelooflijke op te roepen. Iedereen die zich bezighoudt met volkskunde of orale tradities zal het allemaal bekend voorkomen.

Eén onderwerp schijnt de boventoon gevoerd hebben: verhalen over door de Moren begraven schatten. In de continue strijd tussen Moren en christenen wisselden vestingen en paleizen regelmatig van eigenaar, en de Moren hadden volgens Irving de gewoonte vóór hun vlucht de rijkdommen die ze niet konden meenemen te begraven in de hoop ze bij een eventuele terugkeer te kunnen opgraven. Historische feiten hierover waren bijzonder schaars, maar daar wisten te vertellers wel raad op door er lustig op los te fantaseren.

Volgens Irving hebben deze verhalen zowel iets Arabisch als iets Gotisch in zich – de schrijver refereert met dit woord ongetwijfeld aan de ‘gothic novel’ die in zijn tijd populair was. Over verborgen schatten werd altijd een waas van magie gelegd. Ze werden beschermd door tovenarij en mysterieuze krachten en soms bewaakt door draken of monsters en soms door betoverde Moren die, gestoken in volle wapenrusting maar roerloos als een standbeeld, al eeuwen lang de schatten bewaken.

The legends of the Alhambra

Volgens Irving is het Alhambra vanwege zijn geschiedenis een bolwerk van dergelijke “volksfantasieverhalen”. Hij beweert dat hij de verhalen en legenden van het Alhambra “zeer secuur gemodelleerd heeft en samengesteld uit verschillende legendarische knipsels en aanwijzingen.”. Om de diverse legenden, die namen dragen als “De legende van de Arabische astroloog”, “De legende van de Moorse nalatenschap”, “De Legende van de roos van het Alhambra” en “De legende van de twee zwijgzame standbeelden”,
stuk voor stuk te bespreken is uiteraard ondoenlijk, dus licht ik er twee uit.

De eerste wordt vermeld in het vierde hoofdstuk (“Het Alhambra van binnen”) en is interessant omdat het over een wijdverbreid motief gaat: de onuitwisbare bloedvlek. Dit motief komt ook in een paar Nederlandse sagen voor, bijvoorbeeld de bloedvlek in kasteel Waardenburg waarover ik eerder hier schreef. Het gaat om bloedvlekken, meestal naar aanleiding van een moord, die óf niet weg te poetsen zijn – dat nog kan liggen aan de slechte kwaliteit van het schoonmaakmiddel – óf nadat ze verwijderd zijn doodleuk terugkomen, zelfs als de betreffende vloer of wand overgeschilderd is.

Helemaal griezelig wordt het als de bloedvlek terugkomt op een nieuwe vloer of wand nadat de oude is verwijderd. Het motief is geclassificeerd door Jacques R.W. Sinninghe in zijn ‘Katalog der Niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvariante’ (1943, vandaar de Duitse titel) onder SINSAG 1128: ‘Unauslöschliche Blutflecken’. In de Aarne–Thompson–Uther Index ben ik dit motief niet tegengekomen, maar deze motieven-index gaat ook in de eerste plaats om sprookjesmotieven. De catalogus van Sinninghe blijft behelpen, maar er is gewoonweg (nog) geen alternatief.

De bloedvlek in het Alhambra zou ontstaan zijn naar aanleiding van een vete tussen de Abencerrajes en hun politieke rivalen de Zenetes. Met een list lokte de sultan (een Zenetes) middels een banket 36 ridders van de adellijke Abencerrajes naar het Alhambra waarbij allen werden onthoofd bij de marmeren fontein in het midden van de ‘zaal der Abencerrajes’, gelegen in de Leeuwenhof (Patio de los Leones), waarna hun hoofden in de fontein zouden zijn geworpen.
Alhambra, patio de los Leones, 19e eeuwse gravure, gescand uit vertaling van Irvings boek door H.G.B. de Leeuw.

Alhambra, Patio de los Leones, 19e eeuwse gravure, gescand uit vertaling van Irvings boek door H.G.B. de Leeuw

Het boek vermeldt de maker van deze gravure niet. Op het internet zijn twee vrijwel identieke gravures te vinden:
Vista general del patio de los Leones de la Alhambra, van Luis Tasso, 1852-1854;
(Vista de) Granada (Alhambra, patio los leones), van William Deeble, 1837.

Een bediende toonde Irving de bloedvlekken op de bodem van de fontein die volgens een steevast volksgeloof nimmer uitgewist kunnen worden. En in de Leeuwenhof is ’s nachts vaak een dof, onbestemd geluid te horen dat gelijkenis vertoont met het gemurmel van een massa mensen, met zo nu en dan een vaag gerinkel als het verre gerammel van ketenen. De geluiden zouden worden veroorzaakt door de geesten van de vermoorde ridders die er ’s nachts rondspoken en de wraak van de Hemel afroepen over hun moordenaars.

De ‘Legende van de betoverde soldaat’ (The Legend of the Enchanted Soldier), hier na te lezen in de herziene editie van 1851, gaat over een student uit Salamanca die in de zomer rondtrekt met zijn gitaar om geld voor zijn studie te verdienen. Aangekomen in Granada komt hij een merkwaardige soldaat in volle wapenrusting tegen. Deze klaagt tegen de student dat hij al 300 jaar lijdt aan een betovering waardoor hij gedwongen is de schat van Boabdil (Abu Abdallah, de laatste Moorse bewoner van het Alhambra; de legende moet zich dus rond 1800 afspelen) tot in de eeuwigheid te bewaken, slechts met een maal in de honderd jaar een dag vrij – het lijkt de Vliegende Hollander wel.

De student vroeg aan de soldaat hoe hem te helpen. Hij bood hem de helft van de schat aan als hij hielp de betovering te verbreken. Hij had daarbij een christelijk meisje nodig en een priester. Het meisje was snel gevonden, maar de enige priester die ze konden vinden was een vraatzuchtige dikzak. Diezelfde nacht togen ze naar het Alhambra, de student met een mand vol heerlijkheden voor de priester voor als het werk gedaan was. Aangekomen bij een van de torens opende de muur zich op bevel van de soldaat waarbij ze een kamer met enorme schatten betraden.

Echter, terwijl de soldaat bezig was het magische ritueel te voltrekken dat de betovering moest opheffen, stortte de priester zich op de mand met voedsel en griste een gebraden kapoen weg.
Opeens stonden de student, het meisje en de priester weer buiten en was de soldaat nog steeds gevangen in de betovering. De student trouwde met het beeldschone meisje en ze zullen ongetwijfeld nog lang en gelukkig geleefd hebben. De interessante ‘notes’ van Irving bij deze legende (meer een sprookje) zijn hier na te lezen.

Tot slot:
ik heb in deze blog consequent gebruik gemaakt van de vertaling in het Nederlands uit 1995 van H.G.B. de Leeuw van het boek van Irving. Ik vind dit tot op zekere hoogte een zwaktebod, want ik ben niet altijd even enthousiast over de vertaalkeuzes van De Leeuw, maar ik wilde de lezer in een Nederlandstalige blog niet steeds vermoeien met Engelstalige citaten. Het beste is natuurlijk zelf het boek in de originele taal te lezen – Washington Irvin leest best makkelijk weg – bij voorkeur in één van de tuinen van het Alhambra.


Het volgende ‘Goed volk’-blog van Hans Overduin zal maandag 30 maart verschijnen
.