De allerlaatste dagen der mensheid (7)

    Proloog, scène 14
     (De dreigende filmmuziek van Taxi Driver, gecomponeerd door Bernard Herrmann. Op een bureau een schaalmodel van een New Yorkse gele taxi, made in China, broembroemend voortbewogen door de glunderende premier. Dan herpakt hij zich en gaat hij, alsof er niets gebeurd is, verder met waar hij aan bezig was, een brief aan de schrijver Harry Mulisch. Terwijl hij schrijft, leest hij hardop voor wat hij aan het schrijven is.)
    De premier: ‘Ik heb een hoge dunk van cultuur. Vandaar mijn oproep aan kunstenaars, schrijvers en intellectuelen om niet met de rug naar de maatschappij, naar de politiek, naar de wereld te staan.’ Punt. (tevreden) Dan denk ik toch van: nou laat ik ze een aardig poepie ruiken, al zeg ik het zelf. Ook van die mensen mag je vragen iets voor een ander te betekenen. Niet de hele tijd van ‘heb je het tegen mij’ maar iets doen, iets positiefs. Een bijdrage leveren. En daar gaat het om. Wedden dat ze weer en masse over me heen zullen vallen? De intellectuelen in de gordijnen en mijn natuurlijke achterban dik tevreden. Toch? Hahaha! (Hij pakt het autootje weer op en kijkt bewonderend naar het reclamebord op het dak: een afbeelding van het Vrijheidsbeeld met daarnaast de tekst: Welcome. De muziek van Bernard Hermann zet weer in. Daaroverheen: broembroemgeluiden.)
     (changement.)

    Proloog, scène 15
    Unit 3AG van de Immigratie- en Naturalisatiedienst op de begane grond van een IND-kantoor in Zevenaar.
    Een teamlid: Heb je dat gelezen over Sir Paul en Heather Mills? Hij wou niet dat zij hun baby de borst gaf. ‘Het zijn mijn tieten,’ zou hij gezegd hebben.
    Een ander teamlid: Schrijnend.
    Een derde teamlid: Nog naar De Gouden Kooi gekeken? Wordt steeds postmenselijker, schijnt. Ik sta voor de webcam, dus ik besta. Mensen leven alleen nog maar als ze op tv zijn. Moeder Natasia leest haar kinderen verhaaltjes voor en bidt het Onze vader.
    Het tweede teamlid: Ook schrijnend, maar daar kijk ik niet naar.
    Een vierde teamlid (een van de uitzendkrachten): En heb je die foto van Marco Borsato in de Gelredome gezien? Stond op de voorpagina. Het hele publiek in het rood. Deed me denken aan dat schilderij met die rooie duiveltjes in Antwerpen of Gent, ergens in België in elk geval. Met Marco als de waarlijke Beëlzebub in het midden.
    Het eerste teamlid: Je bedoelt die met die witte engeltjes en rode duiveltjes en de madonna met de tieten.
    Het tweede teamlid: Hou toch eens op over die tieten.
    Het vierde teamlid: Schrijnend!
    Een vijfde teamlid (ook een uitzendkracht): Spelletjespresentator en roddeljournalist Albert Verlinde meent: ‘De redding van Lingo toont eens te meer aan dat er iets goed mis is met ons Publieke bestel.’
    Een zesde teamlid: Hear, hear.
    Het tweede teamlid: Wat moet ik hiermee? Een succesvolle Ethiopiër die altwaalf jaar in Nederland is.
    Het eerste teamlid (behulpzaam): Je moet het met je hart doen, staat in de instructie. Dat betekent: zorg dat de minister niet al te veel uitzonderingsgevallen op haar bureau krijgt. Ze heeft het al zo druk.
    Het tweede teamlid: En deze dan? Deze mensen wonen al jaren in Nederland en hun kinderen zijn hier geboren. Moeten die vertrekken?
    Het zesde teamlid: Kijk je ook niet naar Jensen dan?
     (changement.)

    Proloog, scène 16
    Minister Kamp in het NAVO-vliegtuig van Kandahar naar Tarin Kowt. Hij praat in zijn slaap.
    Minister Kamp: … en derhalve, mannen, zeg ik: Wij zullen slagen. Wij willen slagen. Wij moeten slagen. Nee … Te defaitistisch … Denk aan Bush, denk aan Bush … en derhalve, mannen, zeg ik: Wij durven te slagen. Wij gaan slagen. Wij zullen slagen. Bijna … (In zijn droom hangt bij thuiskomst de vlag uit, met daaraan zijn schooltas.)
     (changement.)

    Proloog, scène 17

    Minister Kamp in Tarin Kowt. Voor de manschappen. Hij beëindigt zijn speech over nut en noodzaak van de ISAF-missie en de rol van het Nederlandse detachement daarin.
    Minister Kamp: … en derhalve, mannen, zeg ik: Wij kunnen slagen. Wij moeten slagen. Wij zúllen slagen.
    Een soldaat (terzijde): … krijgen.
     (changement.)

    Proloog, scène 18
    De kamer van minister Verdonk op het Binnenhof. Vogeltjes vliegen in dichte zwermen tegen de ruiten. De minister stelt een brief op aan de Achterpagina van het NRC-Handelsblad.
    De minister (ferm mummelend): Op een dergelijke manier op de man spelen, ja, is ongehoord in Nederland en in ons rechtsstelsel. Mij vergelijken met Hitler gaat al te ver, ja, maar daarbij de suggestie wekken dat ik een snor heb en die epileer met als doel om niet op deze dictator te lijken, ja, is on-aan-vaardbaar. Ik eis onmiddellijke excuses van de heren Fokke en Sukke, anders weiger ik voortaan met de heren indiscussie te gaan.
     (changement.)

::: Meer over de serie De allerlaatste dagen der Mensheid, de schrijvers Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes en illustrator Aart Clerkx :::

  1. 4

    Mijn opmerkingen #2 waren plaagstootjes, vanuit sargasso-historisch perspectief bekeken naar Caprio en niet gericht naar de poster @ Mark.

    De termen schip ahoy en de fik erin moet toch iets oproepen bij de ‘oude’ garde..toch?

  2. 7

    Ik begrijp dat dit een soort literair politiek dagboek is, maar fictie zonder lagen, dus meer een politiek dagboek, en fictieve politiek verveelt mij meer dan politiek omdat politiek tenminste ergens om gaat, tenzij er literaire meerwaarde in zit, maar die zie ik niet, misschien teveel Voskuil gelezen en toen aan het mijmeren geslagen of althans er (Voskuil of zichzelf) teveel van onder de indruk geraakt.

    @larie: jammer dat dit een electronisch medium is inderdaad.